Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7502

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
00/04089
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Indien er niet sprake is van een gegrond verklaard beroep kan de belastingrechter geen vergoeding toekennen voor geleden schade.

Tegen een besluit van de inspecteur om geen schadevergoeding tot te kennen staat geen beroep open bij de belastingrechter op grond van het bepaalde in art. 23, eerste lid, iuncto art. 26, eerste lid, van de Awr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1523

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Op 4 december 2000 is ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ingekomen van belanghebbende, aangeduid als gericht tegen de uitspraak met dagtekening 24 oktober 2000 van de inspecteur betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd van f 50. Het bedrag van de boete is op het aanslagbiljet vermeld. Na bezwaar is de boete bij de bestreden uitspraak komen te vervallen. Belanghebbende heeft zijn beroep aangevuld bij brief van eveneens 4 december 2000, ingekomen op 5 december 2000.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak, vernietiging van de boetebeschikking en veroordeling van de inspecteur in de kosten voor het maken van bezwaar. De inspecteur concludeert tot ongegrond verklaren van het beroep.

Ter zitting van 18 april 2002 zijn verschenen belanghebbende, alsmede A namens de inspecteur.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft door middel van een T-biljet over 1999 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van f 19.628. Op basis van dit inkomen heeft belanghebbende op 27 juli 2000 een negatieve voorlopige aanslag gekregen van f 1.510 (inclusief heffingsrente).

2.2. Bij de definitieve aanslag met dagtekening 25 augustus 2000 heeft de inspecteur het aangegeven belastbaar inkomen gevolgd en een verzuimboete wegens het niet dan wel niet tijdig doen van aangifte opgelegd ad f 50; zulks resulteerde in een te betalen bedrag van f 50.

2.3. Belanghebbende heeft tegen de boetebeschikking tijdig bezwaar gemaakt en daarbij tevens verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaarschrift, door hem gesteld op f 50. De inspecteur heeft op 24 oktober 2000 uitspraak gedaan en daarbij besloten aan het bezwaar tegemoet te komen. Bij de uitspraak is een terug te ontvangen bedrag van f 50 vastgesteld. In het verweerschrift bevestigt de inspecteur dat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende in deze rechtsgang aanspraak kan maken op enige vergoeding van kosten voor het maken van bezwaar.

4. Standpunten van partijen

Het hof verwijst hiervoor naar de stukken van het geding.

Belanghebbende heeft ter zitting nog verklaard dat hij onnodig bezwaar heeft moeten maken en dat hij de teruggave van f 50 heeft afgeboekt van de voor het bezwaar te maken kosten; dat het hem al jaren frustreert dat hij overbodig kosten moet maken en dat het hem gaat om compensatie voor het tijdverlies. Hij verzoekt de uitspraak niet-aangetekend te verzenden.

De inspecteur heeft nog verklaard dat het niet juist is geweest dat hij in eerste instantie had verklaard dat er wel reden was een boete op te leggen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Kennelijk gaat belanghebbende ervan uit dat de boetebeschikking bij de bestreden uitspraak van de inspecteur in stand is gebleven. Aangezien evenwel het bezwaar van belanghebbende was gericht tegen deze boetebeschikking en de inspecteur bij de uitspraak heeft besloten aan het bezwaar tegemoet te komen, is het hof van oordeel dat de inspecteur bij het doen van de uitspraak de boetebeschikking heeft vernietigd. Voor zover het beroep is gericht tegen die beschikking heeft belanghebbende daarbij dus geen belang. Het beroep moet in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2. Aangezien de inspecteur volledig aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet is gekomen kan er geen sprake zijn van het gegrond verklaren van het beroep van belanghebbende. Op grond van het bepaalde in artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is belanghebbende reeds daarom niet-ontvankelijk in zijn beroep, voorzover strekkende tot vergoeding van de gestelde schade, geleden ten gevolge van het gelijktijdig met het opleggen van de aanslag ten onrechte opleggen van een boete. Het feit dat belanghebbende de teruggave ad f 50 heeft aangemerkt als schadevergoeding doet er niet aan af dat de inspecteur bij zijn beslissing de boete heeft laten vervallen en geen schadevergoeding heeft toegekend.

5.3. Voorts overweegt het hof nog het volgende.

De inspecteur heeft bij de uitspraak op het bezwaar van belanghebbende kennelijk besloten geen vergoeding toe te kennen van kosten voor het maken van bezwaar en een dergelijk besluit valt te kwalificeren als een beschikking in de zin van de Awb. Deze beschikking is geen uitspraak als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) zodat er geen beroep mogelijk is. Voorzover belanghebbendes bezwaren zich richten tegen deze beschikking is belanghebbendes beroep niet-ontvankelijk. Ten overvloede voegt het hof daaraan toe dat ingevolge artikel 23, eerste lid, Awr tegen de beschikking van de inspecteur om geen schadevergoeding toe te kennen geen bezwaar openstaat. Het hof ziet derhalve ook geen aanleiding het beroepschrift op de voet van artikel 6:15 Awb als bezwaarschrift door te sturen aan de inspecteur.

6. Proceskosten

Het hof vindt geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk en

- gelast de griffier het griffierecht ad € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 29 augustus 2002 door mr. Onnes, Boersma en Goes, in tegenwoordigheid van mr. Brands als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:

a- de naam en het adres van de indiener;

b- een dagtekening;

c- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.