Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7045

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
23-000579-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

a) o.a. cocaïne opzettelijk binnen grondgebied van Nederland brengen; b) het hof acht het in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde dat leden van een Nederlands opsporingsteam, dat belast is met een Nederlandse strafrechtelijk onderzoek naar een groepering, waarvan een bepaalde verdachte wordt vermoed deel uit te maken, worden belast met de uitvoering van een rechtshulpverzoek inzake een tegen die verdachte gerichte buitenlandse strafzaak (i.c. geen toepassing van art. 359a Sv).

4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2002-06-26
Opiumwet 10, geldigheid: 2002-06-26
Opiumwet 10, geldigheid: 2002-06-26
Wet op de accijns 5, geldigheid: 2002-06-26
Wet op de accijns 97, geldigheid: 2002-06-26
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2002-06-26
Wetboek van Strafvordering 359a, geldigheid: 2002-06-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 224
NBSTRAF 2002/224

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000579-01

datum uitspraak 26 juni 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 31 januari 2001

in de gevoegde strafzaken telkens onder parketnummer 16/039278-99 tegen

[verdachte]

geboren te [plaats] op [...] 1961,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te PI Utrecht te Nieuwegein.

De omvang van het hoger beroep

Blijkens mededeling van de advocaat-generaal is het hoger beroep van de officier van justitie met name gericht tegen de beslissing van de rechtbank houdende vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde feit.

Blijkens mededeling van de raadsman ter terechtzitting van 14 november 2001 is het hoger beroep niet gericht tegen enige beslissing in het vonnis waarvan beroep die geen veroordeling inhoudt en voorts niet enige tussenbeslissing van de rechtbank.

Op grond van het voorgaande is aan het oordeel van het hof onderworpen de beslissing van de rechtbank terzake van de aan verdachte bij inleidende dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten, zoals door de rechtbank op de vordering nadere omschrijving van de officier van justitie gewijzigd.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 18 en 25 oktober 2000, 15, 16 en 17 januari 2001 en die in hoger beroep van 14 en 16 november 2001, 12 december 2001, 4 januari 2002, 6 februari 2002, 13 maart 2002, 7 en 12 juni 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat vermeld in de inleidende dagvaarding tegen de terechtzitting van de rechtbank van 1 augustus 2000, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 oktober 2002 op vordering van de officier van justitie op de voet van het bepaalde in artikel 314a Wetboek van Strafrecht nader omschreven, en in de inleidende dagvaarding tegen de terechtzitting van de rechtbank van 25 oktober 2000 Van die dagvaardingen en vordering nadere omschrijving zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi met betrekking tot al hetgeen de verdachte is ten laste gelegd aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de ingestelde strafvervolging, op de grond dat de start van het Calluna-onderzoek onrechtmatig is geweest.

De raadsman heeft hiertoe gesteld dat het Calluna-onderzoek is gestart op drie pijlers, te weten (1) het Coca-onderzoek (de zaak Haarzuilens), (2) het Xerxes-onderzoek (de Xerxes-zaak) en (3) het rechtshulpverzoek van Engeland waaraan op 30 juni 1999 uitvoering is gegeven, en vervolgens zijn stelling dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest als volgt geadstrueerd.

A.

Er is sprake van ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is te kort gedaan, doordat de Nederlandse justitie bewust heeft meegewerkt aan de uitvoering van het rechtshulpverzoek van Engeland en gebruik heeft gemaakt van de resultaten daarvan.

De raadsman heeft deze stelling als volgt toegelicht.

De huiszoeking (het hof begrijpt: in de woning van de verdachte) in het kader van het rechtshulpverzoek van Engeland heeft ten grondslag gelegen aan en is mede de start geweest van het Calluna-onderzoek.

De Nederlandse justitie heeft bewust meegewerkt aan het rechtshulpverzoek en heeft gebruik gemaakt van de bevindingen bij de uitvoering daarvan. De leden van het opsporingsteam in de Calluna-zaak hebben alles wat bij die huiszoeking in de woning is aangetroffen, zoals namen, telefoonnummers en afspraken in agenda's, kunnen gebruiken en de getuige Pals heeft op de terechtzitting van het hof van 16 november 2001 ook aangegeven dat de informatie afkomstig uit de tijdens de huiszoeking in de Engelse zaak in beslag genomen organizer van de verdachte in het Calluna-onderzoek is gebruikt.

Het openbaar ministerie had evenwel niet mogen meewerken aan het verzoek van de Engelsen om over te gaan tot huiszoeking bij de verdachte. De verantwoordelijke officier van justitie, mr. Roelofs, had moeten vermoeden dat er iets onrechtmatigs aan de hand kon zijn, te weten overschrijding van het Tallon-criterium, omdat in de Engelse strafzaak (het verzoek) duidelijk is aangegeven dat daarin sprake was van een infiltratieactie en hij had - direct na de ontvangst van het verzoek - moeten onderzoeken of het Tallon-criterium niet was geschonden.

Uit het Engelse rechtshulpverzoek blijkt dat de Engelse zaak begon op 14 maart 1998, toen er een ontmoeting plaatsvond tussen [R.] en een undercover agent "[D.]" van de Customs en dat deze [D.] het contactnummer van [R.] had gekregen. Dit duidt er op dat de Customs [R.] hebben benaderd, waardoor de verdachte later in aanraking met de Customs is gekomen.

Uit een inbeslaggenomen ongedateerde brief van [R.] aan de familie [familienaam] blijkt dat "[E.]" degene is geweest die de verdachte heeft voorgesteld aan de Britse Customs. Deze [E.] is een Nederlander en heeft kennelijk in opdracht, maar in elk geval onder regie van de Customs geopereerd, hetgeen inhoudt dat hij een informant/criminele burgerinfiltrant was. Naar Nederlands recht kan een infiltratieactie door een burger niet door de beugel.

De Customs hebben aangegeven dat zij illegale goederen Engeland konden binnen smokkelen. De verdachte vond dit idee aantrekkelijk en is vervolgens in contact getreden met mensen uit Marokko en heeft aangegeven vervoer te kunnen regelen. De Marokkanen hadden een koper in Engeland en de verdachte zou voor het vervoer zorgen. De verdachte is opgetreden als organisator van het vervoer van de cannabis. Hij heeft deze rol alleen kunnen vervullen doordat de Britse Customs hem hierover hebben benaderd en/of uitgelokt al dan niet door middel van een informant. De verdachte zou het vervoer van de canabis niet hebben geregeld, als hij niet door de Britse Customs was benaderd.

B.

Het openbaar ministerie heeft in de zaak Haarzuilens een ontoelaatbare opsporingsmethode gehanteerd door doelbewust en in strijd met de goede procesorde de cocaine, waarvan in die zaak sprake is, door te laten.

De raadsman heeft deze stelling als volgt toegelicht.

Op grond van een tip heeft de Fiod Amsterdam de container inhoudende cacaoboter op 16 december 1996 gecontroleerd. Er is daarbij "geprikt" en met geurhonden gewerkt. Er zou toen geen drugs zijn aangetroffen. Op 22 december 1996 heeft een zelfde soort controle plaatsgehad in Antwerpen, waarbij eveneens niets is aangetroffen. Op 3 januari 1997 heeft de Fiod Roosendaal - weer naar aanleiding van genoemde tip - een scan uitgevoerd. Ook hier werden geen drugs aangetroffen. Vervolgens is op 16 januari 1997 in Haarzuilens "bij toeval" - namelijk op basis van een tip uit november 1996 dat er een weedplantage zou zijn - cocaine aangetroffen die afkomstig zou zijn uit de container met cacaoboter.

Het is niet aannemelijk en het is volstrekt ongeloofwaardig dat een transport driemaal ongeschonden door een controle komt.

Op grond van een en ander is de verdediging van mening dat het bekend was dat er cocaine in de cacaoboter zat en dat gewacht is met ingrijpen en in beslag nemen totdat de bestemming en de mogelijke verdachte duidelijk waren en de cocaine op de plaats van bestemming was.

De politie heeft met het verzwijgen van deze door haar gehanteerde opsporingsmethode de rechter en de verdediging geprobeerd te misleiden.

Omtrent de methode van doorlaten heeft de Tweede Kamer na de IRT-affaire een verbod in het Wetboek van Strafvordering laten opnemen.

C.

Het openbaar ministerie heeft artikel 6 EVRM geschonden, doordat het er voor heeft gekozen de verdachte in de zaak Haarzuilens niet in 1997, maar pas in 2000 te vervolgen, door welke late vervolging het openbaar ministerie de verdediging op een achterstand heeft gezet, waardoor een goede verdediging onmogelijk is gemaakt.

De raadsman heeft deze stelling als volgt toegelicht.

De start van het Calluna-onderzoek vindt haar oorsprong in de zaak Haarzuilens.

Alhoewel de verdachte in 1997 in de zaak Haarzuilens kennelijk al verdachte was in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering heeft het openbaar ministerie "wegens capaciteitsproblemen" toen afgezien van het instellen van een vervolging in die zaak. Door dit dusdanig lang stil laten liggen van deze zaak is het de verdediging nagenoeg onmogelijk gebleken de getuigen naar de feitelijke omstandigheid te vragen, is gebleken dat getuigen moeite hadden zich bepaalde dingen te herinneren en is het voor de verdachte nagenoeg onmogelijk geworden goede verklaringen af te leggen over bijvoorbeeld de aanschaf van bepaalde goederen.

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat hetgeen hiervoor onder A, B en C is vermeld, moet leiden tot uitsluiting van het bewijs om reden dat het gestelde de start van het onderzoek betreft en mitsdien de bewijsgaring heeft plaatsgehad naar aanleiding van het onderzoek in de zaak Haarzuilens en het Engels rechtshulpverzoek.

De raadsman heeft - kennelijk meer subsidiair - voorts nog aangevoerd dat uitsluiting van het bewijs ook dient plaats te hebben op de grond dat de aanhouding van [medeverdachte 1] en de vordering tot uitlevering van het wapen en de hennepplantage niet hadden mogen plaatshebben.

De raadsman heeft dit verweer aldus toegelicht.

De aanhouding van [medeverdachte 1] geschiedde enkel op oude CID-info, te weten CID-informatie van 22 november 1996.

Oude CID-informatie - zeker waar deze bijna twee maanden oud is - is onvoldoende grondslag om te kunnen spreken van "redelijkerwijs te kunnen vermoeden" (het hof begrijpt om in de zaak Haarzuilens te kunnen spreken van: redelijkerwijs kan worden vermoed dat een overtreding van de Opiumwet gepleegd wordt als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van die wet) of, met betrekking tot de aanhouding van [medeverdachte 1], redelijk vermoeden van schuld (naar het hof begrijpt: als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering). De onder druk van de aanhouding gedane uitlevering van het wapen en de hennep en de latere zoeking zijn daardoor onrechtmatig geweest.

De raadsman heeft ten slotte nog aangevoerd dat alle hiervoor vermelde verweren, indien afgewezen, dienen te leiden tot toepassing van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (het hof begrijpt: tot toepassing van het voorts nog in artikel 359a Wetboek van Strafvordering genoemde rechtsgevolg van strafvermindering).

Het hof overweegt hieromtrent deze weren als volgt

ad A, B en C

De vraag naar - in de woorden van de raadsman - de pijlers, waarop het Calluna-opsporingsonderzoek is gestart, is door het hof door middel van getuigenverhoren ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2001 onderzocht.

Ter zake van deze kwestie heeft de getuige Pals, teamleider van het Calluna-opsporingsonderzoek, toen - zakelijk weergegeven - als volgt verklaard:

- dat hij vanaf december 1998 in opdracht van de afdelingschef van Becro (afdeling Bestrijding criminele organisaties) van de Regiopolitie Utrecht, zulks in gevolge de beslissing van de zogenaamde Vierhoek, informatief onderzoek heeft gedaan naar bekende gegevens over de familie [familienaam], te weten de personen [medeverdachte 2], [verdachte] en vader [medeverdachte 3], in verband met de handel in verdovende middelen, welke groep toen voorkwam op de lijst van de Becro betreffende verdachte criminele organisaties, om na te gaan of er voldoende verdenking jegens hen (de groep) was om een opsporingsodnerzoek te starten;

- dat hij dat onderzoek is begonnen met het inzien van het dossier van de zaak Haarzuilens, dat hij vervolgens van het Meldpunt Recherche Onderzoeken van het CRI informatie kreeg over het Xerxes-onderzoek, waarin [medeverdachte 2] en vader [medeverdachte 3] in beeld waren gekomen, en over de zaak S [medeverdachte 4], inhoudende dat [medeverdachte 2] twee in Engeland met XTC aangehouden meisjes heeft geronseld, en dat het door hem inzien van het BPS (bedrijfsprocessensysteem) opleverde dat in een zaak betreffende XTC-pillen te Gageldijk en een XTC-laboratorium bij [bijnaam] de auto van de verdachte ([verdachte]) door een van de verdachten in die zaak was gebruikt en de loods, waar de pillen waren gevonden, door vader [medeverdachte 3]) was gehuurd, als ook dat in een toen nog niet afgeronde zaak Hoefnix een verdachte in die zaak in verband met de invoer van 100 kiligram heroine contact zou hebben gehad met de verdachte ([verdachte]);

- dat hij omtrent de resultaten van zijn informatieve onderzoek verschillende voortgangsrapportages voor de Vierhoek heeft gemaakt, laatstelijk in maart 1999;

- dat hij via een collega van de Becro informatie ontving over een aanstaand rechtshulp- en uitleveringsverzoek van Engeland met betreffende de verdachte ([verdachte]), dat hij in maart 1999, toen hij nog bezig was met het informatieve onderzoek, contact heeft gehad met een liaisonofficer uit Engeland die hem het een en ander over de Engels zaak (waarop het aanstaande Engelse rechtshulp- en uitleveringsverzoek betrekking had) heeft verteld en dat hij van dat aanstaande rechtshulpverzoek mededeling heeft gedaan in zijn laatste en definitieve voortgangsnota aan de Vierhoek in maart 1999;

- dat hij dat aanstaande rechtshulpverzoek in die laatste voortgangsrapportage ter kennisgeving aan de Vierhoek heeft gemeld, maar dat het geen rol speelde in zijn advies (aan de Vierhoek) om het opsporingsonderzoek tegen de doelgroep [familienaam] ([medeverdachte 2], [verdachte] en vader [medeverdachte 3]) te starten;

- dat de Vierhoek (zijnde de instantie die besliste over door de Regiopolitie Utrecht aan te vangen projectmatige opsporingsonderzoeken) na die laatste rapportage heeft besloten dat er een opsporingsonderzoek zou worden gestart met als doelgroep de familie [familienaam], zulks onder de projectnaam Calluna;

- dat het zogenaamde tactisch opsporingsonderzoek in de Calluna-zaak in april 1999 is gestart;

- dat het Engelse rechtshulpverzoek in elk geval na de start van het tactisch opsporingsonderzoek is afgehandeld, zulks door leden van het Calluna-opsporingsteam.

Ter zake van voormelde kwestie heeft de getuige Eigeman, officier van justitie te Utrecht, ter terechtzitting van 16 november 2001 - zakelijk weergegeven - als volgt verklaard:

- dat hij deel uitmaakt van de Vierhoek en (als zodanig) betrokken is geweest bij de beslissing van de Vierhoek om het Calluna-opsporingsonderzoek te starten;

- dat de beslissing om het opsporingsonderzoek onder de projectnaam Calluna te starten door de Vierhoek eind maart 1999 is genomen op basis van verschillende voortgangsrapportages van Pals en dat het rechtshulpverzoek uit Engeland, dat door Pals in zijn laatste rapport voor de Vierhoek is genoemd, zijdelings ter sprake is gekomen, maar niet van enige betekenis is geweest voor de beslissing om de Callana-zaak te starten.

Op grond van het voorgaande wordt de stelling van de raadsman dat het Calluna-opsporingsonderzoek mede is gestart op basis van (informatie omtrent) het door hem bedoelde rechtshulpverzoek van Engeland verworpen. Feiten of omstandigheden die het hof nopen te twijfelen aan hetgeen daaromtrent door de getuigen Pals en Eigeman is verklaard, zijn niet aannemelijk geworden.

Mede gelet op voormelde verklaring van de getuige Pals is komen vast te staan dat de uitvoering van het Engelse rechtshulpverzoek en in dat kader in de woning van de verdachte op 30 juni 1999 gedane huiszoeking eerst heeft plaatsgehad, nadat het opsporingsonderzoek in de Calluna-zaak was aangevangen, zodat de stelling van de raadsman dat de huiszoeking in het kader van het rechtshulpverzoek van Engeland ten grondslag heeft gelegen aan en mede de start is geweest van het Calluna-onderzoek feitelijke grondslag mist en mitsdien eveneens wordt verworpen.

Met betrekking tot de start van het Calluna-opsporingsonderzoek merkt het hof hier op dat niet kan worden gezegd dat, toen de beslissing werd genomen het Calluna-opsporingsonderzoek te starten, er in redelijkheid jegens de doelgroep, te weten [medeverdachte 2], [verdachte] en vader [medeverdachte 3], in onderling verband bezien dan wel jegens een ieder van hen individueel, geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was. Het hof heeft hierbij gelet op de door de getuige Pals genoemde, tijdens het informatieve onderzoek aan hem bekend geworden informatie, als ook op de inhoud van de zaken Haarzuilens en Xerxes, zoals neergelegd in de politie processen-verbaal die uit de oorspronkelijke politiedossiers van die zaken in het Calluna-politiedossier zijn gevoegd. Zo zijn in het oorsponkelijke Haarzuilens politiedossier wat betreft de verdachte ([verdachte]) bijvoorbeeld omstandigheden te vinden waaruit een redelijk vermoeden van schuld kan worden afgeleid van zijn betrokkenheid bij de cocainewasserij, te weten de omstandigheden betreffende de aanschaf van chemicalien soortgelijk aan chemicalien die in januari 1997 op de boerderij van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen.

ad B nader

De door de raadsman naar voren gebrachte feiten of omstandigheden houden, elk voor zich en in onderling verband beschouwd, niet in dat op grond daarvan moet worden vastgesteld dat de cocaine, waarvan het hof aannemelijk acht dat deze verwerkt in cacaoboter in de container met nummer SCZU 495908-4 is vervoerd, door of vanwege het openbaar ministerie of enige andere Nederlandse overheidsfunctionaris doelbewust is doorgelaten. Andere feiten of omstandigheden, die het hof nopen te veronderstellen dat met betrekking tot het invoeren en vervoeren van die cocaine door enige Nederlandse overheidsfunctionaris is gehandeld in strijd met het recht, zijn gesteld noch aannemelijk geworden.

De stelling van de raadsman dat het openbaar ministerie in de zaak Haarzuilens de opsporingsmethode van "doorlaten van illegale drugs" heeft gehanteerd wordt mitsdien verworpen.

In dit verband wijst het hof er op dat - naar op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan - in cacaoboter verwerkte cocaine reukloos is en mitsdien niet met behulp van het inzetten van zogenaamde drugshonden kan worden opgespoord en dat de in de cacaoboter in de boerderij van [medeverdachte 1] te Haarzuilens aangetroffen cocaine eerst door navragen van de politie die het oorsponkelijke opsporingsonderzoek in de zaak Haarzuilens heeft verricht, in verband is gebracht met de cacaoboter die in genoemde container werd vervoerd, alsook dat niet aannemelijk is geworden dat op genoemde wijze verwerkte cocaine met behulp van scanapparatuur kan worden opgespoord.

De stelling van de raadsman dat de politie de hantering van de opsporingsmethode ter zake heeft verzwegen ter misleiding van rechter en verdediging, wordt - gelet op het voorgaande - ook verworpen.

Met betrekking tot het door de raadsman ten aanzien van de zaak Haarzuilens voorts nog gevoerde verweer, in zijn kern inhoudende dat de CID-informatie op grond waarvan de politie op 16 januari 1997 [medeverdachte 1] heeft aangehouden en de uitlevering wapen en hennepplantage heeft gevorderd te oud was om als rechtsgrondslag voor dat handelen te kunnen dienen, overweegt het hof als volgt.

De door de raadsman bedoelde CID-informatie is blijkens het daarvan door verbalisant Bos opgemaakte proces-verbaal van 22 januari 1997 bij de RCID politie regio Utrecht binnengekomen op 22 november 1996. Deze informatie hield in dat [medeverdachte 1] uit Haarzuilens op zijn boerderij een wietplantage heeft met duizenden wietplantjes en ter bescherming van zijn plantage de beschikking heeft over een vuurwapen. Het proces-verbaal van Bos vermeldt voorts dat de binnengekomen informatie door hem als betrouwbaar is gekwalificeerd.

Blijkens het proces-verbaal van de politie Utrecht, district Rijn en IJssel is deze informatie haar in december 1996 door de CID ter beschikking gesteld en is vervolgens door haar nader onderzoek ingesteld, bestaande uit onderzoek bij de afdeling bevolking van de gemeente Vleuten-De Meern en het electriciteitsbedrijf Remu en locatie onderzoek. Op grond van de uitkomsten van dat nader onderzoek is op 16 januari 1997, nadat de officier van justitie daarvan in kennis was gesteld, door personeel van district Rijn en IJssel, te zamen met personeel van de milieupolitie en technische recherche ter plaatse opgetreden. [medeverdachte 1] is toen uitlevering van het vuurwapen en de hennep gevorderd en is nadat hij het vuurwapen had uitgeleverd, aangehouden.

Gelet op voormelde gang van zaken kan niet worden gezegd dat aan voormeld optreden van de politie op 16 januari 1997 onrechtmatig was. Hieraan doet niet af dat de informatie reeds op 22 november 1996 bij de RCID was binnengekomen.

Ook dit verweer wordt mitsdien verworpen.

ad C nader

Het oorspronkelijke opsporingsonderzoek in de aan de verdachte onder 6 tenlastegelegde zaak Haarzuilens is aangevangen op 16 januari 1997 door personeel van district Rijn en IJssel van de Regiopolitie Utrecht. In die zaak zijn toen als verdachten aangehouden onder anderen [medeverdachte 1] en de Colombianen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en is gedurende enige maanden daaropvolgend nader opsporingsonderzoek gedaan. In verband met de aangetroffen - kort gezegd - cocainewasserij heeft de afdeling Becro (Bestrijding Criminele Organisaties) van de Regiopolitie Utrecht toen de opsporingsambtenaar Langerak uitgeleend aan het onderzoeksteam van district Rijn en IJssel. In dat nadere opsporingsonderzoek zijn bezwarende omstandigheden jegens de verdachte gerezen.

[medeverdachte 1], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zijn ter zake vervolgd en veroordeeld. Tegen de verdachte is toen (in de zaak Haarzuilens) geen strafvervolging ingesteld en hij is in die zaak toen ook niet aangehouden of door de politie gehoord.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de getuigen Roelofs, zaaksofficier van justitie in het onderwerpelijke Calluna-onderzoek, en Pals, teamleider opsporingsonderzoek in de Calluna-zaak, verklaard onderscheidenlijk (Roelofs) dat hij van zijn collega Koremans, zaaksofficier in de zaak Haarzuilens, heeft gehoord dat het onderzoek in die zaak toentertijd was gestopt omdat het district Rijn en IJssel te weinig mankracht had en (Pals) dat hij weet dat het onderzoek naar de cocainewasserij toentertijd is stopgezet omdat er onvoldoende mankracht was om het voort te zetten en ook dat Langerak daarover ongelukkig was en de Becro heeft geadviseerd het onderzoek over te nemen, wat toen niet is gebeurd.

Gelet op de aard van de zaak Haarzuilens, de capaciteitsproblemen bij het politieteam van district Rijn en IJssel en de omstandigheid dat het Becro-team van de Regiopolitie Utrecht dat toentertijd belast was met zogenaamde projectmatige opsporingsonderzoeken, toen kennelijk geen capaciteit had of kon vrijmaken om het opsporingsonderzoek in de zaak Haarzuilens van district Rijn en IJssel over te nemen en voort te zetten, is de beslisisng van de Regiopolitie Utrecht om het opsporingsonderzoek in de zaak Haarzuilens in 1997 - gelet op het later gestarte Calluna-onderzoek - voorlopig niet voort te zetten, niet onbegrijpelijk of onredelijk.

In het Calluna-opsporingsonderzoek is op 31 maart 2000 huiszoeking gedaan onder andere in de woning van de verdachte. De verdachte in verband met het opsporingsonderzoek op 25 april 2000 in verzekering gesteld.

In het Calluna-opsporingsonderzoek heeft de verdachte zich beroepen

op zijn zwijgrecht, althans niet willen verklaren en ook niet verklaard.

De enkele omstandigheid dat tussen de start van het opsporingsonderzoek in de zaak Haarzuilens op 16 januari 1997 en het bij inleidende dagvaarding tegen de terechtzitting van de rechtbank van 25 oktober 2000 aan de verdachte ten laste leggen van deze zaak ruim 45 maanden zijn verlopen, brengt nog niet mee dat op grond daarvan moet worden gezegd dat ter zake van de berechting van die zaken (in eerste aanleg en daarna in hoger beroep) een fair proces als bedoeld in artikel 6 EVRM met betrekking tot de verdachte niet meer mogelijk is.

Anders dan de raadsman heeft gesteld, heeft dat enkele tijdsverloop voor de berechting van die zaken niet meegebracht dat ter zake getuigen niet meer naar de feitelijke omstandigheden konden worden gevraagd.

Wat dit betreft, geldt het volgende.

In hoger beroep heeft het hof op het verzoek van de raadsman beslist om onder meer ter zake van de zaak Haarzuilens als getuigen ter terechtzitting in hoger beroep te horen verbalisanten Pals en Bos en officier van justitie Roelofs. Deze getuigen zijn ter terechtzitting van 14 november 2001 gehoord, hebben omtrent de feitelijke omstandigheden verklaard en de verdediging heeft hen toen ook vragen kunnen stellen.

In hoger beroep heeft het hof in de zaak tegen de verdachte voorts - ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal - met betrekking tot de zaak-Haarzuilens als getuigen gehoord [medeverdachte 1] en officier van justitie mr. Eigeman.

In het bijzonder wat betreft het verhoor van de getuige [medeverdachte 1] is de ondervraging uitgebreid en diepgaand geweest en kan - gelet op de uitkomst van de ondervraging - niet worden gezegd dat de getuige toen niet meer in staat was te verklaren over de feitelijke gang van zaken in de jaren 1996 en 1997.

Voorts vermeldt het hof nog dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2002, dit is voorafgaande aan het rekwisitoir van de advocaat-generaal, desgevraagd heeft meegedeeld dat zij geen (nadere) onderzoeksverlangens meer heeft.

Al het voorgaande in aanmerking genomen, wordt dit onderdeel van het verweer van de raadsman verworpen.

ad A nader

Uit de inhoud van het bedoelde Engelse rechtshulpverzoek blijkt het volgende.

De Engelse zaak is op 14 maart 1998 begonnen met een ontmoeting in Londen tussen [R.] en de undercover agent van Customs genaamd [D.] naar aanleiding van de omstandigheid dat [D.] een contactnummer voor [R.] had gekregen (het hof begrijpt de opdracht had gekregen contact op te nemen met [R.]) omdat [R.] de diensten van [D.] wenste te gebruiken om een import van canabis vanuit Marokko per boot naar Engeland te organiseren, daar [D.] was geintroduceerd als iemand die een dergelijke dienst kon verlenen. Bij de volgende ontmoeting tussen [D.] en [R.] op 1 april 1998 was [R.] vergezeld door een man van wie de identiteit vervolgens werd vastgesteld als [verdachte]. Zij hadden toen een ontmoeting met [T.], een andere undercover agent van Customs, die de schipper was van de boot in kwestie. In dit stadium bleek dat [R.] en [D.] in onderlinge samenwerking handelden. Op 9 april 1998 reisden [R.] en [verdachte] samen met een andere man, geidentificeerd als de Nederlander S., naar Brighton voor een ontmoeting met [T.] en [D.] om het vaartuig en de geloofwaardigheid van [D.] en [T.] te controleren. [R.], [verdachte] en S. hebben toen [D.] en [T.] en nog twee andere undercover agenten van Customs, van wie er een - te weten N. - werd geintroduceerd als de man voor het verbergen/transporten, ontmoet. In Brighton is daarop S. naar de boot gebracht en heeft hij [T.] 10.000 Engelse ponden betaald om de boot naar Spanje te laten gaan voor het vervoeren van de canabis vanuit Marokko. De boot is daarop naar Cadiz in Spanje gegaan, alwaar op 17 april 1998 een ontmoeting plaats had tussen [T.], [D.] en [verdachte].

Gelet op vorenomschreven gang van zaken en hetgeen voorts in het rechtshulpverzoek en aanvullend rechtshulpverzoek van 22 april 1999 is vermeld, kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie, alvorens aan het rechtshulpverzoek van Engeland uitvoering te (doen) geven, was gehouden tot doen van onderzoek naar de vraag of het Tallon-criterium in deze Engelse zaak was geschonden. Voormelde wijze van handelen van de undercover agenten van Customs houdt geen aanwijzing in dat in de Engelse zaak het Tallon-criterium zou zijn geschonden.

Dat overigens in de Engelse zaak het Tallon-criterium niet is geschonden, leidt het hof af uit de schriftelijke verklaring van [W.] van 13 november 2001, welke door de advocaat-generaal in het geding in hoger beroep is ingebracht. Hieraan doen niet af dat die verklaring door [W.] niet is ondertekend en hetgeen is vermeld in de ongedateerde brief van [R.], in beslag genomen tijdens de huiszoeking ter uitvoering van de rogatoire commissie in de woning van de verdachte.

Met betrekking tot de stelling van de raadsman dat de leden van het Calluna-opsporingsteam alles wat in de woning van de verdachte bij de huiszoeking gehouden ter uitvoering van het Engelse rechtshulpverzoek is aangetroffen, hebben kunnen gebruiken en de toen aangetroffen organizer ook in het Calluna-onderzoek hebben gebruikt, overweegt het hof als volgt.

Eerdergenoemde Pals heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2001 verklaard dat het Calluna-team met betrekking tot de uitvoering van voormeld Engels rechtshulpverzoek aan de Engelse officier van justitie toestemming heeft gevraagd om eventuele informatie, die bij de in dat kader uit te voeren huiszoekingen zou worden aangetroffen, te mogen gebruiken in de Calluna-zaak en dat van hetgeen bij huiszoeking, gedaan in het kader van dat rechtshulpverzoek, is aangetroffen alleen de organiser (het hof begrijpt: de uitdraai van de gegevens in die organizer) uit de woning van de verdachte ([verdachte]) in de Calluna-zaak is gebruikt.

Het hof acht het in strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde dat leden van een Nederlands opsporingsteam, dat belast is met een Nederlandse strafrechtelijk onderzoek naar een groepering, waarvan een bepaalde verdachte wordt vermoed deel uit te maken, worden belast met de uitvoering van een rechtshulpverzoek inzake een tegen die verdachte gerichte buitenlandse strafzaak, in het bijzonder ook met de uitvoering van een in gevolge dat rechtshulpverzoek te verrichten huiszoeking in - zoals hier is gebeurd - de woning van die verdachte, daar niet te vermijden is dat die leden bij de uitvoering er van wetenschap kunnen verwerven die bruikbaar is of kan zijn voor het eigen Nederlandse strafrechtelijke onderzoek.

Van strijd met die beginselen is met name sprake indien en voor zover de verwerving van die kennis niet kan worden bewerkstelligd op aan het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek te ontlenen inhoudelijke gronden en die, ware van het Engelse rechtshulpverzoek geen sprake, derhalve niet aan die Nederlandse strafzaak te ontlenen soortgelijke opsporings/dwangmiddelen kunnen leiden.

Deze constatering brengt nog niet mee dat, doordat leden van het Calluna-opsporingsonderzoek voormelde huiszoeking hebben uitgevoerd, er sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de onderwerpelijke strafzaak is te kort gedaan.

Zodanige situatie zou zich kunnen voordoen als komt vast te staan dat de verdachte daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad door het doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte inbrengen van gegevens in de Nederlandse strafzaak, verkregen door de uitvoering van het rechtshulpverzoek.

Dit laatste is in de onderwerpelijke zaak evenwel niet aannemelijk geworden, nu door de verdediging niet is geconcretiseerd door het gebruik van welke informatie verkregen uit de in de woning van de verdachte op grond van het Engelse rechtshulpverzoek verrichte huiszoeking, die in de onderwerpelijke strafzaak is gebruikt, de verdachte in zijn verdediging is geschaad en het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting ook geen feiten of omstandigheden zijn gebleken, op grond waarvan het zou moeten oordelen dat de verdachte door enig gebruik in het Calluna-onderzoek van op genoemde wijze verkregen informatie met grove veronachtzaming van zijn belangen en zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is te kort gedaan of anderszins in enig gerechtvaardigd procesbelang is geschaad.

Het voorgaande in aanmerking nemende, ziet het hof in het vorenomschreven handelen in strijd met beginselen van een goede procesorde, geen reden om daaraan enig rechtsgevolg te verbinden als genoemd in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Al het voorgaande overwegende worden de onderwerpelijke verweren in elk onderdeel verworpen.

Een eventueel ter terechtzitting gedaan verzoek tot nader onderzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de Engelse zaak (zie hetgeen hiervoor betreffende het Engelse rechtshulpverzoek is vermeld) aangevoerd dat dient te worden onderzocht of de genoemde informant, zijnde - naar het hof begrijpt - een Nederlander "[E.]", degene is geweest die de verdachte mede heeft uitgelokt, zoals door de verdachte wordt gesteld.

Indien de verdediging hiermee heeft bedoeld het hof te verzoeken nader onderzoek in te stellen naar de vraag of bedoelde "[E.]" (mede) degene is geweest die de verdachte heeft uitgelokt tot (het organiseren van) het vervoer van de canabis in de Engelse zaak, wordt het verzoek verworpen, nu de noodzaak tot toewijzing daarvan niet is gebleken.

De bewijslevering

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 is tenlastegelegd. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 is ten laste gelegd, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde -

hij in de periode van oktober 1999 tot en met 25 april 2000 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte, [medeverdachte 3] (sr.), [medeverdachte 7] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het handelen in strijd met artikel 2 lid 1, aanhef en onder B en/of C en/of D van de Opiumwet en/of artikel 10A, lid 1, aanhef en sub 3, van de Opiumwet;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op 31 maart 2000 te Zeist opzettelijk heeft afgeleverd, ongeveer 996 gram van een materiaal bevattende MDMA (zogenaamde XTC-tabletten);

- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde -

hij op 31 maart 2000 te Zeist of elders in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 50.000 gram (50 kilogram) van een materiaal bevattende MDMA (zogenaamde XTC-tabletten);

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

hij op 31 maart 2000 in Nederland, om een feit, als bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of afleveren en/of vervoeren van een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC), voor te bereiden

A: te Austerlitz, gemeente Zeist:

- een tabletteermachine en

B: te Zeist, in een garagebox:

- twee tabletteermachines,

- een elektrische koffiemolen, welke werd gebruikt ter vermaling van XTC-tabletten, met daarin een pil met het logo Y2K, zijnde MDMA en/of resten van een wit poeder, zijnde MDMA,

- drie pillenstempels met als indruklogo een "ster",

- drie pillenstempels met als indruklogo een "streep",

- vier pillenstempels met als indruklogo "Y2K",

- een ketel(meng)machine en

- een centrifuge

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit/die feiten;

- ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde -

hij op 31 maart 2000 te Utrecht te zamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14.154 gram (14,154 kilogram) van een materiaal bevattende MDMA (zogenaamde XTC-tabletten);

- ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde -

hij op 2 februari 2000 te Bilthoven te zamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk accijnsgoederen, te weten 1.726.800 sigaretten, voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren/zijn betrokken.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 meer of anders is tenlastegelegd, is niet

bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, te weten die betreffende hetgeen onder 2, 3, 4 en 5 is bewezenverklaard, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de verdachte heeft deelgenomen aan - kort gezegd - een criminele organisatie betreffende de XTC-handel.

Het door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ter zake gevoerde verweer, zoals neergelegd in de door hem overgelegde pleitnotitie, wordt mitsdien verworpen.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de volgende misdrijven op:

- ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde -

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde -

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde -

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde -

medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich bezig gehouden met de handel in grote hoeveelheden synthetische drugs (XTC). Hij heeft daartoe gehandeld binnen het verband van een - kort gezegd - criminele organisatie. Van die organisatie hebben ook deel uitgemaakt de personen die in de bewezenverklaring onder 1 bij naam zijn vermeld en voorts de persoon/personen van wie dat ook voortvloeit uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Ten laste van de verdachte zijn - binnen het verband van die organisatie - afzonderlijk bewezen verklaard het afleveren van bijna een kilo XTC-tabletten en het aanwezig hebben van twee partijen XTC-tabletten, te weten partijen van ruim 14 kilogram en ongeveer 50 kilogram.

Genoemde partijen synthetische drugs zijn door de politie onderschept. Zij zouden, wanneer zij niet waren onderschept, zijn verspreid.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi aangevoerd dat verdachte door de Engelse zaak - te weten de mislukte deal met de Engelse douanebeambten, zijnde de gedane onrechtmatig uitgelokte (pseudo)koop (zie hiervoor hetgeen ter zake van het Engelse rechtshulpverzoek is vermeld) - in heel grote financiele problemen is gekomen, omdat de leverancier van de partij canabis (de Marokkanen) pas betaald zou krijgen op het moment dat er aan de Engelsen zou worden geleverd en hij, verdachte, als organisator van het vervoer van de partij vanuit Marokko naar Engeland garant moest staan voor de uiteindelijke levering/betaling van de partij. Door die financiele problemen - zo begrijpt het hof de verdediging - is verdachte zich gaan bezighouden met de bewezenverklaarde XTC-handel en dient het hof, nu de verdachte in de Engelse zaak onrechtmatig is uitgelokt - zulks als strafverlichtende omstandigheid bij de bepaling van de op te leggen straf in aanmerking te nemen. Dat de verdachte door zijn optreden als organisator van het vervoer van de hasj in grote financiele moeilijkheden is gekomen, wordt - aldus de raadsman - ondersteund door de door de verdediging overgelegde stukken uit het Zwacri-register waarin van bedreiging van de verdachte sprake is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals vermeld is niet aannemelijk geworden dat in de Engelse zaak het Tallon-criterium is geschonden.

Hiervan uitgaande ziet het hof in de overigens aangevoerde omstandigheden omtrent het mislukte cannabistransport vanuit Marokko naar Engeland - nog daargelaten de juistheid daarvan - geen reden om in deze zaak de passend geacht straf te matigen.

Gelet op de schaal waarop de verdachte strafbare activiteiten met betrekking tot synthetische drugs heeft ontplooid, is het hof van oordeel dat voormeld bewezenverklaard handelen een ernstige inbreuk op de bestaande rechtsorde oplevert.

Naast voormelde bewezenverklaarde gedragingen heeft verdachte samen met zijn broer [medeverdachte 2] ruim 1,7 miljoen sigaretten naar Nederland voorhanden gehad, waarvoor geen accijns was betaald.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 16 april 2002 is verdachte eerder - zij het reeds geruime tijd geleden en voor andersoortige misdrijven - strafrechtelijk veroordeeld tot onder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Al het voorgaande overwegende, acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10A van de Opiumwet en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns.

De beslissing

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Het hof:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 6 tenlastegelegde feit heeft begaan. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 tenlastegelegde feiten zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5 en 7 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

VIER (4) JAREN .

Bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de op de lijst van inbeslaggenomen vermelde voorwerpen te weten:

1 personenauto, kenteken [kenteken] Opel Omega en

1 weegschaal, CAS SW-1 in tas Nettorama.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Krikke, Steenbergen en Faber, in tegenwoordigheid van mr. Hardonk-Kruiswijk als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 juni 2002.