Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7044

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
23-000578-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende misdrijven op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod enmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod; medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

7 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2002-06-26
Opiumwet 10, geldigheid: 2002-06-26
Wet op de accijns 5, geldigheid: 2002-06-26
Wet op de accijns 97, geldigheid: 2002-06-26
Wet wapens en munitie 26, geldigheid: 2002-06-26
Wet wapens en munitie 55, geldigheid: 2002-06-26
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2002-06-26
Wetboek van Strafvordering 29, geldigheid: 2002-06-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 225
NBSTRAF 2002/225

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000578-01

datum uitspraak 26 juni 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 31 januari 2001

in de gevoegde strafzaken telkens onder parketnummer 16/039280-99 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [...] 1969,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd te PI Haarlem te Haarlem.

De omvang van het hoger beroep

Blijkens mededeling van de advocaat-generaal is het hoger beroep van de officier van justitie met name gericht tegen de beslissing van de rechtbank houdende vrijspraak van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Blijkens mededeling van de raadsman ter terechtzitting van 14 november 2001 is het hoger beroep niet gericht tegen enige beslissing in het vonnis waarvan beroep die geen veroordeling inhoudt en voorts niet enige tussenbeslissing van de rechtbank.

Op grond van het voorgaande is aan het oordeel van het hof onderworpen de beslissing van de rechtbank ter zake van de aan de verdachte bij inleidende dagvaardingen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde feiten, zoals door de rechtbank op de vordering nadere omschrijving van de officier van justitie gewijzigd.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 18 en 25 oktober 2000, 15, 16 en 17 januari 2001 en die in hoger beroep van 14 en 16 november 2001, 12 december 2001, 4 januari 2002, 6 februari 2002, 13 maart 2002, 7 en 12 juni 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen staat vermeld in de inleidende dagvaarding tegen de terechtzitting van de rechtbank van 1 augustus 2000, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 oktober 2002 op vordering van de officier van justitie op de voet van het bepaalde in artikel 314a Wetboek van Strafrecht nader omschreven, en in de inleidende dagvaarding tegen de terechtzitting van de rechtbank van 25 oktober 2000 Van die dagvaardingen en vordering nadere omschrijving zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

Een terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi met betrekking tot hetgeen aan de verdachte onder 5 en 6 is ten laste gelegd aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de ingestelde strafvervolging op de grond dat er geen sprake is geweest van een "fair trial" in de zin van artikel 6 EVRM.

De raadsman heeft daartoe het volgende gesteld.

De verdachte is in de zaken, ten laste gelegd onder 5 en 6, ernstig in zijn verdediging geschaad doordat het openbaar ministerie deze zaken aan hem heeft ten laste gelegd eerst nadat die zaken zelf al jaren geleden (het hof begrijpt: wat betreft de toen aangehouden verdachten) door de feitenrechters waren afgedaan. Door het enkele verloop van tijd (het hof begrijpt: wat betreft de behandeling van beide zaken jegens de verdachte) konden geen getuigen meer worden gehoord, konden telefoontaps niet meer op hun juistheid worden beoordeeld en waren de sporen, die aan de verdediging hadden kunnen bijdragen, in belangrijke mate gewist.

Niet te ontkennen valt immers - aldus de raadsman - dat met het verstrijken van zoveel tijd de vaststelling van feiten moeilijk wordt en het nog moeilijker wordt feiten gemotiveerd en met getuigen a decharge te betwisten, terwijl - zo begrijpt het hof de raadsman - het voor de verdachte na het verstrijken van zoveel tijd niet of nauwelijks nog mogelijk is een alibi te noemen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt, een en ander zoals op grond van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk geworden is.

Het oorspronkelijke opsporingsonderzoek in de aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde - kort gezegd - zaak Haarzuilens is aangevangen op 16 januari 1997 door personeel van district Rijn en IJssel van de Regiopolitie Utrecht. In die zaak zijn toen als verdachten aangehouden onder anderen [medeverdachte 1] en de Colombianen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en is gedurende enige maanden daaropvolgend nader opsporingsonderzoek gedaan. In verband met de aangetroffen - kort gezegd - cocainewasserij heeft de afdeling Becro (Bestrijding Criminele Organisaties) van de Regiopolitie Utrecht toen de opsporingsambtenaar Langerak uitgeleend aan het onderzoeksteam van district Rijn en IJssel. In dat nadere opsporingsonderzoek zijn bezwarende omstandigheden jegens de verdachte gerezen.

[medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn ter zake vervolgd en veroordeeld. Tegen de verdachte is toen (in de zaak Haarzuilens) geen strafvervolging ingesteld en hij is in die zaak toen ook niet aangehouden of door de politie gehoord.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de getuigen Roelofs, zaaksofficier van justitie in het onderwerpelijke Calluna-onderzoek, en Pals, teamleider opsporingsonderzoek in de Calluna-zaak, verklaard onderscheidenlijk (Roelofs) dat hij van zijn collega Koremans, zaaksofficier in de zaak Haarzuilens, heeft gehoord dat het onderzoek in die zaak toentertijd was gestopt omdat het district Rijn en IJssel te weinig mankracht had en (Pals) dat hij weet dat het onderzoek naar de cocainewasserij toentertijd is stopgezet omdat er onvoldoende mankracht was om het voort te zetten en ook dat Langerak daarover ongelukkig was en de Becro heeft geadviseerd het onderzoek over te nemen, wat toen niet is gebeurd.

Gelet op de aard van de zaak Haarzuilens, de capaciteitsproblemen bij het politieteam van district Rijn en IJssel en de omstandigheid dat het Becro-team van de Regiopolitie Utrecht dat toentertijd belast was met zogenaamde projectmatige opsporingsonderzoeken, toen kennelijk geen capaciteit had of kon vrijmaken om het opsporingsonderzoek in de zaak Haarzuilens van district Rijn en IJssel over te nemen en voort te zetten, is de beslissing van de Regiopolitie Utrecht om het opsporingsonderzoek in de zaak Haarzuilens in 1997 - gelet op het later gestarte Calluna-onderzoek - voorlopig niet voort te zetten, niet onbegrijpelijk of onredelijk.

Het oorspronkelijke opsporingsonderzoek in de aan de verdachte onder 6 tenlastegelegde - kort gezegd - zaak Xerxes was een projectmatig opsporingsonderzoek van kernteam Haaglanden/Hollands Midden van de Regiopolitie Haaglanden en Hollands Midden. Dat opsporingsonderzoek is gestart met de opening van een gerechtelijk vooronderzoek tegen [medeverdachte 4] op 21 augustus 1997, zulks in verband met mogelijke invoer van cocaine in fruit vanuit Zuid-Amerika, en op 23 januari 1998 "gesprongen" met de inbeslagneming van 327 kilogram cocaine en aanhoudingen onder andere van genoemde [medeverdachte 4].

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de getuige Helversteijn, teamleider van het oorspronkelijke opsporingsonderzoek in de zaak Xerxes, verklaard dat het Xerxes-onderzoek was gericht op [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7], dat met de inbeslagneming van de cocaine en de aanhouding van onder andere [medeverdachte 4] op 23 augustus 1998 de doelstelling van het onderzoek was bereikt, dat er tijdens het onderzoek weliswaar bezwarende omstandigheden tegen [verdachte] (zijnde verdachte) waren gerezen, maar dat diens betrokkenheid bij de invoer van de inbeslaggenomen 327 kilogram cocaine toen niet duidelijk was.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft genoemde getuige Pals verklaard dat in het Xerxes-onderzoek geen nader onderzoek is gedaan naar de preciese betrokkenheid van de verdachte bij de invoer van de inbeslaggenomen 327 kilogram cocaine omdat - naar hij heeft begrepen - de doelstellingen van het Xerxes-onderzoek waren bereikt en dat hij dat geen vreemde beslissing vindt omdat in het algemeen geen zijlijnen worden uitgerechercheerd, daar door het projectmatig afbakenen getracht wordt structuur te houden in een anders almaar uitdijend politieonderzoek, waarbij ook een overweging is dat elke politieregio rekening houdt met de eigen prioriteiten.

Gelet op het voorgaande is de beslissing om in het oorspronkelijke opsporingsonderzoek in de Xerxes-zaak niet verder te rechercheren op verdachte niet onbegrijpelijk of onredelijk.

Meergenoemde Pals heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep verklaard

- dat hij vanaf december 1998 in opdracht van de afdelingschef van Becro informatief onderzoek heeft gedaan naar bekende gegevens over de familie [familienaam], te weten onder andere over de verdachte, en dat hij dat onderzoek is begonnen met het inzien van het dossier van de zaak Haarzuilens, dat hij vervolgens van het Meldpunt Recherche Onderzoeken van het CRI informatie kreeg over het Xerxes-onderzoek, waarin de verdachte en zijn vader [medeverdachte 8] in beeld waren gekomen, en over de zaak S [medeverdachte 9], inhoudende dat de verdachte twee in Engeland met XTC aangehouden meisjes heeft geronseld, en dat het door hem inzien van het BPS (bedrijfsprocessensysteem) opleverde dat in een zaak betreffende XTC-pillen en een XTC-laboratorium de auto van [medeverdachte 10] door een van de verdachten was gebruikt en de loods, waar de pillen waren gevonden, door X ([medeverdachte 8]) was gehuurd;

- dat hij omtrent de resultaten van zijn informatieve onderzoek verschillende voortgangsrapportages heeft gemaakt voor de zogenaamde Vierhoek, laatstelijk in maart 1999, en dat de Vierhoek (zijnde de instantie die besliste over door de Regiopolitie Utrecht te starten projectmatige opsporingsonderzoeken) na die laatste rapportage heeft besloten dat er een opsporingsonderzoek zou worden gestart met als doelgroep de familie [familienaam], zulks onder de projectnaam Calluna; en

- dat het zogenaamde tactisch opsporingsonderzoek in de zogenaamde Calluna-zaak in april 1999 is gestart en tot medio april 2000 heeft gelopen.

In het Calluna-opsporingsonderzoek is op 31 maart 2000 huiszoeking gedaan onder andere in de woning van de verdachte. De verdachte in verband met het opsporingsonderzoek op 25 april 2000 in verzekering gesteld. In het Calluna-opsporingsonderzoek is de verdachte gevraagd naar zijn eventuele kennis betreffende gegevens uit de zaken Haarzuilens en Xerxes. De verdachte heeft zich toen beroepen op zijn zwijgrecht, althans ter zake niet willen verklaren en ook niet verklaard.

Gesteld noch aannemelijk geworden is dat opsporingsambtenaren en/of het openbaar ministerie - kort gezegd - met voormelde gang van zaken onrechtmatig hebben gehandeld.

De enkele omstandigheid dat tussen de start van het opsporingsonderzoek in de zaak Haarzuilens op 16 januari 1997 onderscheidenlijk het "springen" van het Xerxes-opsporingsonderzoek op 23 januari 1998 en het bij inleidende dagvaarding tegen de terechtzitting van de rechtbank van 25 oktober 2000 aan de verdachte ten laste leggen van deze beide zaken ruim 46 maanden onderscheidenlijk ongeveer 34 maanden zijn verlopen, brengt nog niet mee dat op grond daarvan moet worden gezegd dat ter zake van de berechting van die zaken (in eerste aanleg en daarna in hoger beroep) een fair proces als bedoeld in artikel 6 EVRM met betrekking tot de verdachte niet meer mogelijk is.

Anders dan de raadsman heeft gesteld, heeft dat enkele tijdsverloop voor de berechting van die zaken niet meegebracht dat ter zake geen getuigen meer konden worden gehoord, geen telefoontaps meer konden worden beoordeeld of is moeten worden vastgesteld dat in belangrijke mate sporen, die aan de verdediging hadden kunnen bijdragen, zijn gewist.

Wat dit betreft, geldt het volgende.

In hoger beroep is door de verdediging verzocht enkel als getuigen te horen [medeverdachte 1] en de Colombianen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zulks met betrekking tot de zaak Haarzuilens. Het hof heeft dit verzoek toegewezen.

De getuige [medeverdachte 1] is ter terechtzitting van 14 november 2001 uitgebreid gehoord en de verdediging heeft deze getuige toen vragen kunnen stellen en ook gesteld.

De advocaat-generaal heeft de nodige moeite gedaan door bemiddeling van de Colombiaanse autoriteiten de adressen van de getuigen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] te achterhalen. De raadsman heeft ter terechtzitting van 12 december 2001 meegedeeld dat hij telefonisch contact had gehad met de getuige [medeverdachte 2] die vertelde dat de oproeping voor de terechtzitting op het adres van zijn moeder was uitgereikt en -mede sprekend namens de getuige [medeverdachte 3] - dat hij en [medeverdachte 3] op de hoogte waren van de zittingsdag en bereid waren om als getuigen ter terechtzitting te verschijnen. De raadsman heeft toen ook meegedeeld dat de verdachte bereid is de kosten, die aan het horen van deze getuigen zijn verbonden, voor zijn rekening te nemen. Het hof heeft vervolgens de hernieuwde oproeping van de getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bevolen. Bij brief van 11 maart 2002 heeft de raadsman het hof bericht dat de verdediging afziet van het horen van de getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. De raadsman heeft ter terechtzitting van 13 maart 2002, tegen welke zitting beide getuigen weer waren opgeroepen en op welke zitting zij toen niet waren verschenen, bevestigd dat de verdediging afziet van het horen van hen, waarna de advocaat-generaal heeft meegedeeld dat hij geen behoefte heeft aan het horen van deze getuigen en het hof heeft beslist dat zij niet meer zullen worden gehoord, nu ook het hof geen noodzaak ziet tot het ambtshalve horen van deze getuigen.

Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het hof, zulks (met betrekking tot het opsporingsonderzoek) in de zaken Haarzuilens en/of Xerxes, (ambtshalve) in het belang van het onderzoek als getuigen gehoord Helverstein (teamleider Xerxes-opsporingsonderzoek), Pals (teamleider Calluna-opsporingsonderzoek), Roelofs (zaaksofficier van justitie Calluna-onderzoek), Eigeman (officier van justitie) en Bos (teamleider CIE Utrecht). De verdediging heeft aan deze getuigen vragen kunnen stellen en aan Pals, Roelofs en Eigeman ook vragen gesteld.

In hoger beroep heeft de raadsman voorts nog verzocht, zulks met betrekking tot de Xerxes-zaak, stemvergelijkend onderzoek te doen ten aanzien van het door de verdediging betwiste telefoongesprek van 28 oktober 1997 te 11.40 uur tussen [medeverdachte 5] en NN-man, welk stemvergelijkend onderzoek door bemiddeling van de advocaat-generaal ook heeft plaatsgehad en waarvan het resultaat is neergelegd in een deskundigenrapport van het NFI van 11 december 2001.

Door de verdediging is niet aangegeven welke de sporen zijn, die aan de verdediging hadden kunnen bijdragen, maar zijn gewist, terwijl op grond van het onderzoek ter terechtzitting geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat er (door de opsporings- en/of vervolgingsautoriteiten) sporen zouden zijn gewist, van belang zijnde voor een deugdelijke verdediging en/of om de verdachte in zijn verdediging te schaden.

Het hof realiseert zich dat door het verstrijken van tijd de vaststelling van feiten door onderzoek er niet eenvoudiger op wordt. Het hof is er evenwel van doordrongen dat het onverkort zijn taak is om met de nodige zorgvuldigheid en behoedzaamheid tot feitenvaststelling over te gaan, zulks op grond van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is verhandeld.

Tot slot vermeldt het hof nog dat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2002, dit is voorafgaande aan het rekwisitoir van de advocaat-generaal, desgevraagd heeft meegedeeld dat zij geen (nadere) onderzoeksverlangens meer heeft.

Al het voorgaande in aanmerking genomen, wordt het onderwerpelijke verweer van de raadsman verworpen.

De bewijslevering

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 4, 5, 6, 7 en 8 is ten laste gelegd, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde -

hij in de periode van 1 januari 1996 tot en met februari 1998 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke gevormd werd door hem, verdachte, [medeverdachte 8] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het handelen in strijd met artikel 2 lid 1, aanhef en onder A en/of B en/of C van de Opiumwet;

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

hij op 31 maart 2000 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14.154 gram (14,154 kilogram) van een materiaal bevattende MDMA (zogenaamde XTC-tabletten);

- ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde -

hij in de periode van november 1996 tot en met 17 januari 1997 in Nederland te zamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en aanwezig heeft gehad ongeveer 83,2 kilogram cocaïne;

- ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde -

hij in of omstreeks de periode van 1 september 1997 tot en met 23 januari 1998 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 372 kilogram cocaïne;

- ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde -

hij op 2 februari 2000 te Bilthoven te zamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk accijnsgoederen, te weten 1.726.800 sigaretten, voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren/zijn betrokken;

- ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde -

hij op 31 maart 2000 te Utrecht

- 49 scherpe patronen, kaliber .38 special, en

- 50 scherpe patronen, kaliber .357 Magnum,

zijnde munitie van categorie III, in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 4, 5, 6, 7 en 8 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Met betrekking tot het onder 5 (zaak Haarzuilens) en onder 6 (zaak Xerxes) bewezenverklaarde overweegt het hof in het bijzonder nog als volgt.

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af

- betreffende de zaak Haarzuilens, dat de cocaine die is aangetroffen (in de pakken cacaoboter) in de boerderij van [medeverdachte 1] afkomstig is van de partij cacaoboter, vervoerd door het m/s Cap Corrientes in container SCZU 495908-4, en dat de verdachte die cocaine te zamen en vereniging met anderen ook aanwezig heeft gehad; en

- betreffende de zaken Haarzuilens en Xerxes, dat de verdachte met betrekking tot in die zaken binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaine handelingen heeft verricht, gericht op het verder vervoer, de aflevering, opslag, ontvangst en/of overdracht van die cocaine en/of de voorwerpen of goederen waarin die middelen zijn verpakt of verborgen als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet, als ook het binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaine telkens te zamen en in vereniging met anderen heeft begaan.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi, zulks in bijzonder met betrekking tot hetgeen de verdachte onder 5 (zaak Haarzuilens) is ten laste gelegd, gesteld dat de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen, die belastend zijn voor de verdachte, onbetrouwbaar zijn, als ook dat [medeverdachte 1] met betrekking tot die verklaringen - het hof begrijpt: waar die aan de politie zijn afgelegd door de politie - onder druk is gezet om voor de verdachte belastend te verklaren.

Het hof verwerpt dit verweer in beide onderdelen en overweegt daartoe als volgt.

Niet aannemelijk geworden is dat de door [medeverdachte 1] aan de politie afgelegde verklaringen, die door het hof tot bewijs zijn gebezigd, door [medeverdachte 1] niet zijn afgelegd in vrijheid als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Niet aannemelijk geworden is namelijk dat [medeverdachte 1] die verklaringen heeft afgelegd in relatie met en/of ten gevolge van handelingen van de verhorende opsporingsambtenaren,

die de strekking hadden een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat zij niet in vrijheid is afgelegd, zoals bijvoorbeeld het onder druk zetten van de verklarende persoon en het doen van beloften aan deze.

Het hof heeft alle tot bewijs gebezigde verklaringen van [medeverdachte 1] met de nodige zorgvuldigheid en behoedzaamheid, zulks tegen de achtergrond van hetgeen in de overige bewijsmiddelen is vervat en ter terechtzitting overigens is verhandeld, gewogen en op grond daarvan betrouwbaar geoordeeld, weshalve het hof die verklaringen tot bewijs heeft gebezigd.

De raadsman heeft bij pleidooi tegen de dogmatische achtergrond zoals geschetst in zijn pleitnotities dienaangaande, gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 (deelneming aan criminele organisatie) is ten laste gelegd, nu de verdachte niet wist dat zijn medeverdachten (mededeelnemers aan de criminele organisatie) zich schuldig maakten aan de feiten die binnen het samenwerkingsverband zijn begaan en die gedragingen ook niet op enigerlei wijze heeft ondersteund.

Het hof verwerpt ook dit verweer. Het heeft zijn weerlegging in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de volgende misdrijven op:

- ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde -

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

- ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde -

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde -

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde -

medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden;

- ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde -

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft gedurende een langere periode deel genomen aan een organisatie die zich bezig hield met drugshandel, aanzienlijke hoeveelheden hard drugs (cocaine) betreffend. Van die organisatie heeft deel uitgemaakt zijn inmiddels overleden vader [medeverdachte 8] en voorts de personen van wie dat ook voortvloeit uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.

Ten laste van de verdachte zijn afzonderlijk bewezen verklaard twee onderschepte - binnen het verband van de organisatie ingevoerde - partijen cocaine. Dit betrof telkens een grote hoeveelheid die - indien zij niet zou zijn onderschept - verder zou zijn verspreid.

Verdachte heeft -naar het hof aannemelijk acht- uit puur winstbejag gehandeld.

Verdachte heeft voorts, samen met zijn broer [medeverdachte 10], een aanzienlijke hoeveelheid XTC-tabletten aanwezig gehad.

Hard drugs zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen en het gebruik van met name cocaine is bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de met het gebruik gepaard gaande door verslaafden gepleegde misdrijven.

Voormeld bewezenverklaard handelen van verdachte vormt een ernstige inbreuk op de bestaande rechtsorde.

Voorts heeft verdachte in zijn woning een groot aantal scherpe patronen voorhanden gehad. Dit is een gevaarzettend feit, dat leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.

Tot slot heeft verdachte samen zijn broer [medeverdachte 10] ruim 1,7 miljoen sigaretten voorhanden gehad, waarvoor geen accijns was betaald.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 16 april 2002 is verdachte eerder strafrechtelijk veroordeeld, te weten in 1993 en 1996 voor - kort gezegd - geweldsmisdrijven, tot onder meer het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte.

Het hof heeft voorts nog in aanmerking genomen dat het samenstel van hetgeen onder 1, 5 en 6 is bewezenverklaard, feiten behelzen die reeds geruime tijd geleden zijn begaan.

Al het voorgaande overwegende, acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren passend en geboden.

Beslissingen met betrekking tot het beslag

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld in bijlage III van het vonnis waarvan beroep (Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen; naam verdachte: [verdachte]), worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde - naar het hof begrijpt : de feiten 4 en 8 - is begaan of voorbereid.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De als bijlage I aan het vonnis waarvan beroep gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, vermeldt de voorwerpen genummerd 1 tot en met 30. Op deze lijst is achter deze voorwerpen vermeld: deponeren. Op grond hiervan gaat het hof er van uit dat deze voorwerpen nog niet aan de rechthebbende zijn teruggegeven of dat daarvan door deze afstand is gedaan.

Met betrekking tot de op voormelde Lijst geplaatste voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 28 overweegt het hof als volgt nader.

In het dossier (politiedossier ordner roodgenummerd 16, blz. 07/AH01) bevindt zich een algemene lijst van goederen die tijdens de doorzoeking op 31 maart 2000, onder leiding van de rechter-commissaris mr. Van Buitenen, in het perceel [adres] te Utrecht, te weten de woning van de verdachte [verdachte], zijn in beslag genomen.

Blijkens het bijbehorende proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door H.A. Koele, op 5 april 2000, is na het aantreffen van deze voor inbeslagneming vatbare voorwerpen/goederen de perceelscoördinator in kennis gesteld, die de goederen op genoemde lijst heeft geplaatst, verpakt dan wel verzegeld en vervolgens de aangetroffen goederen een vindplaatscode heeft toegekend.

Zowel de op deze lijst vermelde goederen als de daarbij toegekende vindplaatscodes stemmen niet overeen met de voorwerpen op lijst van Inbeslaggenomen voorwerpen, verdachte: [verdachte], waarvan de advocaat-generaal thans onttrekking aan het verkeer vordert.

Het voorgaande in aanmerking genomen, is niet duidelijk of onderwerpelijke voorwerpen wel onder de verdachte zijn in beslag genomen, hem toebehoren of dat met behulp van deze voorwerpen de onder 4 en 8 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn begaan of voorbereid.

Gelet hierop en op het feit dat niet kan worden vastgesteld dat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, zal het hof ten aanzien van deze voorwerpen de bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende.

Met betrekking tot de op de Lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 29 en 30 overweegt het hof als volgt nader.

Ten aanzien van deze twee voorwerpen (geldtelmachine, Magner 35, D-01-02-00 en aantekenboekje, D-03-01-25-02) stelt het hof vast dat deze staan vermeld op de lijst van de onder de verdachte in zijn woning inbeslaggenomen voorwerpen.

Niet aannemelijk geworden is dat deze voorwerpen enige relatie hebben met de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feiten. Voorts kan van deze voorwerpen niet worden gezegd dat zij van zodanige aard zij dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, zodat het hof de teruggave van deze voorwerpen aan de verdachte zal gelasten.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 1, tweede lid, 47, 57 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns.

De beslissing

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Het hof:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde feiten zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 4, 5, 6, 7 en 8 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

ZEVEN (7) JAREN .

Bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de onder de nrs 1 t/m 28 genoemde voorwerpen, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, welke lijst als bijlage I bij dit verkorte arrest is gevoegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de onder de nrs 29 en 30 genoemde voorwerpen, zoals vermeld op evengenoemde lijst.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Krikke, Steenbergen en Faber, in tegenwoordigheid van mr. Hardonk-Kruiswijk als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 juni 2002.