Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE6624

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2002
Datum publicatie
20-08-2002
Zaaknummer
01/0609
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in 1999 particulier verzekerd en voldoet in 2000 aan de voorwaarden voor verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen ingevolge artikel 3d, eerste lid, ZFW. Hij stelt dat wanneer hij in een volgend jaar verplicht wordt zichzelf (weer) particulier te verzekeren dat gepaard zal gaan met uitsluiting en premie- en/of eigen risicoverhogingen ten opzichte van de oude particuliere verzekering. Het Hof is van oordeel dat dit geen schending van het ongestoorde genot van eigendom/vermogensrechten in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het beroep is ongegrond, waardoor het Hof ingevolge 8:73 AWB onbevoegd is te oordelen over een verzoek tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1640 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 20 februari 2001.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 15 februari 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag in de premie ziekenfondswet voor het jaar 2000.

Aan belanghebbende is een voorlopige aanslag opgelegd berekend naar een maximum premie-inkomen van ƒ 41.200. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vernietiging van de voorlopige aanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 6 maart 2002 zijn verschenen belanghebbende, alsmede P namens de inspecteur. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Partijen is ter zitting van 6 maart 2002 verzocht om nadere informatie te verstrekken. Partijen werd gevraagd het Hof vóór 28 maart 2002 te berichten. De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 20 maart 2002, welke brief in afschrift aan belanghebbende is toegezonden bij brief van de griffier van 21 maart 2002. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 29 maart 2002.

Bij brief van de griffier van 20 maart 2002 is aan partijen medegedeeld dat de procedure voor verdere behandeling is verwezen naar de Derde Meervoudige Belastingkamer.

De griffier van het Hof heeft (met toestemming van belanghebbende) telefonisch contact gehad met een medewerker van de maatschappij waar belanghebbende verzekerd is.

Deze medewerker heeft het Hof -zonder begeleidende brief- een afschrift van de door Zorgverzekeraars Nederland opgestelde circulaire met nummer 00-134 (terug-keergarantie zelfstandigen) toegezonden alsmede een drietal prints uit de kennisbank van de desbetreffende verzekeringsmaatschappij over de administratieve afhandeling met betrekking tot de hiervoor genoemde terugkeergarantie. Van deze bij het Hof ingekomen stukken hebben beide partijen afschriften ontvangen.

Ter zitting van 10 april 2002 zijn verschenen belanghebbende, alsmede P namens de inspecteur tot zijn bijstand vergezeld van Q. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Door de griffier is verzuimd een afschrift van de hiervoor genoemde brief van belanghebbende van 29 maart 2002 naar de inspecteur te zenden. Ook ter zitting van 10 april 2002 is aan hem geen afschrift uitgereikt. De griffier heeft de inspecteur bij faxbericht van 18 april 2002 alsnog een afschrift van de brief van belanghebbende van 29 maart 2002 toegezonden. De inspecteur heeft de griffier telefonisch te kennen gegeven dat hij niet wenst te reageren op de inhoud van de brief van 29 maart 2002. Van de briefwisseling tussen de inspecteur en het Hof is belanghebbende op de hoogte gebracht bij brief van de griffier van 19 april 2002.

Partijen hebben de griffier telefonisch te kennen gegeven geen prijs te stellen op een nadere zitting.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende geniet in 2000 winst uit een feitelijk door hem zelf gedreven onderneming. Op 1 oktober 1999 bedroeg het gemiddeld vastgestelde belastbare inkomen, opgevat overeenkomstig het bepaalde in artikel 3d, vierde lid, van de Ziekenfondswet en de op die bepaling gebaseerde Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen (hierna: de Regeling) niet meer dan ƒ 41.200. Belanghebbende is verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen.

2.2. Belanghebbende was in 1999 particulier verzekerd voor ziektekosten bij Nationale Nederlanden. Belanghebbende heeft van de inspecteur voor het jaar 2000 geen voor bezwaar vatbare beschikking ontvangen waarin wordt verklaard dat hij voldoet aan de in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet gestelde voorwaarden. Zijn verzekeringsmaatschappij heeft hij niet op de hoogte gesteld dat hij voor het jaar 2000 verplicht ziekenfondsverzekerd was. Volgens de inspecteur is belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 3d, eerste lid van de Ziekenfondswet verplicht verzekerd.

2.3. In de onder 1. genoemde circulaire van Zorgverzekeraars Nederland (hierna: ZN) met kenmerknummer 00-134 is de volgende passage opgenomen:

'In de afgelopen periode is ZN door het MKB/LTO Nederland aangesproken over de problemen die hun leden hebben aangegeven met de overgang van zelfstandigen naar het ziekenfonds.

Met name het punt dat zelfstandigen door het relatief sterk fluctueren van hun inkomen in de tijd kunnen worden geconfronteerd met het feit dat zij na een korte periode ZFW-verzekerd te zijn geweest weer aangewezen raken op de particuliere verzekeringsmarkt is door MKB/LTO als een knelpunt geduid. In een overleg tussen ZN en MKB/LTO is door deze organisaties een dringend beroep gedaan op verzekeraars hierover een gedragsregel overeen te komen die tot doel heeft een terugkeergarantie voor minimaal 4 jaar in de particuliere polis op te nemen.

In de bestuursvergadering van 4 september is dit punt aan de orde gesteld. Daarin is door het bestuur gesteld dat de gedachte van MKB/LTO serieuze overweging verdient met dien verstande dat een non-selecte terugkeer voor een periode van minimaal 3 jaar voldoende zou kunnen zijn. Bovendien is de kanttekening gemaakt dat, indien nodig, de terugkeer kan plaatsvinden op een SPP [Hof: standaardpakketpolis] en niet op de "oude" polis, met dien verstande dat de betrokkenen in die gevallen wel de premie van de "oude" polis in rekening wordt gebracht en het premieverschil met de SPP derhalve voor rekening van de verzekeraar komt. (…)

Wij willen middels deze circulaire het signaal vanuit MKB/LTO in positieve zin aanbevelen. Wellicht ten overvloede zij daarbij opgemerkt dat wij met deze circulaire niet willen treden in uw individuele beleidsvrijheid ten aanzien van dit punt. (…)".

2.4. In de onder 1. genoemde prints uit de kennisbank van Nationale Nederlanden zijn de volgende passages opgenomen:

" (…) Terugkeergarantie (Prolongatie 2000)

Particuliere verzekerden van Nationale-Nederlanden die op grond van hun belastbaar inkomen per 1 januari 2000 toetreden tot een ziekenfonds, hebben het recht hun individuele zorgverzekering bij Nationale-Nederlanden voort te zetten wanneer zij voor 1 januari 2002 terugkeren vanuit het ziekenfonds. Hiervoor gelden geen medische waarborgen, mits:

- zich in de tussenliggende periode geen wijzigingen hebben voorgedaan in de gezinssamenstelling (anders dan door geboorte en/of overlijden);

- de verzekering onder minimaal dezelfde condities wordt voortgezet (d.w.z. de verzekerde klasse, het eigen risico en een eventueel gekozen pakket blijven minimaal gelijk);

- een kopie van de verklaring van de Belastingdienst kan worden overgelegd waaruit blijkt dat de zelfstandige ondernemer voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering.

Bij terugkeer worden de dan geldende premies en voorwaarden in acht genomen. Opslagen die normaliter in rekening worden gebracht bij overschrijding van een bepaalde toetredingsleeftijd, zullen hierbij buiten beschouwing blijven.

De garantie wordt vermeld op het polisblad, dat de verzekerde krijgt toegezonden na beëindiging van de polis. De garantie geldt niet voor aanvullende verzekeringen (tenzij anders in de polisvoorwaarden is bepaald) en de zogenaamde (Studenten) Standaard Pakket Polis. Voor laatstgenoemde verzekering geldt immers acceptatieplicht bij toetreding vanuit het ziekenfonds.

Rest ons nog te melden dat verzekerden die op dit moment voor een hogere verpleegklasse verzekerd zijn (d.w.z. hoger dan verpleegklasse 3), hun zorgverzekering per 1 januari 2000 zonder medische waarborgen kunnen omzetten naar de Individuele Aanvullende Zorgverzekering op basis van de tot dat moment verzekerde klasse. Bij terugkeer vanuit het ziekenfonds kan de verzekering, ongeacht de duur van de ziekenfondsverzekering, zonder medische selectie worden omgezet naar een volledige verzekering. (…)

Terugkeergarantie 2001

Zorgverzekeraars Nederland heeft door middel van circulaire 00-134 bij haar leden op aangedrongen:

- een non-selecte terugkeer voor een periode van minimaal 3 jaar te hanteren

- indien de mogelijkheden benut worden van een SPP [Hof: standdaardpakketpolis], de premie van de "oude" polis bij de verzekerde in rekening te brengen en het premieverschil met de SPP voor eigen rekening te nemen.

Wij hebben ons aan dit voorstel geconformeerd en hierover gecommuniceerd in de brief aan het intermediair van eind november 2000 (…) alsmede in de bijlage van de verzekerdenbrieven (…) van december 2000.

Tekst royementscode Z (…)

Polissen van zelfstandigen die in aanmerking willen komen voor de terugkeergarantie, worden geroyeerd met code Z. Als gevolg hiervan wordt de volgende tekst op het polisblad afgedrukt:

DE VERZEKERING WORDT/IS BEEINDIGD PER DD-MM-JJJJ. U HEEFT 3 [J]AAR HET RECHT OP DEZE VERZEKERING TERUG TE KEREN. (…)"

2.5. Aan belanghebbende is met dagtekening 22 september 2000 een voorlopige aanslag in de premie ziekenfondswet opgelegd. Het tegen de voorlopige aanslag ingestelde bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

3. Geschil

In geschil is of de inspecteur terecht stelt dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Van de zittingen van 6 maart 2002 en 10 april 2002 zijn door de griffier processen-verbaal opgemaakt, welke door de voorzitter en de griffier zijn ondertekend. Afschriften van deze processen-verbaal zijn aan deze uitspraak gehecht.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende heeft gesteld dat, zo hij op grond van de nieuwe regelgeving in een volgend jaar verplicht wordt om terug te keren naar een particuliere ziektekostenverzekering, de terugkeer gelet op zijn medisch verleden waarschijnlijk gepaard zal gaan met uitsluitingen en premie- en/of eigen risicoverhogingen ten opzichte van de oude particuliere verzekering. Het Hof begrijpt dat belanghebbende met zijn stelling ervan uitgaat dat een redelijke verhouding tussen het doel van algemeen belang en de individuele gevolgen van het daartoe door de overheid gebruikte middel -de toepassing van de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 461 (zelfstandigen in ziekenfondswet) (hierna: de Wet)- ontbreekt zodat hij onevenredig (financieel) wordt benadeeld. Belanghebbende beroept zich aldus op schending van het ongestoorde genot van eigendom/vermogensrechten in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de

Fundamentele Vrijheden (EVRM). Het Hof zal marginaal toetsen of sprake is van een 'fair balance'.

5.2. Zoals blijkt uit hetgeen onder 2.3. is vermeld, heeft ZN naar aanleiding van de door MKB en LTO Nederland gesignaleerde knelpunten bij de gedwongen verzeke-ringsmigratie, een circulaire (met nummer 00-134) uitgevaardigd.

Teneinde deze knelpunten het hoofd te kunnen bieden hebben MKB en LTO Nederland bij ZN erop aangedrongen een gedragsregel op te stellen die erop neer komt dat de particuliere ziektekostenverzekeraars aan zelfstandigen die verplicht worden van verzekeringsvorm te switchen een terugkeergarantie bieden. Met het uitvaardigen van de vorenbedoelde circulaire heeft ZN het door MKB en LTO Nederland gedane verzoek willen aanbevelen.

5.3. Aan de door ZN aan haar leden gedane aanbeveling is door elke particuliere ziektekostenverzekeraar afzonderlijk inhoud gegeven, variërend van het verstrekken van een terugkeergarantie tot het aanbieden van een zogenaamde sluimerpolis. Belanghebbende is verzekerd bij Nationale Nederlanden. Deze verzekerings-maatschappij heeft zich, zoals volgt uit de onder 2.4. geciteerde passages, aan het voorstel van ZN geconformeerd en heeft zulks aan de bij haar maatschappij verzekerde zelfstandigen medegedeeld. Meer concreet blijkt uit de onder 2.4. aangehaalde passages dat particuliere verzekerden van Nationale Nederlanden die op grond van hun belastbare inkomen per 1 januari 2000 moesten toetreden tot een ziekenfonds, het recht hadden hun individuele zorgverzekering bij Nationale Nederlanden voort te zetten wanneer zij vóór 1 januari 2002 zouden terugkeren vanuit het ziekenfonds. Van deze terugkeergarantie kunnen de bij Nationale Nederlanden verzekerde zelfstandigen onder de onder 2.4. opgesomde voorwaarden gebruik maken. Het Hof begrijpt uit de laatste alinea's van 2.4. dat de terugkeerperiode van twee jaren in 2001 is verlengd tot drie jaren.

5.4. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende voor het jaar 2001 niet meer verplicht ziekenfondsverzekerd is. De inspecteur heeft ter zitting van 10 april 2002 desgevraagd verklaard dat de positieve ziekenfondsverklaring voor het jaar 2001 abusievelijk aan belanghebbende is afgegeven en dat deze verklaring ambtshalve zal worden herzien. Uit het onder 5.3. overwogene blijkt dat belanghebbende het recht heeft zijn particuliere zorgverzekering bij Nationale Nederlanden voort te zetten ingeval hij vóór 1 januari 2002 terugkeert vanuit het ziekenfonds. Belanghebbende heeft niet gesteld dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die de gegarandeerde terugkeer van verplichte naar particuliere ziektekostenverzekering zouden kunnen uitsluiten dan wel zouden kunnen beletten dat hij aan de daarvoor gestelde voorwaarden zou kunnen voldoen. Belanghebbende heeft ter zitting van 6 maart 2002 wel gesteld dat hij na ontvangst van de onderhavige voorlopige aanslag telefonische inlichtingen heeft ingewonnen bij zijn verzekeringsmaatschappij, en dat hij volgens de verkregen inlichtingen zou kunnen worden geconfronteerd met uitsluitingen en premie- en/of eigen risicoverhogingen ten opzichte van de oude particuliere verzekering, doch het Hof acht, gelet op het hiervoor overwogene, de kans dat dergelijke nadelen zich daadwerkelijk zullen voordoen in casu verwaarloosbaar, althans van onvoldoende gewicht om thans in aanmerking te nemen.

5.5. Uit hetgeen hiervoor onder 5.2. tot en met 5.4. is overwogen volgt dat aanneme-lijk is dat Nationale Nederlanden belanghebbende bij terugkeer uit het ziekenfonds per 1 januari 2001 niet zal confronteren met uitsluitingen en/of eigen risico- en premieverhogingen.

5.6. Zo het Hof al, veronderstellenderwijs, met belanghebbende aanneemt dat in het algemeen ingeval van een verplichte, tijdelijke ziekenfondsverzekering in beginsel sprake zou kunnen zijn van een schending van het recht op ongestoord genot van eigendom/ vermogensrechten als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, dan nog vermag het Hof niet in te zien waarom zulks in casu het geval zou zijn. Immers, nu de particuliere verzekeringsbranche, althans Nationale Nederlanden, voor de hier aan de orde zijnde knelpunten heeft voorzien in adequate oplossingen, kan niet worden gezegd dat de overheid in een geval als het onderhavige het recht op ongestoord genot van eigendom/vermogensrechten heeft geschonden. De omstandig-heden dat de verzekeringsbranche die oplossingen eerst ná de invoering van artikel 3d van de Ziekenfondswet heeft geëntameerd en dat de bemoeienis van overheids-zijde daarbij, zoals blijkt uit de tekst van de onder 2.3. vermelde circulaire, mogelijk gering is geweest, brengt hierin geen verandering.

5.7. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat hij van de inspecteur geen verklaring -dat hij voor het jaar 2000 voldeed aan de voorwaarden voor verplichte verzekering ingevolge de Ziekenfondswet- heeft ontvangen. Zo belanghebbende hiermee beoogt te stellen dat Nationale Nederlanden zich, gelet op de hiervoor onder 2.4. vermelde, derde voorwaarde (het overleggen van een copie van de verklaring), op het standpunt stelt dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op de terug-keergarantie, brengt deze stelling geen verandering in het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van belanghebbendes ongestoorde genot van zijn eigendom/vermogensrechten. Immers, blijkens artikel 3 van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen 1998 (hierna: WTZ 1998) is een ziekte-kostenverzekeraar verplicht op een desbetreffende aanvraag een overeenkomst van standaardverzekering (Hof: de zogenaamde standaardpakketpolis) te sluiten met personen die behoren tot de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen personen. In het eerste lid van artikel 1 van het Besluit categorieën van verzekerden Wtz 1998 (hierna: het Besluit Wtz 1998), Staatsblad 1998, 699, zijn aangewezen personen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de overeenkomst van standaardverzekering moet ingaan, verzekerd zijn ingevolge de Ziekenfondswet. Het bedrag dat ten hoogste als maandpremie voor de standaardverzekering in rekening mag worden gebracht, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld (artikel 7 WTZ 1998). De verstrekkingen onder de standaardpakketpolis zijn (nagenoeg) gelijk aan die ingevolge de Ziekenfondswet.

Belanghebbende blijft derhalve toegang houden tot een betaalbare ziektekosten-verzekering. Voor onevenredige uitsluitingen en buitengewone premie- of eigen- risicoverhogingen behoeft hij niet bevreesd te zijn.

5.8. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof tot de slotsom dat het gelijk aan de inspecteur is. In hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd heeft het Hof geen aanleiding gevonden andersluidend te oordelen.

5.9. Belanghebbende heeft voorts nog erover geklaagd dat de inspecteur hem eind 1999/begin 2000 geen verklaring heeft verstrekt en dat hij eerst in oktober 2000 de voorlopige aanslag in de premie ziekenfondswet heeft ontvangen. Belanghebbende heeft zijn polis bij Nationale Nederlanden voor het jaar 2000 geprolongeerd, zich niet realiserende dat hij voor dat jaar verplicht ziekenfondsverzekerd was, doch dient thans, nogmaals, de volle premie Ziekenfondswet te betalen.

Zo belanghebbende met zijn klacht bedoelt te stellen dat de inspecteur, door niet eind 1999/begin 2000 een verklaring te verstrekken, jegens hem een onrechtmatige daad heeft begaan en hij het Hof uit dien hoofde verzoekt om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de daaruit voor hem, belanghebbende, voortvloeiende schade, overweegt het Hof dat het daartoe ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht slechts bevoegd is indien het beroep van belanghebbende (overigens) gegrond wordt verklaard. Nu, gelet op hetgeen onder 5.2. tot en met 5.8. is overwogen, het beroep ongegrond wordt verklaard, verwijst het Hof belanghebbende in deze naar de burgerlijke rechter.

Mutatis mutandis heeft hetzelfde te gelden voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat -bij het ontbreken van een verklaring- ook de voorlopige aanslag veel te laat, namelijk pas in september van het lopende verzekeringsjaar, is opgelegd.

5.10. Belanghebbende heeft ten slotte nog gesteld dat zijn belastbare inkomen al sedert het jaar 1997 boven de ziekenfondsgrens ligt. Voor zover belanghebbende hiermee stelt dat voor de vraag of hij onder de verplichte ziekenfondsverzekering valt, zijn huidige belastbare inkomen als maatstaf gebruikt moet worden, althans niet de belastbare inkomens van de jaren 1995 en 1996, overweegt het Hof als volgt.

Het Hof is van oordeel dat volgens de Regeling de jaren 1995, 1996 en 1997 in ogenschouw moeten worden genomen en dat niet valt in te zien dat de Regeling op dit punt een onjuiste uitvoering geeft aan artikel 3d, eerste vier leden, van de Zieken-fondswet en daarmee derhalve in strijd komt. Dit geldt te meer nu de inhoud van de Regeling overeenstemt met hetgeen in de wetsgeschiedenis reeds inhoudelijk over de te stellen uitvoeringsregels tussen regering en parlement is besproken. Het Hof komt dan ook tot de slotsom dat belanghebbende de belastbare inkomens over 1995 en 1996 niet buiten beschouwing mag laten en dat de belastbare inkomens over latere jaren dan 1997 niet mogen worden meegenomen.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 19 juni 2002 door mrs. Van Ballegooijen, Den Boer en Faase, in tegenwoordigheid van mr. Koning als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.