Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5680

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
23-07-2002
Zaaknummer
00/01294
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zelfstandigen. Heroverweging van een besluit. Toetsing van onder andere art. 3d Ziekenfondswet aan hogere regelgeving en algemene beginselen van

behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1184

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het aan de eenheid Belastingdienst Ondernemingen te Enschede verbonden Landelijk punt uitvoering heffing Ziekenfondswet voor zelfstandigen, kennelijk namens het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te Y, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een als beroepschrift aangeduid geschrift ontvangen op 27 maart 2000. Een aanvulling op dit beroepschrift is ter griffie ontvangen op 8 november 2000. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 15 februari 2000, betreffende een ten name van belanghebbende gestelde verklaring in de zin van artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet, waaruit blijkt dat belanghebbende voldoet aan de in het eerste lid van het artikel bedoelde voorwaarden. De inspecteur heeft met dagtekening 9 november 1999 verklaard dat belanghebbende voor het jaar 2000 voldoet aan voornoemde voorwaarden. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt bij brief van 20 december 1999, bij de inspecteur ingekomen op 21 december 1999. De inspecteur heeft uitspraak op het bezwaarschrift gedaan op 15 februari 2000. Hij overweegt: "Ik herroep de door u bestreden verklaring en neem in plaats daarvan in deze uitspraak een nieuwe beschikking".

1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot het gelasten aan de inspecteur een verklaring af te geven dat belanghebbende niet voldoet aan de in het eerste lid van genoemd artikel 3d bedoelde voorwaarden. Voorts strekt het beroep tot een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

1.4. Belanghebbende heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter zake van het besluit van de inspecteur van 9 november 1999. In een uitspraak van 26 oktober 2000 (kenmerk van het Hof: 99/03966) heeft de president van dit Gerechtshof belanghebbendes verzoek afgewezen.

1.5. Belanghebbende heeft op 19 januari 2001 een conclusie van repliek ingezonden. Op 29 januari 2001 reageert de inspecteur op de conclusie van repliek door middel van een brief waarin hij aangeeft dat hij niets meer heeft toe voegen aan hetgeen hij in zijn verweerschrift heeft vermeld.

1.6. Ter zitting van 5 september 2001 zijn verschenen belanghebbende, alsmede

Z namens de inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overlegd. Deze pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

1.7. Overeenkomstig een ter zitting gemaakte afspraak heeft de inspecteur op 14 september 2001 een kopie van het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de verklaring verplichte ziekenfondsverzekering 2000 aan het Hof verstrekt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende geniet in 2000 winst uit een feitelijk door hem zelf gedreven onderneming. Op 1 oktober 1999 bedroeg het gemiddeld vastgestelde belastbare inkomen, opgevat overeenkomstig het bepaalde in artikel 3d, vierde lid, van de Ziekenfondswet en de op die bepaling gebaseerde Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen (hierna: Regeling) niet meer dan ƒ 41.200. Het belastbare inkomen over 1995 beliep ƒ 28.829, dat over 1996 -/-ƒ 25.000 en dat over 1997 ƒ 38.831. Belanghebbende is verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen.

2.2. Belanghebbende was in 1999 verzekerd voor ziektekosten bij een particuliere ziektekostenverzekeraar. Volgens de inspecteur is hij op grond van de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 461 (hierna: de Wet) met ingang van 1 januari 2000 verplicht verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet.

3. Geschil

In geschil is of de inspecteur terecht stelt dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering 2000.

4. Standpunten van partijen

Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de gedingstukken en pleitnota.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur heeft op 9 november 1999 een verklaring verstrekt aan belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking. De beschikking is genomen op de voet van artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet, welke bepaling in de Ziekenfondswet is ingevoegd bij artikel I van de Wet van 28 oktober 1999, Staatsblad 1999, 461. Deze Wet is ingevolge het Koninklijk Besluit van 1 november 1999, Staatsblad 1999, 462, in werking getreden op 1 januari 2000. De beschikking is dan ook onbevoegd genomen door de inspecteur. De inspecteur is van opvatting dat het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de beschikking, ingekomen ter inspectie op 21 december 1999, hem de gelegenheid bood tot een heroverweging die leidde tot het herroepen van de bestreden beschikking en het opnieuw verstrekken van de verklaring dat belanghebbende voldeed aan de voorwaarden van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet. Deze heroverweging, gedagtekend 15 februari 2000, is vervat in een uitspraak op het bezwaarschrift. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur de heroverwogen verklaring bevoegd verstrekt.

5.2. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur de heroverwogen verklaring in de vorm van een voor bezwaar vatbare beschikking had moeten verstrekken, tegen welke verklaring belanghebbende dan (wederom) bezwaar had kunnen maken. Nu de inspecteur in een alsdan alsnog te geven uitspraak op bezwaar ongetwijfeld hetzelfde besluit als vervat in zijn uitspraak van 15 februari 2000 betreffende de 'oude' verklaring zou hebben genomen, is het Hof om redenen van proceseconomie van oordeel dat de door de inspecteur gedane uitspraak van 15 februari 2000 betreffende de 'oude' verklaring eveneens als een voor beroep vatbare uitspraak omtrent de 'nieuwe' verklaring is aan te merken. Nu voorts niet is gebleken dat belanghebbende terzake is benadeeld door de handelwijze van de inspecteur dient naar het oordeel van het Hof -op grond van het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb- vernietiging van de nieuwe verklaring op de enkele grond dat de voorgeschreven vorm daarvan is geschonden, achterwege te blijven.

5.3. Het staat vast dat belanghebbende zelfstandige is in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Waz. Vaststaat ook dat op 1 oktober 1999 belanghebbendes gemiddeld vastgestelde belastbare inkomen, opgevat overeenkomstig het bepaalde in artikel 3d, vierde lid, van de Ziekenfondswet en de op die bepaling gebaseerde Regeling niet meer bedroeg dan ƒ 41.200. Een en ander brengt ingevolge artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet in verbinding met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling mee dat belanghebbende verplicht verzekerd is ingevolge de Ziekenfondswet.

5.4. De inspecteur heeft de verklaring waaruit blijkt dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid van artikel 3d van de Ziekenfondswet op 18 januari 2000 verstrekt. Belanghebbende stelt dat de inspecteur in strijd met de Wet, althans met het gedurende de parlementaire behandeling daarvan gestelde, de verklaring te laat heeft verstrekt. De inspecteur heeft deze stelling betwist. Het Hof oordeelt als volgt. In de memorie van toelichting op het wetsontwerp (TK 1998-1999, 26 553, nr 3, blz. 5) is vermeld dat de rijksbelastingdienst de zelfstandige jaarlijks vóór 1 november informeert. Dit houdt niet in dat een latere verklaring rechtskracht ontbeert. Ook in de Wet is niet te lezen dat een verklaring van de inspecteur van de rijksbelastingdienst die ná 1 november is verstrekt het volgende jaar niet rechtsgeldig is. Door de inwerkingtreding van de Wet ziekenfondsverzekering zelfstandigen op 1 januari 2000 kon de inspecteur voor het jaar 2000 eerst lopende dat jaar bevoegdelijk verklaringen afgeven. In dit verband merkt het Hof nog op dat sprake is van verzekering van rechtswege, indien de zelfstandige voldoet aan de voorwaarden van de verplichte verzekering ingevolge de Ziekenfondswet. De datum van afgifte van de verklaring ontbeert dan ook de betekenis die belanghebbende hieraan gehecht wenst te zien. De grief wordt dan ook verworpen.

5.5. Belanghebbende heeft een aantal bezwaren tegen de Wet aangevoerd. Zo stelt belanghebbende onder meer dat een grote groep zelfstandigen -waaronder hijzelf- nadelige financiële gevolgen ondervindt van de verplichte ziekenfondsverzekering. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat, zo hij op grond van de nieuwe regelgeving in een volgend jaar verplicht wordt om terug te keren naar een (particuliere) ziektekostenverzekering, deze terugkeer waarschijnlijk gepaard zal gaan met uitsluitingen en premie- en/of eigen risicoverhogingen ten opzichte van de oude particuliere verzekering, die hij op grond van de huidige regeling moest verlaten. Voor een dergelijk geval ontbreekt volgens belanghebbende een overgangsregeling. Het criterium 'belastbaar inkomen' in plaats van winst ter bepaling van de verplichte ziekenfondsverzekering is, zeker na invoering van de Belastingherziening 2001, volstrekt oneigenlijk en onhanteerbaar, aldus nog steeds belanghebbende.

Hoewel het Hof begrip heeft voor de situatie van belanghebbende kan het Hof zich hierover evenwel niet uitlaten daar belanghebbende zich met deze klachten richt tegen de Wet als zodanig en de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde en billijkheid der wet te beoordelen Het Hof is niet bevoegd te oordelen over de bezwaren van belanghebbende tegen de Wet. Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, bepaalt dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De bezwaren van belanghebbende tegen de Wet behoren dan ook gericht te worden aan het adres van de wetgever. Voor zover belanghebbende, met zijn stelling dat terugkeer naar een particuliere ziektekostenverzekering in verband met zijn ernstige ziekte financieel zeer bezwaarlijk zal zijn, heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM), heeft belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt waaruit zou kunnen voortvloeien dat de onderhavige wetgeving in zijn geval tot een onevenredige aantasting van zijn eigendom of vermogensrechten leidt. Met name de stellingen van belanghebbende dat zijn overgang naar het ziekenfonds mede wegens blijvende kans op recidive van de hartkwaal geen reële optie is en dat hij zich bij terugkeer naar een particuliere verzekering niet zal kunnen verzekeren zijn onjuist. Belanghebbende is immers verplicht ziekenfondsverzekerd (het ziekenfonds kan hem dus niet weigeren) en de standaardpakketpolis van een particuliere verzekeraar kan belanghebbende evenmin geweigerd worden.

5.6. Belanghebbende stelt dat zijn inkomen in de jaren 1995 tot en met 1997 geen goede maatstaf is ter bepaling van zijn ziekenfondsverzekeringsplicht in 2000. Aangesloten dient te worden bij het inkomen uit recentere jaren. Voor zover belanghebbende betoogt dat de Regeling - door de ziekenfondsverzekering 2000 afhankelijk te stellen van het gemiddelde belastbare inkomen over 1995, 1996 en 1997 - een onjuiste uitvoering geeft aan artikel 3d van de Ziekenfondswet, acht het Hof deze stelling van belanghebbende onjuist. Niet valt in te zien dat de Regeling op enig punt een onjuiste uitvoering geeft aan artikel 3d, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Ziekenfondswet en daarmee derhalve in strijd komt. Dit geldt te meer nu de inhoud van de Regeling overeenstemt met hetgeen in de wetsgeschiedenis reeds inhoudelijk over de te stellen uitvoeringsregels tussen regering en parlement is besproken. Het Hof komt tot de slotsom dat belanghebbende de belastbare inkomens over 1995, 1996 en 1997 niet buiten beschouwing mag laten en dat de belastbare inkomens over latere jaren niet mogen worden meegenomen.

Voorts stelt belanghebbende dat zijn inkomen in de jaren 1995 en 1997 lager was dan normaal door bijzondere omstandigheden. Voor zover belanghebbende betoogt dat de inkomens over twee jaren (1995 en 1997) buiten aanmerking dienen te blijven bij de bepaling van het gemiddeld inkomen, acht het Hof deze stelling van belanghebbende onjuist. In artikel 2, zesde lid, van de Regeling is geregeld dat op aanvraag van de zelfstandige het gemiddelde van zijn inkomens over twee jaren in de basisreferteperiode in aanmerking mag worden genomen. Dit houdt in dat slechts het inkomen van één van de drie referentiejaren buiten aanmerking mag blijven voor de bepaling van het gemiddelde inkomen. Nu het buiten aanmerking laten van het belastbare inkomen van één jaar niet leidt tot een andere conclusie omtrent de ziekenfondsverzekeringsplicht van belanghebbende, gaat het Hof hier niet verder op in.

5.7. Belanghebbende verwijt de inspecteur dat hij bij zijn besluitvorming het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Hij verwijst naar artikel 7:12 van de Awb. De inspecteur betwist deze schendingen. Belanghebbende voert hiertoe aan dat vermelding van enig wettelijk voorschrift in de verklaring ontbreekt en de inspecteur niet uiteengezet heeft op welke manier de verzekeringsplicht is vastgesteld en op welke bedragen hij zijn beslissing heeft gebaseerd dat belanghebbende voor verplichte ziekenfondsverzekering in aanmerking komt. Het Hof is van oordeel dat een berekening van het gemiddelde belastbare inkomen van belanghebbende in de beschikking van 9 november 1999, dan wel in de beschikking van 18 januari 2000 zeker niet zou hebben misstaan. Het Hof wil hieraan echter niet de conclusie verbinden dat de inspecteur het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Uit de beschikking van 9 november 1999 blijkt namelijk dat aan belanghebbende reeds een brochure was verzonden waarin was te lezen op welke wijze de inspecteur het gemiddeld belastbare inkomen van belanghebbende heeft vastgesteld. Met behulp van deze brochure en de aanslagen inkomstenbelasting 1995, 1996 en 1997 had belanghebbende de berekening zonder al te veel moeite kunnen maken. In ogenschouw nemende dat de inspecteur de berekeningswijze van het gemiddeld belastbare inkomen aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt en ervan uitgaande dat belanghebbende de berekening zonder al te veel moeite had kunnen maken, kan niet worden gezegd dat de inspecteur de beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd. Het Hof kan belanghebbende dan ook niet volgen als hij klaagt over schending van het motiveringsbeginsel. Voorts is verweerder -weliswaar in zeer algemene bewoordingen- in de bijlage behorende bij de uitspraak op het bezwaar van belanghebbende ingegaan. Daar komt bij dat niet gezegd kan worden dat belanghebbende door deze omstandigheden is benadeeld. De grieven inzake de wijze waarop de besluiten van de inspecteur tot stand zijn gekomen en inzake het motiveringsbeginsel kunnen overigens hoe dan ook niet leiden tot een vernietiging van de bestreden uitspraak. Naar 's Hofs oordeel zijn belanghebbendes processuele belangen uiteindelijk niet geschaad. Voorts heeft belanghebbende erover geklaagd niet te zijn gehoord zoals is voorzien in artikel 7:2 van de Awb. Daar belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij overeenkomstig artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verzocht heeft om gehoord te worden, verwerpt het Hof deze klacht van belanghebbende.

5.8. Belanghebbende heeft gesteld dat het besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Omdat de verzekeringsplicht van zelfstandigen in het jaar 2000 gekoppeld is aan het belastbare inkomen in het verleden, worden aan indertijd verrichte rechtshandelingen rechtsgevolgen verbonden die toen niet konden worden voorzien, aldus luidt zeer kort samengevat het betoog van belanghebbende. Het Hof acht zich weliswaar bevoegd een ministeriële regeling te toetsen aan het ongeschreven beginsel van rechtszekerheid, maar komt hier niet aan toe. Het Hof is van oordeel dat de minister in de Regeling voor het onderhavige geval een inhoud heeft gegeven aan de begrippen tijdvak en inkomen van artikel 3d van de Ziekenfondswet die overeenkomt met de bedoeling van de wetgever. Een beoordeling van de door belanghebbende beweerde strijd van de regeling met het rechtszekerheidsbeginsel zou neerkomen op het toetsen van de Wet aan dat beginsel en dat mag het Hof nu eenmaal niet. Voor zover belanghebbende betoogt dat sprake is van premieheffing met materiële terugwerkende kracht, is deze stelling niet juist; de premieheffing van zelfstandigen vindt immers plaats over het inkomen van 2000.

5.9. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld, laat staan bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt, waaruit is af te leiden dat de inspecteur een bepaalde toezegging heeft gedaan of de indruk heeft gewekt bewust een standpunt te hebben bepaald. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt dan ook niet gehonoreerd. Tot slot merkt het Hof op dat belanghebbende met zijn stelling dat de Regeling zelf in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat het gemiddelde van de belastbare inkomens over de jaren 1995, 1996 en 1997 bepalend is voor de verzekeringsplicht in het jaar 2000, het onderscheid tussen bestuur en regelgeving miskent. Het vertrouwensbeginsel is immers een beginsel van behoorlijk bestuur.

5.10. Belanghebbende verwijt inspecteur dat hij bij zijn besluitvorming het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Het Hof overweegt dat de verklaring van de inspecteur een gebonden beschikking is die slechts aangeeft dat belanghebbende voldoet aan de voorwaarden van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet, zodat schending van het evenredigheidsbeginsel niet aan de orde kan zijn. Belanghebbende heeft trouwens niet, althans onvoldoende betwist dat hij zelfstandige is in de zin van de Waz en een inkomen van niet meer dan ƒ 41.200 genoot. Voor wat betreft de beweerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur, merkt het Hof op dat deze eventuele schending op zichzelf niet leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Het is aan het Hof om op zijn beurt de argumenten van belanghebbende zorgvuldig te wegen. Overigens, de inspecteur is in een vele pagina's omvattende uitspraak ingegaan op het bezwaar van belanghebbende. Het Hof kan belanghebbende dan ook niet volgen als hij klaagt over het met voeten treden van het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur.

5.11. Belanghebbende stelt dat het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel is geschonden door de wetgever ten eerste omdat de ziekenfondsgrens voor zelfstandigen (ƒ 41.200) afwijkt van die voor loontrekkenden (ƒ 64.600) en ten tweede omdat het referentietijdvak voor zelfstandigen (1995 tot en met 1997) afwijkt van die voor loontrekkende (1999). Tot slot wordt volgens belanghebbende de 'bestaande' ondernemer gediscrimineerd in vergelijking met een startende ondernemer, daar voor de startende ondernemer het inkomen in recentere jaren van belang is ter bepaling voor verplichte ziekenfondsverzekering.

Voor 'bestaande' ondernemers geldt dat de periode van het derde tot en met het vijfde jaar vóór het kalenderjaar waarvoor de beoordeling ingevolge de Ziekenfondswet plaatsvindt, bepalend is voor de ziekenfondsverzekeringsplicht. De wetgever heeft bij het bepalen van deze referentieperiode rekening gehouden met het feit dat de rijksbelastingdienst pas het belastbare inkomen van een zelfstandige kan vaststellen nadat de belastingplichtige aangifte heeft gedaan. Voor het merendeel van de belastingplichtigen is het belastbare inkomen definitief vastgesteld in het tweede jaar na het belastingjaar. Dit heeft tot gevolg dat het gemiddelde inkomen over het tijdvak van het derde tot en met het vijfde jaar gelegen vóór het jaar van verzekering in beginsel bepalend is voor het al dan niet ziekenfondsverzekerd zijn. 'Bestaande' ondernemers hebben gedurende de gehele referentieperiode een onderneming gedreven. Voor startende zelfstandigen is een afwijkende getroffen, daar starters niet gedurende de (gehele) referteperiode een onderneming drijven, althans niet gedurende de gehele referteperiode zelfstandige zijn in de zin van artikel 3d Ziekenfondswet. Dit verklaart voldoende waarom onderscheid is gemaakt tussen het referentietijdvak van startende zelfstandigen en 'bestaande' zelfstandigen. Belanghebbende stelt ook te worden gediscrimineerd omdat de ziekenfondsgrens voor zelfstandigen lager ligt dan die voor werknemers. De wetgever heeft zelfstandigen met een geringe draagkracht ('kleine zelfstandigen') willen helpen met de ziekenfondsverzekering, zoals ook werknemers met een laag loon ziekenfondsverzekerde zijn. Als criterium voor de beoordeling of een zelfstandige ziekenfondsverzekerd is, is gekozen voor de hoogte van zijn belastbare inkomen omdat dat inkomen volgens de wetgever de draagkracht het beste weergeeft. De hoogte van de inkomensgrens voor zelfstandigen is afgeleid van de loongrens voor werknemers in de Ziekenfondswet. Volgens het rapport van onderzoeksorganisatie EIM inzake "Inventarisatie van beslissingen bij een overgang naar een ziekenfondsverzekering op basis van een fiscaal inkomensbegrip" -en naar dat rapport verwees de wetgever- is gebleken dat het belastbare inkomen van zelfstandigen die een bruto-inkomen ter grootte van het bedrag van de loongrens genieten, gemiddeld 64% van dat inkomen bedraagt. Door de inkomensgrens voor zelfstandigen op 64% van de loongrens te stellen, is deze grens materieel vergelijkbaar met het bedrag van de loongrens Ziekenfondswet voor werknemers. Dit verklaart voldoende waarom onderscheid is gemaakt tussen de hoogte van de ziekenfondsgrens voor zelfstandigen en die voor loontrekkenden.

Belanghebbende stelt voorts te worden gediscrimineerd, omdat het referentietijdvak voor zelfstandigen anders is dan dat voor werknemers. Algemeen bekend is dat het inkomen van een zelfstandige meer fluctueert dan dat van een werknemer. Zonder nadere regeling zou het als gevolg hiervan kunnen voorkomen dat een zelfstandige het ene jaar ziekenfondsverzekerd is en het andere jaar aangewezen is op een particuliere ziektekostenverzekering. De wetgever heeft willen voorkomen dat een zelfstandige zich regelmatig op een andere wijze tegen ziektekosten zou moeten verzekeren. Derhalve is bepaald dat voor de beoordeling voor de ziekenfondsverzekering van een zelfstandige het gemiddelde belastbare inkomen over drie jaren in aanmerking wordt genomen. Deze overweging geldt niet voor werknemers wier loon in veel mindere mate pleegt te fluctueren. Voorts kon de wetgever aanknopen bij een recent jaarloon van de werknemer, terwijl het inkomen van een zelfstandige over dat zelfde kalenderjaar dan doorgaans nog niet is vastgesteld, zodat voor hem de inkomens over oudere jaren bepalend zijn. Een en ander verklaart voldoende waarom onderscheid is gemaakt tussen het referentietijdvak van zelfstandigen en loontrekkende.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat zo al sprake is van gelijke gevallen (startende en 'bestaande' ondernemers, zelfstandigen en werknemers), de verschillen in behandeling op objectieve en redelijke wijze zijn verdedigd door de wetgever. Derhalve is van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake.

5.12. Al hetgeen is overwogen leidt het Hof tot het oordeel dat het gelijk is aan de inspecteur. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 7 juni 2002 door mr. Van Ballegooijen, lid van de belastingkamer, in aanwezigheid van mr. Thijssen als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit

gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.