Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5568

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
23-004107-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BN2377, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BN2377
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-004107-01

datum uitspraak 21 mei 2002

tegenspraak

Arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 13 november 2001 in de strafzaak onder parketnummer 16/028572-01 tegen

[verdachte]

geboren te Meknés (Marokko) op 30 april 1968,

wonende te [adres]

thans verblijvende in PI Almere Binnen i.o., Caissonweg 2, 1332 BX Almere.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van verdachte is blijkens de mededeling ter terechtzitting van de raadsman niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 3 ten eerste tenlastegelegde.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 30 oktober 2001 en in hoger beroep van 7 mei 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 ten tweede is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 4 is tenlastegelegd, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op 24 juli 2001 te Utrecht met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld J.A. [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld toebehorende aan J.A. [slachtoffer 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en heeft gericht op die J.A. [slachtoffer 1] en heeft geroepen en/of gezegd: "geld, geld, geld" en "openmaken" en "geef hier of pakken" en "kluis openmaken... meer meer", althans woorden van (soort)gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en dat hij, verdachte, die J.A. [slachtoffer 1] een klap met dat pistool, althans enig hard voorwerp, tegen de borst heeft gegeven;

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

hij op 18 juli 2001 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ƒ 650,--, toebehorende aan J. [benadeelde partij], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen B. [slachtoffer 2], werkzaam bij het Texaco tankstation aan de [adres], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- een muts over diens hoofd en/of gezicht heeft getrokken en aldus zijn gelaat heeft verhuld en vervolgens tegen B. [slachtoffer 2] heeft geroepen en/of gezegd: "Open de kassa", althans woorden met een dergelijke aarde en/of strekking;

- zich met zijn lichaam (half) over de toonbank waarachter die [slachtoffer 2] zich bevond heeft gehesen/gebogen in de richting van de kassa en daarbij een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend en/of voor afdreiging geschikt voorwerp, heeft getoond, althans zichtbaar voorhanden heeft gehad en

- daarbij heeft geroepen: "Ik wil meer geld", althans woorden met een dergelijke strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

1.1. Een proces-verbaal met nummer PLO914/01-594704 van 24 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door R.G. Flissinger, brigadier van politie regio Utrecht, district Utrecht-Noord (dossierpagina 22 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant op voormelde datum afgelegde verklaring van J.A. [slachtoffer 1]:

Ik doe aangifte van afpersing. Ik werd door de verdachte door geweld en bedreiging met geweld gedwongen een goed af te geven dat mij toebehoort.

Ik ben eigenaar van videotheek "[bedrijfsnaam]" aan de [adres] 45 te Utrecht. Op 24 juli 2001 omstreeks 20 uur bevond ik mij in de videotheek. Ik stond achter de balie vlakbij de kassa. Ik zag dat er een man bij het klapdeurtje stond. Ik zag dat de man gemaskerd was. Ik zag dat hij een bivakmuts over zijn gezicht had getrokken. Ik zag dat de overvaller een op een pistool gelijkend voorwerp in zijn rechter hand had. De overvaller kwam in mijn richting lopen. Ik hoorde dat de overvaller naar mij riep: "Geld, geld, geld", hierbij richtte hij het pistool op mijn borst en wees naar de kassa. Ik hoorde dat de overvaller ook riep: "Openmaken, openmaken." Ik deed de kassa open. Ik zag en voelde dat de overvaller met de hand waarin hij het pistool vasthield mij een harde klap op mijn borst gaf. Ik hoorde dat de overvaller zei: "Geef hier of pakken". Ik pakte een aantal briefjes van 25 en een aantal van 10 gulden uit de kassalade en gaf dat aan de overvaller. Hij heeft het geld van mij aangepakt. Hierna hoorde ik dat de overvaller riep: "Kluis openmaken....meer, meer."

Door de dreiging van het vuurwapen werd ik gedwongen de kassalade te openen en het daarin aanwezige geld aan de overvaller af te geven.

1.2. Een proces-verbaal met nummer PLO912/01-594704, van 24 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door C.W.M. van Arnhem en J. Geluk, beiden brigadier van politie regio Utrecht, district Tolsteeg (dossierpagina 27 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisanten:

Op 24 juli 2001 surveilleerden wij te Utrecht. Wij hoorden dat een man voorzien van een bivakmuts de videotheek [bedrijfsnaam] aan de [adres] te Utrecht was binnengegaan.

Wij kregen opdracht te gaan naar de plaats delict. Tijdens openingstijden worden er video-opnamen gemaakt van een ieder die de winkel binnenkomt en verlaat. Met toestemming van de eigenaar van de videotheek hebben wij de opnameband veiliggesteld en overgedragen aan de recherche te Utrecht-Noord.

1.3. Een proces-verbaal met nummer PLO912/01-594704, van 25 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door A. Toutouh en R.C. Rozenbeek, beiden agent van politie regio Utrecht, district Utrecht-Noord (dossierpagina 30 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisanten:

Op 25 juli 2001 hebben wij een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een overval op de videotheek [bedrijfsnaam] aan de [adres] 45 te Utrecht. Wij hebben een videoband van een beveiligingscamera van de videotheek bekeken.

Wij zagen voor de overval een manspersoon in beeld verschijnen. Wij zagen dat de manspersoon de videotheek naar binnen bekijkt. Tevens zagen wij dat de manspersoon iets in zijn linkerhand vasthoudt.

Wij zagen een manspersoon welke richting de ingang van de videotheek liep. Wij zagen dat deze persoon iets, op een muts gelijkend, over zijn hoofd had dat zijn gehele gezicht en nek bedekte. Wij zagen dat deze persoon een op een vuurwapen gelijkend voorwerp uit zijn broeksband haalde.

Wij zagen dat de omschreven persoon de videotheek verlaat met in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

1.4. Een proces-verbaal met nummer PLO914/ van 25 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door H. Yavuz, agent van politie regio Utrecht, district Utrecht-Noord (dossierpagina 40 in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisant:

Op 25 juli 2001 werd aan mij een video-print getoond. Ik zag dat een man afgebeeld stond op de foto. Ik herkende de afgebeelde persoon als zijnde de mij ambtshalve bekende [verdachte], geboren te Marokko op 03 (het hof begrijpt: 30) april 1968.

1.5. Een proces-verbaal met nummer PLO913/01-594704 van 26 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door M. Kassrioui, agent van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 41 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisant:

Op 26 juli 2001 werden mij fotoprintjes getoond van een video-opname van een bewakingscamera. Op deze videoprintjes was een manspersoon afgebeeld die de verdachte zou zijn van een gewapende overval gepleegd op 24 juli op de [adres] nummer 45 te Utrecht. De man, afgebeeld op genoemde fotoprintjes herken ik als de voor mij ambtshalve verdachte [verdachte]. [verdachte] was geboren op 30 april 1968 te Meknes.

1.6. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 7 mei 2002

-zakelijk weergegeven- onder meer inhoudende:

Ik ken de videotheek [bedrijfsnaam] te Utrecht.

1.7. Een proces-verbaal met nummer PLO913/01-594704 van 31 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door H. Asmaz en F.J. Claasen, respectievelijk hoofdagent van politie regio Utrecht, district Utrecht-Noord en brigadier van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 59 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 A van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisanten op voormelde datum afgelegde verklaring van de verdachte:

Op dinsdag 24 juli 2001 ging ik omstreeks 14.30 uur naar een vriend. Mijn vriend heet [naam] (het hof begrijpt: [naam]). We hebben al die tijd wat zitten 'stonen' en kletsen. Omstreeks 21.00 uur die dag ben ik weer bij [naam] (het hof begrijpt: [naam]) weggegaan.

1.8. Een proces-verbaal met nummer PLO914/01-594704 van 1 augustus 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door H. Asmaz en F. J. Claasen, respectievelijk hoofdagent van politie regio Utrecht, district Utrecht-Noord en brigadier van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 13 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 B van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisanten op voormelde datum afgelegde verklaring van de verdachte:

De laatste keer dat ik bij [naam] in huis zat, was op woensdag 25 juli 2001. Ook de dagen ervoor behalve de weekenden zat ik bij [naam] in huis. Elke keer als ik bij hem aan de deur kwam, liet hij mij binnen.

1.9. Een proces-verbaal met nummer PLO913/01-594704 van 1 augustus 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door H. Asmaz en F. J. Claasen, respectievelijk hoofdagent van politie regio Utrecht, district Utrecht-Noord en brigadier van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 15 in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 B van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisanten:

Op woensdag 1 augustus 2001 hoorden wij de verdachte [verdachte]. Tijdens dit verhoor toonden wij hem een foto afkomstig uit de fotoverzameling van de politie regio Utrecht met daarop de afbeelding van [naam] [voornaam], 08/12/1970 (het hof begrijpt: geboren op 8 december 1970). De verdachte Karim verklaarde dat hij deze man herkende en dat dit de [naam] was waarover hij in zijn verklaringen sprak en waar hij elke dag op bezoek was geweest.

1.10. Een proces-verbaal van 1 augustus 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door M. Vogel, brigadier-rechercheur van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 3 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 A van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisant:

Uit onderzoek is gebleken dat Kajouj voornoemd (het hof begrijpt: [naam] [voornaam], geboren op 8 december 1970) sinds 23 juli 2001 vast zit ter zake een door hem gepleegd misdrijf, waarvoor hij inmiddels in bewaring is gesteld.

Nadere bewijsoverweging

De onder 1.7 en 1.8 opgenomen verklaringen van verdachte worden door het hof mede gebezigd tot het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde, nu deze verklaringen op grond van de overige bewijsmiddelen, met name de bewijsmiddelen genoemd onder 1.9 en 1.10, beschouwd moeten worden als kennelijk leugenachtig en bedoeld ter bemanteling van de waarheid dat verdachte zich op 24 juli 2001 omstreeks 20.00 uur in en nabij videotheek "[bedrijfsnaam]" heeft bevonden en aldaar, kort gezegd, een gewapende overval heeft gepleegd.

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

2.1. Een proces-verbaal met nummer PLO913/01-056375 van 18 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door C. de Jong, brigadier van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 39 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 A van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant op voormelde datum afgelegde verklaring van B. [slachtoffer 2]:

Ik ben werkzaam bij het tankstation Texaco aan de [adres] te Utrecht. Het tankstation is eigendom van [benadeelde partij]. Ik ben namens hem bevoegd tot het doen van aangifte. Op 18 juli 2001 ben ik begonnen met mijn werkzaamheden. Plotseling stond er een man voor de balie van de kassa. Ik schrok heel erg. Ik zag dat deze persoon een bivakmuts op had. Ik zag geen stukje van zijn hoofd. Deze persoon riep: "Open de kassa." Deze persoon hees zichzelf op de balie. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een vuurwapen vasthield. Ik was echt bang. Ik zag dat hij met zijn linker hand in de kassalade begon te graaien. Hij pakte al het papiergeld uit de kassalade. Ik hoorde dat hij tegen mij riep: "Ik wil meer geld."

Er moet ongeveer een bedrag van 600 à 650 gulden zijn weggenomen. Er is aan niemand toestemming gegeven geld weg te nemen. Het geld is eigendom van [benadeelde partij].

2.2. Een proces-verbaal met nummer PLO913/01-591773 van 24 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door R. H. Evers, brigadier van politie regio Utrecht, divisie recherche (dossierpagina 44 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 A van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisant:

Naar aanleiding van een overval op 18 juli 2001 op het Texaco tankstation aan de [adres] te Utrecht werd door mij ter plaatse een onderzoek ingesteld.

Sporenonderzoek.

In het winkelgebouw lag een fietsstuur links naast de schuifdeur op de grond. Blijkens mij verstrekte informatie was dit stuur daar door de overvaller neergelegd met het kennelijke doel te beletten dat de schuifdeur gesloten werd. Het stuur werd aan beide handvaten door mij voorzien van geurdoeken. Deze werden weggenomen en veiliggesteld.

2.3. Een proces-verbaal met nummer PLO913/01-594704 van 31 juli 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door H. Asmaz en F. J. Claasen, respectievelijk hoofdagent van politie regio Utrecht, district Utrecht-Noord en brigadier van politie regio Utrecht, district Marco Polo (dossierpagina 68 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 A van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisant op voormelde datum afgelegde verklaring van de verdachte:

U vraagt mij of ik mee wil werken aan een sorteerproef. Ik moet enige tijd metalen buisjes in mijn handen houden en daarna wordt er met een hond een sorteerproef gedaan. Ik zal mijn medewerking verlenen.

2.4. Een proces-verbaal met nummer 13.08.01.11.00.SIMBRU van 13 augustus 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door S. Brugman, hondengeleider, tevens brigadier van politie regio Amsterdam-Amstelland (dossierpagina 9 e.v. in het proces-verbaal met dossiernummer 01-004692 B van de politie regio Utrecht, district Marco Polo), inhoudende, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze verbalisant:

Op 13 augustus 2001 werd door mij een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Iggy. J. Smid, brigadier van politie, was als gecertificeerd helper bij de proef betrokken.

Op 9 augustus 2001 werd door mij de geuridentificatieproef voorbereid in politiebureau Marco Polo Utrecht, waarbij ik de verdachte, de controlepersoon en 5 figuranten ieder twee geurdragers liet vasthouden. Nadat zij de geurdragers gedurende 5 minuten in handen hadden gehouden, kon worden aangenomen dat hieraan voldoende menselijke lucht kleefde. De geuren werden Iggy aangeboden. Nadat ik Iggy geur gaf van het corpus delicti (geurmonsters linker en rechter handvat fietsstuur) liet ik Iggy zoeken. Ik zag dat Iggy een geurdrager wilde apporteren. De helper gaf mij een teken dat Iggy de geurdrager van de verdachte had gekozen.

Mij bleek dat Iggy geurovereenkomst waarnam tusen het corpus delicti (geurmonsters linker en rechter handvat fietsstuur) en de geurdragers welke waren vastgehouden door verdachte [verdachte].

2.5. Het hof heeft op de prints van de band uit de bewakingsvideo met de nummers 10 tot en met 19, die horen bij het onder 2.2 genoemde proces-verbaal, en die kennelijk het verloop van de overval laten zien, waargenomen dat de man die blijkens deze prints de handelingen verricht overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer 2], zoals hiervoor weergegeven in bewijsmiddel 2.1, bij binnenkomst een los fietsstuur in zijn hand heeft en dat op de drempel van de openstaande schuifdeur neerlegt (print met nummer 10, bladzijde 54 van het genoemde proces-verbaal) en daar laat liggen als hij de winkel binnengaat (print met nummer 11).

Nadere bewijsoverweging

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 mei 2002 ten verwere aangevoerd dat hij weliswaar fietsen in zijn bezit heeft gehad, maar dat (enige van) deze fietsen hem in de periode tussen de dag dat hij uit detentie is ontslagen, 8 mei 2001, en 26 juli 2001 zijn ontstolen. Het stuur dat na de overval is aangetroffen, moet dat van een dier gestolen fietsen zijn, dat kennelijk nog zijn, verdachtes, geur droeg.

Het hof heeft deze mogelijkheid overwogen, doch acht de door verdachte gestelde gang van zaken hoogstonwaarschijnlijk, nu die gestelde gang van zaken immers impliceert dat het bij de overval gebruikte fietsstuur daaraan voorafgaand door een ander dan verdachte van een aan verdachte ontstolen fiets zou zijn gedemonteerd en nadien door die ander zou zijn gebruikt zónder dat de daaraan nog klevende geur van verdachte verloren zou zijn gegaan. Het hof merkt in dit verband voorts op dat gesteld noch gebleken is dat door verdachte in voormelde periode tussen 8 mei 2001 en 26 juli 2001 aangifte is gedaan van diefstal van enige hem toebehorende fiets, waarbij het hof tevens betrekt de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het opsporingsonderzoek daar evenmin melding van heeft gemaakt. Het hof verwerpt het verweer.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

afpersing;

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich binnen een periode van een week schuldig gemaakt aan gewapende overvallen op respectievelijk een videotheek en een tankstation. Verdachte heeft daarbij niet alleen gedreigd met geweld, maar ook daadwerkelijk geweld gebruikt door een van zijn slachtoffers hard te slaan. Door aldus te handelen heeft verdachte de benadeelden grote vrees aangejaagd respectievelijk pijn bezorgd en heeft hij voor hen schade en ongemak veroorzaakt. De ervaring leert daarbij dat slachtoffers van berovingen in het algemeen langdurig lijden onder de psychische gevolgen daarvan. Verdachte heeft bovendien bestaande gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt. Op deze bijzonder ernstige feiten dient te worden gereageerd met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Verdachte is, blijkens een te zijnen name gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 22 maart 2002, reeds vele malen eerder veroordeeld voor het plegen van vermogens- en geweldsdelicten.

Het voorgaande overwegende acht het hof een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Het hof betrekt daarbij nog in zijn oordeel dat verdachte, blijkens een in het dossier aanwezige brief van Reclassering Nederland van 11 oktober 2001, niet aan een rapportage heeft willen meewerken, hetgeen, zeker in het licht van verdachtes antecendenten, somber stemt waar het gaat om de vraag of verdachte al dan niet voornemens is zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden.

Met betrekking tot het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een jas, kleur groen, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu verdachte ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat deze jas hem niet toebehoort.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en -na te noemen- maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering tot schadevergoeding

1. J.A. [slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft zich ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van ƒ 250,-- (€ 113,45) ingediend. Het hof acht aannemelijk dat door de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde schade is geleden en wel tot dat bedrag, zodat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt.

Het hof zal na te noemen maatregel opleggen omdat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

2. B. [slachtoffer 2], wonende te [adres], heeft zich terzake van het onder 2 tenlastegelegde feit als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van ƒ 2.600,-- ingediend.

De vordering van de benadeelde partij zal tot een bedrag van ( 1.800,-- (€ 816,80) worden toegewezen, nu aannemelijk is dat door haar als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde schade is geleden en wel tot dat bedrag.

Het hof zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu de omvang van dit gedeelte van de schade (het geld uit de kassa van de werkgever van [slachtoffer 2] voornoemd) in het kader van een strafgeding onvoldoende op eenvoudige wijze is vast te stellen. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal na te noemen maatregel opleggen omdat verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd 4 (VIER) JAREN;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

gelast de bewaring van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een jas, kleur groen, ten behoeve van de rechthebbende;

veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij J.A. [slachtoffer 1], wonende te [adres], € 113,45 (HONDERD DERTIEN EURO VIJFENVEERTIG) te betalen, vermeerderd met de door de beledigde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

veroordeelt de verdachte om ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen

€ 113,45 (HONDERD DERTIEN EURO VIJFENVEERTIG), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat tenuitvoerlegging van deze hechtenis de betalingsverplichting niet doet vervallen;

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag van

€ 113,45 (HONDERD DERTIEN EURO VIJFENVEERTIG), ten behoeve van de benadeelde partij de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van voormeld bedrag, doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen;

veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij, B. [slachtoffer 2], wonende te [adres], € 816,80 (ACHTHONDERD ZESTIEN EURO TACHTIG) te betalen, vermeerderd met de door de beledigde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

verklaart de benadeelde partij B. [slachtoffer 2] voornoemd voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk;

veroordeelt de verdachte om ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen

€ 816,80 (ACHTHONDERD ZESTIEN EURO TACHTIG), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat tenuitvoerlegging van deze hechtenis de betalingsverplichting niet doet vervallen;

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag van

€ 816,80 (ACHTHONDERD ZESTIEN EURO TACHTIG), ten behoeve van de benadeelde partij de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van voormeld bedrag, doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen;

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Boumans, Wiewel en Van der Lugt, in tegenwoordigheid van mr. Heijermans als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 mei 2002.

Mr. Van der Lugt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.