Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5491

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
17-07-2002
Zaaknummer
00/02019
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat in de onderhavige situatie de dividenden, welke zijn uitgekeerd binnen 8 maanden na statusverlies van de fiscale beleggingsinstelling, moeten worden belast naar het tarief van 25%, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2002, nr. 36 795.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1463

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen 1 te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 7 juni 2000, ingediend door A (A accountants en adviseurs) te Q als zijn gemachtigde. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 13 juli 2000. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 27 april 2000, betreffende de aan belanghebbende met dagtekening 21 januari 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1.2. Aan belanghebbende is oorspronkelijk met dagtekening 30 juni 1998 een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 141.109, waarvan ƒ 46.666 is belast naar het bijzondere tarief van artikel 57a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB'64). De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 141.109, geheel belast naar het gewone tarief. Na bezwaar tegen de navorderingsaanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en van de navorderingsaanslag.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.5. Ter zitting van 3 april 2001 zijn verschenen en gehoord gemachtigde voornoemd, alsmede namens de inspecteur mr. B, vergezeld van C. Gemachtigde heeft ter zitting "Aandachtspunten/Grieven" voorgedragen en op schrift overgelegd.

1.6. Bij brief van de griffier van 13 juni 2001 heeft het Hof aan de Belastingdienst Ondernemingen Enschede nadere inlichtingen gevraagd over een dividenduitkering door

D B.V. De inlichtingen zijn verstrekt bij brief van 6 juli 2001. Bij brieven van 18 juli 2001 zijn nadere inlichtingen ingewonnen bij de Belastingdienst Ondernemingen Almelo en de Belastingdienst Particulieren Zutphen. Zij hebben geantwoord bij brief van onderscheidenlijk 11 september 2001 en 24 september 2001. De verstrekte inlichtingen zijn bij brieven van 26 september 2001 aan partijen toegezonden ten einde hierop te kunnen reageren. Gemachtigde heeft dienaangaande gereageerd bij brief van 23 oktober 2001. De inspecteur heeft zulks gedaan bij brief van 31 oktober 2001. Bij brieven van 1 november 2001 heeft de griffier de reacties van partijen aan haar wederpartij toegezonden. Desverzocht hebben partijen te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling van de zaak.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1942, heeft sinds 12 augustus 1988 een aandelenbezit van 35% in D B.V. (hierna: D BV), welke vennootschap sinds lang fungeert als beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb).

2.2. Op eigen verzoek houdt D BV per 1 januari 1997 op als een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet Vpb te fungeren. Met betrekking tot de vrijval van haar herbeleggingsreserve en afrondingsreserve maakt zij in dit verband gebruik van de regeling tot afrekening tegen een tarief van 15%. Voorts keert D BV aan haar aandeelhouders in 1997 een dividend uit: op 18 april ten laste van de reserves 1996 een dividend ten bedrage van ƒ 4.213 en op 28 april ten laste van de reserves 1997 een dividend ten bedrage van ƒ 133.333. Belanghebbende ontvangt van beide dividenduitkeringen 35% ofwel ƒ 1.474 onderscheidenlijk ƒ 46.666.

2.3. In de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 geeft belanghebbende in de rubriek "Reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang" ƒ 46.666 aan en vermeldt hij in de rubriek "Bijzonder tariefinkomen" hetzelfde bedrag. Het aangegeven belastbare inkomen bedraagt ƒ 141.110. De aanslag wordt dienovereenkomstig vastgesteld. Hiervan wordt belanghebbende een aanslagbiljet gezonden met dagtekening 30 juni 1998.

2.4. Bij brief van 28 september 1998 renseigneert de Belastingdienst Ondernemingen Enschede de inspecteur, voor zover hier van belang, als volgt:

"Belastingplichtige X (…) te Amsterdam, heeft voor het belastingjaar 1997 f 46.667 dividenduitkering ontvangen van D BV (…) welke op basis van artikel 57a lid 3 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 tegen het progressief tarief belast is."

2.5. Na correspondentie met gemachtigde over de gerenseigneerde mededelingen legt de inspecteur op 21 januari 2000 de bestreden navorderingsaanslag op, bij welke belastingaanslag het dividend van ƒ 46.666 wordt belast op de voet van de tarieftabel van artikel 53a van de Wet IB'64.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of ter zake van het toepasselijke tarief sprake is van een feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en, zo ja, of ter zake van het dividend van ƒ 46.666 het tweede dan wel het derde lid van artikel 57a van de Wet IB'64 van toepassing is.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

4.2. Ter zitting heeft gemachtigde nog het volgende naar voren gebracht:

De inspecteurs te Deventer en Zutphen hebben bij de broer en zuster van belanghebbende het bijzondere tarief toegepast. Daarover bestaat geen correspondentie. Ook zij hebben een toelichting bij hun aangifte meegestuurd. Uit de toelichting bij de aangifte van belanghebbende blijkt dat ter zake van een dividenduitkering van een en dezelfde BV aangifte wordt gedaan naar twee verschillende tarieven. Gesteld al dat de toelichting bij de aangifte heeft ontbroken, ook dan had de inspecteur niettemin beter kunnen weten door de grootte van het dividendbedrag. Die was anders dan in voorgaande jaren. Uit de aangifte is het totale uitgekeerde bruto dividend van ƒ 133.333 af te leiden. Met de op het voorblad van de aangifte vermelde 2 bijlagen zijn bedoeld de jaarrekening en de bijlage.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende opgemerkt:

De gegevens van D BV bevinden zich in een lokaal bestand. Alleen de medewerkers van Ondernemingen Enschede hebben toegang tot dat bestand. Ondernemingen Amsterdam heeft die toegang niet. Reden om het dossier op te vragen was er niet. De aangifte zag er correct en logisch uit. In dat geval bestaat geen verdere inspanningsverplichting. De toelichting bij de aangifte die belanghebbende het beroepschrift heeft overgelegd, is niet ter inspectie ontvangen bij de ingediende aangifte. Daarbij bevonden zich uitsluitend 2 bijlagen, te weten blad 1 en blad 2. De wettelijke regeling bij "te vroeg" uitgekeerd dividend is duidelijk er is geen vrijheid daarvan af te wijken, ook al zal D BV niet de bedoeling hebben gehad de aandeelhouders te benadelen. Vanwege uitvoeringsproblemen heeft de staatssecretaris van Financiën voor situaties als deze geen uitzondering gemaakt. Het is mij niet bekend of ook ter zake van de broer en zuster van belanghebbende is gerenseigneerd.

5. Beoordeling van het geschil

Wat er zij van de al dan niet aanwezigheid van een feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, het Hof is onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2002, nr. 36 795, gepubliceerd in V-N 2002, 27.5, blz. 2560, van oordeel dat de dividenduitkering van ƒ 46.666 moet worden belast naar het tarief van 25%, nu, naar tussen partijen niet in geschil is, dit dividend de op grond van artikel 28, tweede lid, letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ter beschikking te stellen winst te boven gaat. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende. De bestreden navorderingsaanslag moet worden vernietigd.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur niet in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van belanghebbende vastgesteld op € 966, te weten € 322 x 2 (voor proceshandelingen) x 1,5 (voor gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

- vernietigt de navorderingsaanslag,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van € 966 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van ƒ 60 (= € 27,23) aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan op 2 juli 2002 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van het beroep ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.