Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5182

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2002
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
01/4080
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woz. Verweerder heeft geen taxatierapport overgelegd en geen, althans onvoldoende inzicht verschaft in de kenmerken van de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning naar waardepeildatum 1 januari 1999 hoger was dan belanghebbende stelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/269

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd afdeling Financiën en Onderwijs van de gemeente Schagen, verweerder, gedagtekend 12 oktober 2001, betreffende een beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Schagen is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 mei 2002.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de bij de beschikking vastgestelde waarde tot ƒ 300.000 (€ 136.134) ; en

- gelast de gemeente Schagen het gestorte griffierecht ad ƒ 60 (€ 27,23) aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak a-straat 1, postcode …, te Schagen. Bij een op naam van belanghebbende gestelde beschikking van 17 maart 2001 heeft verweerder de waarde van die zaak naar de waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op ƒ 371.000. Na bezwaar heeft verweerder bij de bestreden uitspraak de beschikking gehandhaafd.

2.1. De onder 1 vermelde onroerende zaak (hierna: de woning) bestaat uit een perceel grond met een oppervlakte van 220 m² en daarop een vrijstaande woning, gebouwd in 1936, met een inhoud van ongeveer 304 m³. Bij het huis behoort een aangebouwde garage. De woning is gelegen in een wijk met soortgelijke woningen.

2.2. Verweerder heeft geen taxatierapport van een deskundige of andere bewijsmiddelen van vergelijkbaar gewicht overgelegd. Wel heeft verweerder verwezen naar de woningen b-straat 1, a-straat 2, c-straat 1, a-straat 3 en d-straat 1, welke objecten enige tijd vóór of na de waardepeildatum zijn verkocht.

3. Verweerder stelt de waarde welke met inachtneming van artikel 17, tweede lid, en artikel 18 van de Wet waardering onroerende zaken op 1 januari 1999 aan de woning moet worden toegekend op ƒ 371.000. Belanghebbende stelt dat die waarde op 2 februari 2000 ƒ 370.000 bedraagt en dat de prijsstijging in 1999 19% en in 2000 20,3% was. Het Hof begrijpt dat belanghebbende stelt dat de waarde van de woning naar waardepeildatum 1 januari 1999 ƒ 300.000 bedraagt.

4. Het Hof stelt voorop dat op verweerder de last rust om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Hij heeft daartoe geen taxatierapport overgelegd. Voorts heeft verweerder geen, althans onvoldoende inzicht verschaft in de kenmerken van de verkochte objecten waarnaar hij verwijst, zodat het Hof zich geen oordeel kan vormen over de vergelijkbaarheid van deze objecten met de woning. Dat brengt het Hof tot het oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning naar waardepeildatum 1 januari 1999 hoger was dan ƒ 300.000. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

Proceskosten

Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende proceskosten heeft gemaakt als vermeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 11 juni 2002 door mr. Beukers-Van Dooren, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.