Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5173

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
01/02532
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen twee uitspraken op bezwaar betreffende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Belanghebbende stelt dat zijn bedrijfswinst moet worden verlaagd in verband met een naheffingsaanslag loonbelasting. De jaarstukken waren ten tijde van de vaststelling van de naheffingsaanslag naar ’s Hof oordeel reeds opgemaakt. Gesteld nog gebleken is dat het op dat moment reeds te verwachten was dat een naheffingsaanslag zou worden opgelegd, zodat goed koopmansgebruik niet toelaat dat deze post als een bedrijfslast wordt aanvaard. Voorts worden ter zake van het te laat indienen van de aangiften twee boetes, te weten een voor de inkomstenbelasting en een voor de WAZ opgelegd. Het Hof oordeelt dat artikel 67a AWR uitgaat van één aangifte. Als de inspecteur één aangiftebiljet uitreikt met daarop één termijn voor het inleveren ligt het naar ’s Hofs oordeel in de rede dat bij de te late indiening van dit biljet te dezer zake één boete wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1107
FutD 2002-1439
FED 2002/645

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Y, belanghebbende,

tegen

twee uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende zijn ter griffie twee beroepschriften ontvangen op 6 augustus 2001, ingediend door B te Q als zijn gemachtigde. Beide beroepschriften zijn tezamen aangevuld bij gemeenschappelijke brief van 20 september 2001 met verzoek de beroepen te voegen. De beroepen zijn gericht tegen de uitspraken van de inspecteur, gedagtekend 26 juni 2001, betreffende de aan belanghebbende met dagtekening 29 maart 2001 opgelegde aanslagen in het ene geval in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PH) en in het andere geval in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ), in beide gevallen voor het jaar 1999.

De aanslag IB/PH is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 48.053 en de aanslag WAZ naar een grondslag van ƒ 55.000. Voorts is in beide gevallen een verzuimboete opgelegd van ƒ 250.

Na bezwaar tegen de aanslagen zijn deze bij de bestreden uitspraken gehandhaafd.

1.2. Het gevoegde beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur en uiteindelijk primair tot vernietiging van de aanslagen en subsidiair tot aanslagen zonder verzuimboete.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraken.

1.4. Bij brieven van 29 maart en 11 april 2002 heeft belanghebbende nadere stukken ingezonden. De griffier heeft afschriften van deze stukken bij brief van 15 april 2002 aan de wederpartij gezonden.

1.5. Ter zitting van 23 april 2002 zijn verschenen en gehoord gemachtigde voornoemd, alsmede namens de inspecteur C. De inspecteur heeft ter zitting een

print van de gegevens van de aanslag WAZ overgelegd. Belanghebbende heeft hiervan kunnen kennis nemen en zich erover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 0000 en gehuwd, heeft zijn tot 1 januari 1999 uitgeoefende uitzendbureau per die datum ingebracht in de op 29 december 1998 opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D. Als directeur van D ontving belanghebbende in 1999 een arbeidsbeloning van ƒ 63.000. Voorts ontving belanghebbende een arbeidsbeloning van ƒ 21.405 van E. Belanghebbende is enig (middellijk) aandeelhouder van beide vennootschappen.

2.2. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting/ premies volksverzekeringen en WAZ, dat hem is uitgereikt op 12 februari 2000, ingediend op 8 januari 2001. De aangegeven ondernemingswinst bedroeg ƒ 166.634, de aangegeven lijfrentepremie ƒ 192.000 en de aangegeven heffingsgrondslag voor de WAZ ƒ 3.090. De aanslag IB/PH is conform het in de aangifte opgenomen belastbare inkomen van ƒ 48.053 berekend en opgelegd met een verzuimboete als bedoeld in artikel 67a (tekst 1999) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) ten bedrage van ƒ 250. De inspecteur heeft bij de aanslagregeling de heffingsgrondslag van de WAZ verhoogd tot ƒ 55.000 en de aanslag WAZ opgelegd met eveneens een verzuimboete van ƒ 250.

2.3. Bij D is met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 een boekenonderzoek gehouden. Dit onderzoek heeft geleid tot een naheffingsaanslag loonbelasting van ƒ 1.572.225 en een boete van ƒ 766.112. Voorts is aan belanghebbende, handelend onder de naam D, met dagtekening 21 september 2001 een naheffingsaanslagbiljet voor een aanslag loonbelasting over het tijdvak 1 februari 1998 tot en met 31 december 1998 toegezonden, vermeldende een bedrag van ƒ 311.831 aan loonbelasting, ƒ 149.885 aan boete en ƒ 30.602 aan heffingsrente. Tegen deze naheffingsaanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het belastbare inkomen van belanghebbende en de heffingsgrondslag van de WAZ moeten worden verminderd tot nihil wegens de naheffingsaanslag van 21 september 2001 en, zo neen, of de verzuimboetes van ƒ 250 elk ten onrechte zijn opgelegd.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

4.2. Ter zitting heeft gemachtigde nog het volgende naar voren gebracht:

Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de beide aanslagen moeten worden vernietigd, omdat de naheffingsaanslag van ƒ 342.433 (ƒ 311.831 + ƒ 30.602) als

bedrijfslast in aanmerking mag worden genomen. Hierdoor wordt het inkomen voor de inkomstenbelasting en voor de WAZ negatief. Ook de verzuimboetes vervallen alsdan. Het verweerschrift mag niet worden gepubliceerd.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende opgemerkt:

Bij het boekenonderzoek hebben zich problemen voorgedaan. Er loopt een bezwaarprocedure. Het is de vraag of de naheffingsaanslag 1998 in stand blijft. Aanvankelijk heeft belanghebbende met betrekking tot de onderwerpelijke aanslagen alleen bezwaar gemaakt tegen de opgelegde verzuimboetes. Voor 1998 loopt met betrekking tot de aanslag IB/PH geen bezwaar. Wel tegen de aanslag WAZ.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Heffingsgrondslag

5.1.1. Belanghebbende stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de winst van ƒ 166.634 moet worden verminderd met de bedrijfslast van ƒ 342.433, die wordt opgeroepen door de naheffingsaanslag loonbelasting van 21 september 2001. In de tweede plaats gaat belanghebbende ervan uit dat de kosten die zullen kunnen ontstaan uit zijn bestuurdersaansprakelijkheid voor de naheffingsaanslag loonbelasting, opgelegd aan D, in aanmerking dienen te worden genomen als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

5.1.2. De jaarstukken van de onderneming van belanghebbende zijn, naar mag worden aangenomen, uiterlijk opgemaakt ten tijde van de indiening van de aangifte inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar, te weten 8 januari 2001, aangezien in een bijlage bij die aangifte melding wordt gemaakt van de jaarstukken. Op dat moment was de naheffingsaanslag loonbelasting, welke aan belanghebbende is bekend gemaakt op 21 september 2001, nog niet vastgesteld. Voorts is gesteld noch overigens gebleken dat op 8 januari 2001 was te verwachten dat een dergelijke naheffingsaanslag zou worden vastgesteld. Daarbij past en dit sluit aan op de omstandigheid dat bij de brief van 4 april 2001 alleen bezwaar is gemaakt tegen de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete en niet tegen de heffingsgrondslag. Gelet op een en ander en ervan afgezien dat tegen de naheffingsaanslag bezwaar is gemaakt en deze derhalve nog niet onherroepelijk vaststaat, laat goed koopmansgebruik niet toe dat uit dezen hoofde reeds voor het jaar 1999 een bedrijfslast wordt aanvaard. In zoverre is het beroep niet gegrond.

5.1.3. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat in geval van vastgestelde bestuurdersaansprakelijkheid ter zake van de aan D opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting moet worden gesproken van aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van de Wet, geldt op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet dat aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen op het tijdstip waarop zij zijn betaald of verrekend dan wel rentedragend zijn geworden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verondersteld aanwezige kosten uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid in 1999 zijn betaald of verrekend dan wel rentedragend zijn geworden. Trouwens, zolang de bestuurdersaansprakelijkheid niet is vastgesteld, laat zich ook niet goed denken dat de kosten te dezer zake zijn betaald of verrekend dan wel rentedragend zijn geworden. Ook in zoverre is het beroep niet gegrond.

5.2. Verzuimboete

5.2.1. Vaststaat dat voor het onderhavige jaar zowel bij de aanslag IB/PH als bij de aanslag WAZ aan belanghebbende een verzuimboete van ƒ 250 is opgelegd. Belanghebbende bestrijdt de juistheid van deze oplegging, omdat belanghebbende zijn uiterste best heeft gedaan zijn fiscale zaken correct te regelen en ook de fiscus, maar dan straffeloos, fouten maakt. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de boetes overeenkomstig het bepaalde in artikel 67a van de Awr zijn opgelegd.

5.2.2. In artikel 67a van de Awr is bepaald dat gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete van ten hoogste ƒ 2500 kan worden opgelegd, indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van de Awr gestelde termijn heeft gedaan. Artikel 9, derde lid, van de Awr schrijft voor dat de inspecteur niet eerder dan na verloop van de door hem gestelde, eventueel verlengde, termijn voor het doen van aangifte de belastingplichtige kan aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen. Artikel 67a van de Awr heeft het oog op deze laatste termijn.

5.2.3. Vaststaat dat aan belanghebbende op 12 februari 2000 één aangiftebiljet is uitgereikt voor het doen van aangifte met betrekking tot de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen en WAZ. De inspecteur heeft niet vermeld welke termijn door hem is gesteld ingevolge artikel 9, derde lid, van de Awr. Belanghebbende heeft evenwel niet betwist dat de aangifte te laat, dat wil zeggen na de hem ingevolge artikel 9, derde lid, van de Awr gestelde termijn, is ingediend. Het Hof houdt het dan ook ervoor dat tussen partijen buiten geschil is dat de aangifte te laat is ingediend.

5.2.4. Naar het oordeel van het Hof heeft in een geval van het te laat indienen van de aangifte het volgende te gelden. Artikel 67a van de Awr gaat uit van de aangifte. Een uitnodiging tot het doen van aangifte geschiedt door middel van de uitreiking van een aangiftebiljet. Als de inspecteur één aangiftebiljet uitreikt met daarop één termijn voor het inleveren van het ingevulde aangiftebiljet, ligt het in de rede dat bij te late indiening van dit biljet, de te beboeten handeling, te dezer zake eenmalig een verzuimboete wordt opgelegd. Voorts spreekt artikel 67a van de Awr over "de aangifte voor een belasting". Het uitgereikte aangiftebiljet nodigt uit tot het doen van aangifte voor één belasting, te weten de inkomstenbelasting, en voor twee premies, te weten die voor de volksverzekeringen en die voor de WAZ. Niet valt in te zien waarom ter zake van de premie volksverzekeringen niet en ter zake van de premie WAZ wel een afzonderlijke verzuimboete behoort te worden opgelegd. In dit verband wijst het Hof mede op het bepaalde in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Waar het bij de onderhavige verzuimboete gaat om het inscherpen van de tijdige indiening van een aangiftebiljet is ook in dat opzicht een eenmalige boete passend, zodat de boete ter zake van de premie WAZ dient te vervallen. In zoverre is het beroep gegrond.

5.2.5. Voor zover belanghebbende te dezer zake voorts een beroep doet op afwezigheid van alle schuld, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is geweest. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, volgt zulks niet zonder meer uit de omstandigheid dat hij zijn uiterste best heeft gedaan. Bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden, zijn niet gesteld en ook niet van elders gebleken. In zoverre is het beroep niet gegrond.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur niet in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van belanghebbende vastgesteld op € 322, te weten € 322 x 2 (voor proceshandelingen) x 0,5 (voor gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur betreffende de aanslag WAZ en bevestigt de uitspraak van de inspecteur betreffende de aanslag IB/PH,

- vernietigt de bij de aanslag WAZ genomen beschikking betreffende de verzuimboete,

- handhaaft de aanslag WAZ voor het overige,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van € 322 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van ƒ 60 (= € 27,23) aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan op 25 juni 2002 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Blokland, leden, in tegenwoordigheid van mr. Kreijns-Mostermans als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van het beroep ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.