Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE5168

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2002
Datum publicatie
11-07-2002
Zaaknummer
00/2358
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen verrekening Japanse, Canadese en Italiaanse bronbelasting op rentebetalingen die behoren tot de vrijgestelde winst van een vaste inrichting in België. Toepassing HR 8 februari 2002, V-N 2002/9.11

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1124
FutD 2002-1422
V-N 2002/36.2.6
V-N 2002/59.10

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V., gevestigd te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belas-ting-dienst Grote ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 juli 2000, ingediend door de gemachtigde en aangevuld bij brief van 25 september 2000.

Het beroep is ge-richt tegen de uit-spraak van de in-spec-teur, gedag-te-kend 30 mei 2000 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1993.

De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van f 34.179.000, zonder verrekening van buitenlandse bronbelasting, en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 34.179.000 met verrekening van f 1.132.972 aan buitenlandse bronbelasting.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep, subsidiair tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag door verrekening van f 23.271 aan buitenlandse bronbelasting.

Belanghebbende heeft met toestemming van het Hof een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft daarop gereageerd met een conclusie van dupliek.

Ter zitting van 5 december 2001 zijn verschenen de gemachtigde alsmede de inspecteur. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Deze pleitnota's worden tot de gedingstukken gerekend. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

Na de zitting heeft het Hof bij brieven van de griffier van 6 december 2001 schriftelijk vragen gesteld aan de gemachtigde van belanghebbende en aan de inspecteur. De inspecteur heeft daarop geantwoord bij brief van 7 januari 2002, de gemachtigde bij brief van 14 januari 2001. De inspecteur, daartoe in de gelegenheid gesteld bij brief van de griffier van 21 januari 2002, heeft bij brief van 5 februari 2002 gereageerd op de brief van de gemachtigde van 14 januari 2002. De gemachtigde, daartoe in de gelegenheid gesteld bij brief van de griffier van 21 januari 2002, heeft bij brief van 13 februari 2002 gereageerd op de brief van de inspecteur van 7 januari 2002.

Het Hof heeft partijen bij brief van 11 februari 2002 verzocht aan te geven welke consequenties het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2002, nr. 36155, naar hun mening heeft voor de onderhavige zaak. De gemachtigde heeft daarop gereageerd bij faxbericht van 20 februari 2002. De inspecteur heeft de griffier telefonisch te kennen gegeven van de hem geboden mogelijkheid geen gebruik te willen maken.

Bij brief van 21 februari 2002 heeft de griffier partijen meegedeeld dat de schriftelijke behandeling ten einde is en heeft hun verzocht aan te geven of een nadere zitting op prijs wordt gesteld. Beide partijen hebben hierop te kennen gegeven - de inspecteur bij faxbericht van 6 maart 2002, de gemachtigde bij brief van 26 maart 2002 - af te zien van een nieuwe mondelinge behandeling. Van laatstgenoemde brief - die voorts nog een inhoudelijke reactie bevatte op de brief van de inspecteur van 5 februari 2002, heeft de griffier bij brief van 4 april 2002 een afschrift gezonden naar de inspecteur. Bij brief, eveneens van 4 april 2002, heeft de griffier de gemachtigde nogmaals meegedeeld dat de schriftelijke behandeling is beëindigd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is in 1986 deel gaan uitmaken van het A-concern, dat in 1995 is gefuseerd met het X-concern waarna belanghebbende haar huidige naam heeft gekregen.

2.2. Belanghebbende ontwikkelt houdster-, productie- en verkoopactiviteiten. Met een tweetal in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen vormt zij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

2.3. Medio 1989 heeft belanghebbende een zogenoemd coördinatiecentrum opgezet in Brussel. Dit coördinatiecentrum, dat - ook voor verdragsdoeleinden - als vaste inrichting is aangemerkt, is financieringsactiviteiten ten behoeve van het concern gaan ontwikkelen. Sinds 1989 worden leningen verstrekt aan Japanse groepsmaatschappijen. In 1990 zijn eveneens leningen verstrekt aan Canadese groepsmaatschappijen en in 1993 aan Italiaanse groepsmaatschappijen.

2.4. In de jaren 1989 tot en met 1993 heeft belanghebbende (via het Belgische coördinatiecentrum) rente ontvangen uit hoofde van de in 2.3. vermelde leningen. Op de desbetreffende interestbetalingen is in Japan, Canada en Italië bronbelasting ingehouden.

2.5. In haar aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 1989 tot en met 1991 heeft belanghebbende jaarlijks aanspraak gemaakt op vrijstelling van de gehele winst van de vaste inrichting in België, telkens verminderd met een bedrag van f 500.000 per jaar (in 1989: f 250.000). Daarnaast is aanspraak gemaakt op verrekening van de door Japan, Canada en Italië ingehouden bronbelasting. In verband, enerzijds, met een groot verlies in het jaar 1992 en de terugwenteling daarvan naar de jaren 1989 tot en met 1991, anderzijds met vrijstelling van de Belgische vaste-inrichtingswinst, is belanghebbende over de jaren 1989 tot en met 1992 - ook afgezien van eventuele verrekening van buitenlandse bronbelasting - geen vennootschapsbelasting verschuldigd geworden, zodat verrekening van die bronbelasting tot het onderhavige jaar niet aan de orde is kunnen komen.

2.6. In haar aangifte over het onderhavige jaar heeft belanghebbende de voor vrijstelling in aanmerking komende winst van haar Belgische vaste inrichting berekend op f 16.521.180 doch in verband met "inhaal" van een groot vaste-inrichtingsverlies uit 1992 leidt zulks niet tot vermindering van de verschuldigde belasting. Wel maakt belanghebbende aanspraak op vermindering van de verschuldigde belasting uit hoofde van verrekening met de in 1993 en eerdere jaren ingehouden buitenlandse bronbelasting tot een totaal bedrag van f 988.667.

In het beroepschrift neemt belanghebbende nader het standpunt in dat in totaal f 1.132.972 aan bronbelasting dient te worden verrekend.

3. Geschil

Primair is in geschil of belanghebbende recht heeft op verrekening van bronbelasting uit hoofde van de belastingverdragen tussen Nederland en, respectievelijk, Japan, Canada en Italië . De inspecteur is van mening dat voor een dergelijke verrekening in het geheel geen plaats is omdat de bronbelasting betrekking heeft op rentebaten die zijn begrepen in de - op grond van het belastingverdrag met België vrijgestelde - winst van de vaste inrichting in België. Belanghebbende is van mening dat plaats is voor verrekening náást de vrijstelling, omdat het recht op verrekening voortvloeit uit verdragen die afzonderlijk, náást het verdrag met België, toepassing dienen te vinden.

Indien het gelijk inzake het primaire geschilpunt aan belanghebbende is, is vervolgens in geschil of de verrekening van bronbelasting alleen kan plaatsvinden met bronbelasting die is ingehouden in 1993 - zoals de inspecteur stelt - of tevens met bronbelasting die is ingehouden in de jaren 1989 tot en met 1992 - hetgeen belanghebbende verdedigt.

Indien het gelijk inzake het primaire geschilpunt aan de inspecteur is, is vervolgens in geschil of belanghebbende recht heeft op verrekening van bronbelasting die is toe te rekenen aan de bedragen van jaarlijks f 500.000 (in 1989: f 250.000) die bij de berekening van de voor vrijstelling in aanmerking te nemen winst in mindering zijn gebracht op de gehele winst van de Belgische vaste inrichting.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder de pleitnota's en het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2001.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 8 februari 2002, nr. 36155, onder meer gepubliceerd in Vakstudie-Nieuws 2002/9.11, heeft artikel 24, lid 2, onderdeel c, van het Belastingverdrag met Japan - waarin het recht van Nederlandse belastingplichtigen op verrekening van Japanse bronbelasting is vervat - de strekking te voorkomen dat Nederland voor de in die bepaling bedoelde bestanddelen van het inkomen, welke in Japan mogen worden belast, een vermindering van belasting verleent welke groter is dan het bedrag van de Nederlandse belasting dat zonder een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ter zake van die bestanddelen verschuldigd zou zijn. Bij de berekening van de belasting die zonder de vermindering op grond van voornoemd artikel 24, tweede lid, onderdeel c, verschuldigd zou zijn, dient - zoals de Hoge Raad in evengenoemd arrest voorts heeft overwogen - met alle voor die berekening van belang zijnde regels rekening te worden gehouden, waaronder ook eventuele andere op de desbetreffende inkomstenbestanddelen van toepassing zijnde regelingen ter voorkoming van dubbele belastingheffing.

5.2. In casu dient dus rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat - naar tussen partijen terecht niet in geschil is - over het op grond van het Belastingverdrag met België aan België ter heffing toegewezen gedeelte van de interestbetalingen feitelijk in Nederland geen belasting verschuldigd is. Verrekening van de over dit gedeelte van de interest ingehouden bronbelasting met in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting zou - naar volgt uit hetgeen de Hoge Raad in zijn voornoemde arrest heeft overwogen - in strijd komen met de strekking van artikel 24, lid 2, onderdeel c, van het Belastingverdrag met Japan.

5.3. Nu de strekking van de verrekeningsbepalingen in het Belastingverdrag met Canada - artikel 22, lid 3, van dat verdrag - en het Belastingverdrag met Italië - artikel 24, lid 3, van dat verdrag - geen andere is dan die van de verrekeningsbepaling in het Belastingverdrag met Japan, komt ook de door Canada, respectievelijk Italië, ingehouden bronbelasting niet voor verrekening in aanmerking voor zover de interestbetalingen waarop die bronbelasting is ingehouden op grond van het Belastingverdrag met België ter heffing is toegewezen aan België.

5.4. Het gelijk op het primaire geschilpunt is derhalve aan de inspecteur. Te beslissen is nog in hoeverre de onderhavige interestbetalingen op grond van het Belastingverdrag met België ter heffing aan België zijn toegewezen.

5.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de vorderingen waarop de interest is ontvangen, geheel tot het vermogen van de Belgische vaste inrichting behoren. Alsdan dient, bij gebreke van enige aanwijzing voor het tegendeel, te worden geoordeeld dat die interest geheel is begrepen in de winst van de Belgische vaste inrichting die ingevolge artikel 7 van het Belastingverdrag met België ter heffing aan België is toegewezen.

5.6. Daaraan doet de omstandigheid dat belanghebbende in haar aangiften jaarlijks een bedrag van f 500.000 op de gehele winst van de vaste inrichting in mindering heeft gebracht, niet af, ook al zou - naar belanghebbende thans in afwijking van die aangiften stelt - dat bedrag niet haar grond vinden in een vergoeding voor dienstverlening door het Nederlandse hoofdkantoor. De vragen of de bedoelde bedragen terecht in mindering op de winst van de vaste inrichting zijn gebracht, en zo ja, uit welken hoofde, kunnen in het midden blijven nu die bedragen in ieder geval niet als (aan Nederland ter heffing toegewezen) interest kunnen worden aangemerkt en de subsidiaire stelling van belanghebbende ook overigens niet kan leiden tot vermindering van de onderhavige aanslag (doch hoogstens tot vermindering van het in te halen verlies bij de berekening van de vrij te stellen vaste-inrichtingswinst in enig volgend jaar).

5.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat ook de subsidiaire stelling van belanghebbende faalt, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

6. Proceskosten

Nu het beroep ongegrond is, en zich geen bijzondere omstandigheden voordoen, komt het Hof niet toe aan veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 12 juni 2002 door mrs. Smit, voor-zit-ter, Den Boer en Van Sonderen, leden van de belas-ting-kamer, in tegen-woor-dig-heid van mr. Van Berkensteijn als grif-fier.

Bij afwezigheid van mr. Smit en mr. Van Berkensteijn is de beslissing op die datum ter open-bare zit-ting uit-ge-sproken door mr. Den Boer en is de uitspraak ondertekend door mr. Den Boer, lid van de belastingkamer, en mr. Koning als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij

dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.