Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE4518

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
23-001204-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. ongeveer 10.010,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet;

2. leidinggevende positie in de organisatie;

60 maanden gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrestnummer:

Rolnummer: 23-001204-01

Datum uitspraak: 22 maart 2002

Tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 12 april 2001 in de strafzaak onder de parketnummers 15/031496-00 en 10/041715-99 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] (Dominicaanse Republiek) op [datum] 1979,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. De Schie,

3041 JL Rotterdam, Professor Jonkersweg 7.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 29 maart 2001 en in hoger beroep van 8 maart 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

3. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

4. De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

hij op 17 december 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 10.010,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

7. De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan de invoer van een aanzienlijke hoeveelheid - namelijk meer dan 10 kilogram - cocaïne, welke hoeveelheid geschikt is voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne is een hard drug. Hard drugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.

Op dit ernstige feit dient in beginsel te worden gereageerd met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf heeft het hof mee laten wegen dat op grond van de stukken van het dossier en de behandeling van de zaak in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de verdachte, die immers voor een vliegticket zorgde en als begeleider en controleur van de daadwerkelijke koerier van de verdovende middelen bij het op Schiphol ophalen van de koffer waarin de cocaïne verborgen bleek, is opgetreden, een meer leidinggevende positie in de organisatie inneemt. Het hof bepaalt de duur van de gevangenisstraf in dit geval op zestig maanden, welke straf eveneens door de rechtbank is opgelegd en ook door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep is gevorderd.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 14 januari 2002 en een Voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland van 3 oktober 2001, opgesteld door M. Camphuijzen-Vos.

De onder de verdachte inbeslaggenomen telefoontoestellen (een mobiel MOTOROLA telefoontoestel en een mobiel NOKIA telefoontoestel) en gelden (Nederlands en buitenlands geld), die aan de verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp daarvan het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 28 december 1999 gevorderd waarbij de verdachte wegens handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie bij verstek is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar binnen welke periode, kort samengevat, de verdachte zich niet behoorde schuldig te maken aan het plegen van een nieuw strafbaar feit.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt niet wanneer voormeld vonnis onherroepelijk is geworden en wanneer de kennisgeving betreffende voornoemd vonnis aan de verdachte is uitgereikt, zodat onvoldoende zekerheid bestaat dat de bedoelde proeftijd is ingegaan. Het hof acht het openbaar ministerie op deze grond niet-ontvankelijk in zijn vordering.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 60 (ZESTIG) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1 mobiel MOTOROLA telefoontoestel, kl: zwart,

- 1 mobiel NOKIA telefoontoestel, kl: zwart,

- Nederlands geld: 10 x fl. 100,-, 2 x fl. 25,- en 1 x fl. 10,- en

- buitenlands geld: 1 x 50 USD.

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

- 1 adresboek,

- 1 notitie en memo.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 10/041715-99.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Wiewel, Verspyck Mijnssen en De Winter, in tegenwoordigheid van mr. Peters als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 maart 2002.

Mr. Wiewel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.