Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE4515

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
26-06-2002
Zaaknummer
23-003425-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003425-01

datum uitspraak 26 maart 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank

te Alkmaar van 18 september 2001

in de strafzaak onder parketnummer 14/010085-01

tegen

[verdachte],

geboren op [datum] 1966 te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Vught Nieuw Vosseveld,

5263 NT Vught, Lunettenlaan 501 Vught.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 september 2001 en in hoger beroep van 12 maart 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 is tenlastegelegd, met dien verstande dat,

ten aanzien van feit 1

hij op 27 februari 2001 in de gemeente Hoorn (NH) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een doos met briljanten, toebehorende aan een persoon, genaamd [slachtoffer A], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer A] meermalen met een hamer met kracht op diens hoofd heeft geslagen, tengevolge van welk feit die [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel (zes forse hoofdwonden en een gebroken enkel en/of een breuk in het linker onderbeen) heeft bekomen;

ten aanzien van feit 2

hij op 8 maart 2001 in de gemeente Hoorn (NH) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel (sigarenspeciaalzaak) gelegen aan [straat] heeft weggenomen een portefeuille met een geldbedrag van ongeveer 400 gulden toebehorende aan een persoon, genaamd [slachtoffer B], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer B] met kracht heeft geduwd.

ten aanzien van feit 3

hij op 14 maart 2001 in de gemeente Hoorn (NH) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 400 gulden, toebehorende aan "[winkelketen]", waarbij verdachte dat geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen een persoon, genaamd [slachtoffer C], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een mes heeft getoond en getoond heeft gehouden aan die [slachtoffer C], die zich in de nabijheid van hem, verdachte, bevond, en daarbij die [slachtoffer C] de woorden heeft toegevoegd "make no noise, make no noise, otherwise I will come back and kill you".

ten aanzien van feit 4

hij op 17 maart 2001 in de gemeente Enkhuizen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkel gelegen aan de [...]straat heeft weggenomen een hoeveelheid fotocamera's en videocamera's en digitale fotocamera's en een geldbedrag van ongeveer ƒ 1.500,-, toebehorende aan "Foto [winkel]", waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen en maatregelen

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan een drietal roofovervallen en een bedrijfsinbraak. Bij twee van de drie roofovervallen heeft hij gebruik gemaakt van grof geweld of bedreiging met geweld.

Bij de roofoverval op de juwelier, [slachtoffer A], heeft verdachte de juwelier meerdere keren met een hamer op diens hoofd geslagen. Het handelen van verdachte is op [slachtoffer A] overgekomen alsof verdachte hem wilde vermoorden en [slachtoffer A] heeft voor zijn leven gevreesd.

De overval op "[winkelketen]" is gepaard gegaan met een voor het slachtoffer levenbedreigende situatie doordat verdachte zijn bedreigingen kracht bijzette met een groot mes en het slachtoffer in niet mis te verstane bewoordingen met de dood bedreigde.

Het is algemeen bekend dat dergelijke vormen van gewelddadig handelen voor de slachtoffers ook langdurige psychische gevolgen hebben. In het bijzonder moet rekening worden gehouden met langdurige psychische en fysieke gevolgen voor [slachtoffer A]. Voor ieder van de roofovervallen en de bedrijfsinbraak geldt overigens dat hierdoor materiële schade is toegebracht aan de slachtoffers en dat dergelijke handelingen gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

Het hof heeft gelet op een op naam van verdachte staand uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 18 januari 2002 en op de inhoud van een de verdachte betreffende "Antecedent History" van de West Midlands Police in Groot-Brittannië van 3 september 2001. Uit laatstgenoemd document blijkt dat verdachte reeds eerder terzake van gewelddadige vermogensdelicten tot langdurige gevangenisstraffen is veroordeeld.

Het hof heeft kennis genomen van een over verdachte uitgebracht voorlichtingsrapport van Jellinek, Justitiële Verslavingszorg van 18 juni 2001.

De verdachte is vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met geweld, hetgeen zijn persoonlijkheid mede heeft bepaald. Van belang is ook dat verdachte thans serieus werkt aan het te boven komen van zijn verslaving aan hard drugs.

Alles in aanmerking genomen doet de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht aan de feiten, maar is de door het openbaar ministerie gevorderde straf weer te zwaar. Een gevangenisstraf van na te noemen duur acht het hof passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een jas, colbert merk Next, kleur zwart en een shirt die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien ter terechtzitting is gebleken dat met behulp van die voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een mes, een pijp en een betonschaar, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien ter terechtzitting is gebleken dat met behulp van het mes het bewezenverklaarde onder 3 is begaan of voorbereid en dat met behulp van de pijp en de betonschaar het bewezenverklaarde onder 4 is begaan of voorbereid en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een sleutel en twee pillen, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu ten aanzien van die voorwerpen thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van de door de strafbare feiten toegebrachte schade, zoals hierna vast te stellen, dienen voorts schadevergoedingsmaatregelen te worden opgelegd.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen tot schadevergoeding

[slachtoffer A], wonende te [adres slachtoffer A], heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van € 14.861,43 (ƒ 32.750,29) ingediend.

De verdachte heeft de vordering van [slachtoffer A] ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.

De vordering van [slachtoffer A] zal tot een bedrag van € 14.861,43 worden toegewezen, nu aannemelijk is dat door hem tengevolge van het bewezenverklaarde schade is geleden en wel tot dat bedrag.

[slachtoffer B], wonende te [adres slachtoffer B], heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van ( 5.993,- (= € 2.719,50) ingediend.

De vordering van [slachtoffer B] is in eerste aanleg tot een bedrag van ƒ 697,50 (= € 316,51) toegewezen en voor het overige afgewezen. Niet is gebleken dat zij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep wederom als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd. Op grond van artikel 421, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering duurt de voeging voorzover de gevorderde schadevergoeding in eerste aanleg is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

De verdachte heeft de vordering van [slachtoffer B] ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.

De vordering van [slachtoffer B] zal tot een bedrag van € 316,52 worden toegewezen, nu aannemelijk is dat door haar tengevolge van het bewezenverklaarde schade is geleden en wel tot dat bedrag.

Nu de benadeelde partij A. [winkel], wonende te [adres slachtoffer A], in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering, en niet is gebleken dat zij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in hoger beroep wederom als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, dient haar vordering buiten beschouwing te blijven.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 7 (ZEVEN) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

en voorts

Verklaart verbeurd: 1 jas, colbert merk Next, kleur zwart en een shirt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: een mes, een pijp en een betonschaar.

Gelast de bewaring van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een sleutel en twee pillen, ten behoeve van de rechthebbende.

Veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij J.R. [slachtoffer A], wonende te [adres slachtoffer A], € 14.861,43 (VEERTIENDUIZENDACHT-HONDERDEENENZESTIG EURO EN DRIEENVEERTIG CENT) te betalen, vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer A], te betalen een som geld ten bedrage van € 14.861,43 (VEERTIENDUIZENDACHTHONDERDEENENZESTIG EURO EN DRIEENVEERTIG CENT), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 70 (ZEVENTIG) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat de betaling aan de benadeelde partij in mindering strekt op de betalingsverplichting aan de Staat.

Bepaalt dat de betaling aan de Staat in mindering strekt op de betalingsverplichting aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij [slachtoffer B], wonende te [adrers slachtoffer B], € 316,52 (DRIEHONDERDZESTIEN EURO EN TWEEENVIJFTIG CENT) te betalen, vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer B], te betalen een som geld ten bedrage van € 316,52 (DRIEHONDERDZESTIEN EURO EN TWEEENVIJFTIG CENT), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (ZES) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat de betaling aan de benadeelde partij in mindering strekt op de betalingsverplichting aan de Staat.

Bepaalt dat de betaling aan de Staat in mindering strekt op de betalingsverplichting aan de benadeelde partij.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Chorus, Nuis en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr. Wildeman als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2002.