Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE4177

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
01/02317
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Buitengewone lastenaftrek afschrijving auto in verband met ziekte en invaliditeit gehonoreerd. Hof is niet bevoegd te oordelen over verrekening uit hoofde van de Invorderingswet. Geen toekenning smartengeld of schadevergoeding: inspecteur is bij de aanslagregeling terecht op basis van de door hem aangevoerde gronden afgeweken van de ingediende aangifte en gronden op basis waarvan belanghebbende in het gelijk wordt gesteld zijn allen eerst in de bezwaar- en beroepsfase naar voren zijn gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-1258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijftiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen 1997 gedaan van een belastbaar inkomen van ¦ 14.126. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 met dagtekening 26 november 1999 in afwijking van deze aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ¦ 22.591 en op basis van artikel 64 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) een zogenoemde 'nihil' aanslag vastgesteld. Nadat belanghebbende op 30 november 1999 tegen deze aanslag in bezwaar is gegaan heeft de inspecteur op 8 december 2000 uitspraak op het bezwaar gedaan en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 22.258. Het tegen deze uitspraak gerichte beroepschrift is op

18 januari 2001 binnengekomen ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

1.2. Omdat belanghebbende ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar woonachtig was te Q heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de zaak voor een inhoudelijke behandeling doorverwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam alwaar de zaak door de Vijftiende Enkelvoudige Belastingkamer is behandeld ter zitting van 22 februari 2002. Belanghebbende heeft bij brief van 5 februari 2002 nadere stukken ingediend. Op de zitting zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur, A. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en deze tezamen met een aantal bijlagen overgelegd. De inspecteur heeft van deze bijlagen kennis genomen en zich erover uit kunnen laten. De inspecteur heeft een afschrift van een rapport van de ombudsman overgelegd. Belanghebbende beschikte tevens over een exemplaar daarvan en heeft zich daaromtrent kunnen uitlaten. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld na de zitting nadere informatie aan het Hof te doen toekomen. De desbetreffende brief met bijlagen is op 27 februari 2002 ter griffie van het Hof ingekomen. De inspecteur heeft ter zitting aangegeven geen behoefte te hebben aan kennisneming van deze stukken noch de wens te hebben zich er over uit te laten. Op basis van de door belanghebbende aangeleverde gegevens heeft de griffier de ANWB te Den Haag bij brief van 17 april 2002 verzocht om toezending van autokoerslijstgegevens. De ANWB heeft deze gegevens bij brief van 18 april 2002 aan het Hof doen toekomen. De griffier heeft deze gegevens bij brief van 7 mei 2002 aan belanghebbende gezonden en belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. Belanghebbende heeft in haar brief van 16 mei 2002 een reaktie gegeven. De ter zitting overgelegde stukken en eerder genoemde brieven met bijlagen worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Het belastbaar inkomen van belanghebbende bestond in het onderhavige jaar onder meer uit een RWW-uitkering van ¦ 19.868. In verband met uitgaven voor ziekte en invaliditeit heeft belanghebbende de volgende bedragen als buitengewone lasten afgetrokken.

Allergiekosten (dieetkosten) 12 maal 150 ¦ 1.800

Ziekenfondspremie ¦ 1.188

Ziekenfondspremie (nominale premie) ¦ 478

Tandarts ¦ 84

Autokosten i.v.m. invaliditeit ¦ 5.012

Apotheekkosten ¦ 65

Arbeidsongeschiktheidsaftrek ¦ 912

----------

¦ 9.539

Niet-aftrekbaar bedrag - /- ¦ 2.904

----------

¦ 6.635

2.2. De inspecteur is bij de aanslagregeling afgeweken van de ingediende aangifte en heeft een volgens zijn gegevens door belanghebbende genoten bijstandsuitkering ad ¦ 3.050 bijgeteld. De aftrek van ¦ 1.800 dieetkosten heeft de inspecteur geweigerd. Van de als buitengewone lasten opgevoerde autokosten heeft de inspecteur ¦ 3.600 niet als aftrek geaccepteerd omdat deze vervoerskosten ook door gezonde personen die in dezelfde omstandigheden verkeren plegen te worden gemaakt. Tenslotte heeft de inspecteur ¦ 15 minder aftrek apotheekkosten geaccepteerd. De aanslag is in verband hiermee vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ¦ 22.591.

2.3. Belanghebbende is tegen de aanslag in bezwaar gegaan en heeft daarbij een extra bedrag van ¦ 333 ziektekosten (ziekenfonds B ad ¦ 183, kosten dokter ¦ 50 en eigen bijdrage verzekering ad ¦ 100) aangevoerd. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de hoogte van de aanslag met deze kosten verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 22.258 en de 'nihil' aanslag overigens gehandhaafd. Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gegaan bij het Hof.

3. Geschil

In geschil zijn de hoogte van de hypotheekrente- en buitengewone lastenaftrek in verband met autokosten, telefoonkosten, kosten huisarts, ziekenfondspremies en allergiekosten. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op toekenning van een schadevergoeding.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Partijen zijn het erover eens dat de in aanmerking te nemen hypotheekrente op basis van de door belanghebbende overgelegde schriftelijke bescheiden moet worden gesteld op de helft van de over 1996 verschuldigde hypotheekrente zijnde ¦ 5.429 vermeerderd met de renten van 1 juli 1997 tot en met 15 juli 1997 ad ¦ 227,40 en

¦ 219,60 en dat het huurwaardeforfait dient te worden berekend over de periode waarin belanghebbende de desbetreffende woning in eigendom had in 1997, zijnde van 1 januari 1997 tot en met 15 juli 1997. Voorts heeft de inspecteur gesteld dat de boeterenten ad ¦ 1.420,20 en ¦ 1.358,10 in aanmerking kunnen worden genomen als persoonlijke verplichtingen. Omdat het Hof geen redenen ziet partijen hierin niet te volgen oordeelt het Hof dienovereenkomstig. Het vorenstaande brengt aldus tevens mee dat het in aanmerking te nemen huurwaardeforfait 13/24 maal 1,25% van ¦ 151.000, derhalve ¦ 1.023 in plaats van ¦ 1.499 beloopt en dat het belastbare inkomen dienovereenkomstig met ¦ 476 moet worden verminderd.

5.2. In artikel 46, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) is bepaald dat tot de buitengewone lasten onder meer worden gerekend de op de belastingplichtige drukkende uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit van de belastingplichtige. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Wet worden als uitgaven ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling uitsluitend aangemerkt de daarmede verband houdende:

a. uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer;

b. uitgaven voor extra gezinshulp;

c. extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet voor zover zij meer bedragen dan ¦ 750, tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

d. extra uitgaven voor kleding en beddegoed;

e. uitgaven ter zake van reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de enkele reisafstand meer beloopt dan 10 kilometer.

5.3. In artikel 11 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 zijn in het eerste en tweede lid een aantal specifieke voor aftrek in aanmerking komende diëten genoemd. Voor overige diëten is in het derde lid van dit artikel bepaald dat zij niet voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende heeft gesteld een speciaal dieet te moeten volgen wegens allergie voor koemelk, sulfiet, kat, haren hond, dons, eendeveren, berke-, wilge en graspollen en huisstofmijt en heeft tot steun van dit betoog verklaringen overgelegd van twee artsen. Gelet op de door belanghebbende in de stukken van het geding gegeven toelichting en de door haar overgelegde stukken is het Hof van oordeel dat het door belanghebbende gevolgde dieet - naar belanghebbende ter zitting heeft erkend - niet is aan te merken als een dieet genoemd in bedoeld eerste en tweede lid hetgeen met zich mee brengt dat belanghebbende ter zake van deze uitgaven geen recht heeft op buitengewone lastenaftrek. Belanghebbendes stelling dat het maatschappelijk denken omtrent de aftrekbaarheid van bepaalde ziektekosten evolueert doet - voor zover juist - aan het voorgaande niet af.

5.4. Ter zake van de door belanghebbende in aanmerking genomen autokosten in verband met ziekte en invaliditeit, doch voor zover deze niet zijn gemaakt in verband met het ondergaan van een medische behandeling, heeft de inspecteur ¦ 3.600 niet gehonoreerd omdat deze uitgaven volgens statistische gegevens ook door gezonde en valide mensen, die in vergelijkbare financiële en maatschappelijke omstandigheden verkeren, plegen te worden gemaakt voor vervoer en in zoverre niet als extra kosten kunnen worden aangemerkt. Belanghebbende heeft tegenover deze gemotiveerde stelling van de inspecteur slechts in zijn algemeenheid gesteld dat alle autokosten aftrekbaar zijn. Het Hof is daarom van oordeel dat het door de inspecteur hierover gestelde als aannemelijk en zijnde juist moet worden aanvaard. De hiervoor bedoelde kosten, die hoger zijn dan die ¦ 3.600, moeten daarom met dat bedrag worden verlaagd. Dat - naar tussen partijen vaststaat - van de in 1997 door belanghebbende verreden kilometers ad 29.150 er 6 x 65 (390) extra moeten worden toegerekend aan het ondergaan van een medische behandeling, heeft hier geen rekenkundige gevolgen.

5.5. Partijen zijn het erover eens dat de voor aftrek in aanmerking komende autokosten moeten worden verhoogd met het in 1997 aan afschrijving toe te rekenen bedrag dat voortvloeit uit de autokoerslijsten van de ANWB. Uit de door de ANWB verstrekte gegevens is het Hof gebleken dat de door belanghebbende vanaf 1 mei 1997 gebruikte auto, een Seat Ibiza 1.2 ISP van het bouwjaar 1991, op 1 mei 1997 een waarde van ten hoogste € 3.090 (¦ 6.810) had, welke waarde op 31 december 1997, ten laagste € 2.865 (¦ 6.313) bedroeg. Hieruit volgt dat de hoogte van de afschrijving van deze auto die betrekking heeft op 1997 maximaal ¦ 6.810 minus

¦ 6.313 is ¦ 497 beliep. Het Hof oordeelt op basis hiervan dat een bedrag van ¦ 497 ter zake van afschrijving als buitengewone last in aanmerking genomen moet worden. Dit bedrag behoeft niet te worden toegerekend aan vervoerskosten in verband met een medische behandeling enerzijds en andere aftrekbare vervoerskosten anderzijds, omdat ongeacht die toerekening genoemd bedrag steeds volledig als extra aftrekpost in aanmerking komt. Uit hetgeen belanghebbende ter zitting heeft gesteld en uit hetgeen zij heeft vermeld in haar nadere uitlating, volgt dat zij een Mitsubishi Colt ter beschikking had tot uiterlijk 31 december 1996 en dat zij vervolgens een Seat Ibiza ter beschikking had met ingang van 1 mei 1997. Van het bezit van een auto in de tussenliggende periode is niets gesteld of gebleken zodat van afschrijving op een auto in die periode geen sprake kan zijn. In dit licht bezien is het bevreemdend dat belanghebbende stelt dat zij in 1996 ongeveer evenveel kilometers in haar auto heeft gereden als in 1997 (telkens ruim 29.000 kilometer), doch de vraag of belanghebbende deze kilometers in 1997 slechts na 1 mei maakte in haar Seat Ibiza of tevens vóór die datum in enige andere auto kan hier onbeantwoord blijven nu de inspecteur, zonder op dit punt te zijn ingegaan, van de juistheid van de door belanghebbende gestelde gegevens uitgaat en het Hof geen reden ziet daarvan af te wijken.

5.6. Uit het hiervoor onder 5.1 overwogene volgt dat de door belanghebbende gestelde uitgaven van ¦ 50 aan telefoonkosten ter zake van het maken van afspraken met onder meer artsen en specialisten niet in aanmerking kunnen worden genomen als buitengewone lasten. Partijen zijn het erover eens dat de door belanghebbende gestelde extra uitgaven van ¦ 50 aan haar huisarts als buitengewone lasten in aanmerking moeten worden genomen. Belanghebbende heeft gesteld dat de in aanmerking te nemen ziekenfondspremies in de aangifte zijn opgenomen. Omdat de inspecteur de aangifte op dit punt heeft gevolgd kan het Hof deze stelling onbesproken laten.

5.7. Belanghebbende heeft het Hof voorts verzocht te toetsen of de ontvanger terecht de aan belanghebbende te betalen belastingen en heffingen heeft verrekend met van belanghebbende te innen belastingen en heffingen. Uit de stukken van het geding blijkt slechts dat belanghebbende met de laatstgenoemde verrekening de verrekening uit hoofde van de Invorderingswet kan hebben bedoeld. Omdat ingevolge artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen slechts beroep open staat tegen een uitspraak op een bezwaarschrift en de aan het verzoek van belanghebbende ten grondslag liggende stelling niet ziet op een zodanige uitspraak kan het Hof hierover niet oordelen hetgeen met zich meebrengt dat niet aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet kan worden gekomen.

5.8. Belanghebbende heeft tenslotte verzocht om toekenning van smartengeld en schadevergoeding in verband met de handelwijze van de Belastingdienst welke heeft bestaan uit het toezenden van stukken naar wisselende postadressen, vertraging van toezending van het dossier van belanghebbende aan de Belastingdienst Utrecht en de door de ontvanger verrichte invorderingsmaatregelen in bezwaar en beroep. Voor zover het verzoek van belanghebbende ziet op de laatst gestelde omstandigheid verwijst het Hof naar het hiervoor onder 5.7 overwogene. Het Hof is voor het overige van oordeel dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden niet met zich mee brengen dat aan belanghebbende smartengeld of schadevergoeding dient te worden toegekend. Weliswaar vloeit uit het voorgaande voort dat het Hof het bestreden besluit zal vernietigen, hetgeen onder omstandigheden met zich mee kan brengen dat de Belastingdienst een onrechtmatige daad jegens de belastingplichtige heeft begaan, doch het Hof is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval geen sprake is nu uit het vorenstaande en de stukken van het geding blijkt dat de inspecteur bij de aanslagregeling terecht op basis van de door hem aangevoerde gronden is afgeweken van de ingediende aangifte en dat de gronden op basis waarvan belanghebbende in het gelijk wordt gesteld allen eerst in de bezwaar- en beroepsfase door haar naar voren zijn gebracht. Aan het desbetreffende verzoek van belanghebbende kan daarom niet tegemoet worden gekomen.

5.9. Gelet op de hiervoor aangegeven overwegingen is het beroep van belanghebbende gegrond en moet de aanslag worden verlaagd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 22.258 - ¦ 5.429 - ¦ 227,40 - ¦ 219,60 - ¦ 1.420,20 -

¦ 1.358,10 - ¦ 476 - ¦ 497 - ¦ 50 = ¦ 12.680.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien gesteld noch gebleken is dat andere in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan de reiskosten voor het bijwonen van een zitting te Amsterdam door belang-hebbende, zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op de helft (in verband met de gevoegde behandeling van de zaak met de zaak met kenmerk 01/03001) van € 40 zijnde € 20.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van

¦ 12.680;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 27,23 (ƒ 60) aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 20 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 31 mei 2002 door mr. Steenbergen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.