Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE4094

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2002
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
361/2002 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 25
Wet op de ondernemingsraden 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2002/152
JOR 2002/162
JAR 2002, 152
ARO 2002, 89
ROR 2002, 20

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING van 13 juni 2002 in de zaak onder rekestnummer 361/2002 OK van

DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE VESTIGING TE AMSTERDAM VAN DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID RBV LEAF B.V.,

vertegenwoordigd door zijn voorzitter C. Sjoers,

gevestigd te Oisterhout,

VERZOEKER,

procureur: mr E. Unger,

advocaat: mr A. Joosten,

t e g e n

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RBV LEAF B.V.,

gevestigd te Oisterhout,

VERWEERSTER,

procureur: mr B.J.H. Crans,

advocaat: mr R.A.A. Duk.

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoeker, hierna ook de ondernemingsraad te noemen, heeft bij op 1 mei 2002 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht

(i) te verklaren dat verweerster, hierna ook RBV Leaf te noemen, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit van 2 april 2002 tot sluiting van de vestiging in Amsterdam en overplaatsing van de totale kauwgomproductie van de vestiging in Amsterdam naar de vestiging in Sneek had kunnen komen,

(ii) RBV Leaf de verplichting op te leggen het besluit van 2 april 2002 in te trekken alsmede reeds ingetreden gevolgen van dat besluit ongedaan te maken.

1.2 Bij op 21 mei 2002 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met één productie heeft RBV Leaf de Ondernemingskamer verzocht de verzoeken van de ondernemingsraad af te wijzen.

1.3 De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 30 mei 2002. De advocaten van partijen hebben de standpunten van partijen nader toegelicht, beiden aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities.

1.4 De inhoud van de voormelde stukken van het geding, waaronder de pleitnotities, geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De vaststaande feiten

2.1 RBV Leaf is een werkmaatschappij van en onderdeel van de zoetwarendivisie van het CSM-concern. Zij is voortgekomen uit Red Band, Venco en Leaf Holland B.V. RBV Leaf heeft vier productielocaties, waaronder één in Amsterdam en één in Sneek. In de fabriek te Amsterdam, waar ongeveer 185 personen werkzaam zijn, wordt reeds enkele tientallen jaren kauwgom geproduceerd onder - onder meer - de merknamen Sportlife en XyliFresh. Voorheen behoorde de fabriek toe aan het Finse bedrijf Leaf, welk bedrijf in 1999 is overgenomen door CSM.

2.2 Op 24 februari 2000 heeft het bestuur van RBV Leaf de ondernemingsraad advies gevraagd over het voorgenomen besluit een reorganisatie binnen de vestiging van RBV Leaf te Amsterdam door te voeren. De ondernemingsraad heeft hierop een positief advies gegeven. Het besluit is vervolgens genomen en de reorganisatie is - deels - uitgevoerd.

2.3 Bij brief van 19 november 2001 heeft het bestuur van RBV Leaf op grond van artikel 25 Wet op de ondernemingsraden (WOR) aan de ondernemingsraad van de vestiging te Amsterdam advies gevraagd over het voorgenomen besluit om - kort gezegd - de fabriek in Amsterdam te sluiten en de kauwgomproductie te verplaatsen naar - een nieuw te bouwen fabriek in - Sneek. Tevens heeft het bestuur van RBV Leaf de ondernemingsraad van de vestiging te Sneek advies gevraagd over het voorgenomen besluit een nieuwe productielocatie voor kauwgom in Sneek te bouwen. Aan het besluit de fabriek in Amsterdam te sluiten lag onder meer ten grondslag dat als gevolg van het verlies van de twee verreweg grootste afnemers van kauwgom in 'strip-verpakking'- ook wel stickgum genoemd - het productievolume van de fabriek in Amsterdam - in totaliteit bezien - met 40% diende te worden verminderd.

2.4 Op 8 februari 2002 heeft de ondernemingsraad van de vestiging in Sneek positief geadviseerd met betrekking tot bovengenoemd voorgenomen besluit.

2.5 Op 15 februari 2002 heeft de ondernemingsraad een rapport van het door RBV Leaf ingeschakelde bureau Temid ontvangen. In dit rapport wordt de conclusie getrokken dat nieuwbouw in Sneek de beste optie is.

2.6 De ondernemingsraad heeft zich voor de totstandkoming van zijn advies laten adviseren door - onder anderen - P. Elshof, deskundige van Food World Research & Consultancy en M.A.L.E. Vossen van Tebodin B.V. Genoemde adviseurs hebben ieder op 22 februari 2002 een rapport uitgebracht, waarin zij - zakelijk weergegeven - concluderen dat reorganisatie van de onderneming in Amsterdam en modernisering van het gebouw waarin de fabriek gehuisvest is - door betrokkenen aangeduid met 'rationalisatie Amsterdam' - de voorkeur zou verdienen boven een nieuw te bouwen fabriek in Sneek.

2.7 Op 25 februari 2002 heeft de ondernemingsraad van de vestiging te Amsterdam een negatief advies gegeven. Als alternatief heeft hij voorgesteld de fabriek in Amsterdam te optimaliseren en - eventueel - een reorganisatie door te voeren.

2.8 Bij brief van 5 maart 2002 heeft de directie de ondernemingsraad meegedeeld dat er, na bestudering van de adviezen en de rapporten van de deskundigen, een conceptbesluit ligt inhoudende de bouw van een nieuwe fabriek in Sneek en de sluiting tegen het eind van 2003 van de fabriek in Amsterdam, en dat zij voornemens is het definitieve besluit op 8 maart 2002 te nemen.

2.9 Per brief van 8 maart 2002 heeft de ondernemingsraad - wederom na raadpleging van de twee hierboven genoemde deskundigen die ieder op 7 maart 2002 een aanvullend rapport hebben uitgebracht - een aanvullend negatief advies met betrekking tot het conceptbesluit uitgebracht.

2.10 Nadat op 12 maart 2002 nog een overlegvergadering tussen de ondernemingsraad, bijgestaan door haar advocaat en door Elshof en Vossen voornoemd, en de directie van RBV Leaf had plaatsgevonden, heeft de directie van RBV Leaf op 2 april 2002 overeenkomstig het voorgenomen besluit besloten.

3. De gronden van de beslissing

3.1 De ondernemingsraad heeft tegen het bestreden besluit in de eerste plaats aangevoerd dat RBV Leaf de verwachting heeft gewekt dat de werkzaamheden in de fabriek in Amsterdam niet zouden worden beëindigd, nu er in 2000 een reorganisatie was doorgevoerd teneinde de productie in Amsterdam efficiënter te maken. Hiermee zou RBV Leaf hebben willen bewerkstelligen de continuïteit van de locatie in Amsterdam - voor langere tijd - te kunnen waarborgen. Bovendien is - aldus de ondernemingsraad - het beleid van RBV Leaf immer geweest dat reeds wanneer het rendement voldoende is in die zin dat er - kort gezegd - winst wordt gemaakt - door de ondernemingsraad aangeduid met de term 'de eigen broek ophouden'- een productielocatie voldoende bestaansrecht heeft. De fabriek in Amsterdam zou nog steeds kunnen voldoen aan bovengenoemd (beleids)criterium. De ondernemingsraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de directie gehouden is gewekte verwachtingen te honoreren.

3.2 Met betrekking tot dit eerste bezwaar tegen het genomen besluit overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Reeds in februari 2000 heeft RBV Leaf een mogelijke sluiting onder ogen gezien. Zij heeft in de adviesaanvraag van 24 februari 2000 - welke aanvraag betrekking had op de toen voorgenomen reorganisatie - hierover opgemerkt:

Een eventueel verlies van de stickgum business, omdat wij prijstechnisch niet kunnen mee concurreren, vormt een directe bedreiging voor het voortbestaan van de plant Amsterdam.

De Ondernemingskamer is dan ook van oordeel dat de stelling van de ondernemingsraad dat destijds zou zijn toegezegd dat de fabriek in Amsterdam open zou blijven niet opgaat.

3.3 Wat betreft het door de ondernemingsraad aan de orde gestelde beleid is van de zijde van RBV Leaf aangevoerd dat dit beleid weliswaar een eerste uitgangspunt is, maar dat veranderde omstandigheden kunnen meebrengen dat dit uitgangpunt wordt verlaten. Zij heeft hierover in haar brief van 19 november 2001 geschreven:

Zodra er zich veranderingen voordoen die belangrijke consequenties hebben voor de capaciteit of inrichting van een fabriek, dient bekeken te worden of die veranderingen aanleiding geven verder invulling te geven aan de geformuleerde productiestrategie.

De notities van de overlegvergadering van 12 maart 2002 - overgelegd als productie 5 van de zijde van de ondernemingsraad - vermelden voorts onder meer:

(…) dat als er een belangrijke verandering binnen een locatie plaatsvindt, zaken wederom tegen het licht zullen worden gehouden.(…) Het verhaal omtrent het 'ophouden van de eigen broek' is aldus waar, echter totdat zich een belangrijke wijziging in omstandigheden voordoet.

3.4 Naar het oordeel van de Ondernemingskamer heeft de ondernemingsraad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voor het voortbestaan van de locatie in Amsterdam - reeds - voldoende was dat de fabriek een positief bedrijfsresultaat behaalde. Dit klemt te meer nu RBV Leaf malen heeft aangegeven - zoals hierboven onder 3.2 weergegeven - dat gewijzigde omstandigheden een aanpassing van de situatie en het beleid kunnen vergen. Het oordeel van RBV Leaf dat zich met de beëindiging van de afname van stickgums en het hiermee samenhangende verlies van 40% van de totale productie een zodanige wijziging in omstandigheden heeft voorgedaan dat een wijziging in het beleid met betrekking tot de locatie Amsterdam noodzakelijk is valt niet als kennelijk onredelijk aan te merken. In dit verband neemt de Ondernemingskamer nog in aanmerking dat ook in het door de ondernemingsraad voorgestelde alternatief consequenties worden verbonden aan gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de locatie Amsterdam.

3.5 Op grond van het overwogene in 3.3 en met 3.4 komt de Ondernemingskamer tot de slotsom dat het eerste door de ondernemingsraad aangevoerde bezwaar tegen het genomen besluit niet kan leiden tot toewijzing van de verzoeken. Aldus kan buiten beschouwing blijven de vraag of dit bezwaar niet reeds buiten beoordeling had moeten blijven omdat het niet eerder door de ondernemingsraad aan de orde was gesteld.

3.6 Als tweede bezwaar tegen het genomen besluit heeft de ondernemingsraad - kort gezegd - aangevoerd dat op grond van strategische en bedrijfseconomische overwegingen - met name de werkgelegenheid - niet de noodzaak zou bestaan de fabriek naar Sneek te verplaatsen.

3.7 Ook deze stelling treft geen doel. RBV Leaf heeft aangevoerd en de ondernemingsraad heeft niet bestreden dat zij, mede in verband met haar - toekomstige - concurrentiepositie en de omstandigheden op de kauwgommarkt - zal moeten investeren in productiecapaciteit. Het verschil in - geprognosticeerde - structurele cashflow tussen de twee opties - nieuwbouw in Sneek enerzijds en renovatie en reorganisatie in Amsterdam anderzijds - is zodanig substantieel en, nu het voortbestaan van de onderneming wordt bedreigd, zodanig essentieel, dat het op grond daarvan genomen besluit niet als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt. Hierbij merkt de Ondernemingskamer nog op dat van de juistheid van de cijfers die RBV Leaf ter motivering van haar advies hanteert kan worden uitgegaan, te meer daar RBV Leaf waar de ondernemingsraad dan wel de door hem ingeschakelde deskundigen andere cijfers hanteren, in haar brieven gemotiveerd heeft aangegeven waarom laatstgenoemde cijfers niet juist zouden zijn en overigens waar nodig haar eigen cijfers heeft aangepast.

3.8 Al het vorenoverwogene brengt mee dat overwegingen aan het besluit ten grondslag zijn gelegd die het besluit kunnen dragen, zodat kan niet kan worden gezegd dat RBV Leaf bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het voorgenomen besluit heeft kunnen komen. De slotsom is dat de verzoeken van de ondernemingsraad zullen moeten worden afgewezen.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

Wijst de verzoeken van de ondernemingsraad af.

Deze beschikking is gewezen door mr Willems, voorzitter, mr Visser en mr Den Boer, raadsheren, Bunt en mr Timmermans, raden, in tegenwoordigheid van mr Bulten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2002.

coll.: