Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE3615

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2002
Datum publicatie
05-06-2002
Zaaknummer
01/03308
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

E, woonachtig in Q, reisde gemiddeld 1 á 2 keer per week via een arbeidsplaats gelegen in Q, naar een arbeidsplaats S en weer terug naar huis. Ook op de terugweg reisde E via arbeidsplaats Q naar huis. De overige dagen was E werkzaam op de arbeidsplaats in Q. Het Hof is van oordeel dat het reiskostenforfait van toepassing is op de reisafstand Q - R, zijnde de verst gelegen arbeidsplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/30.2.4
V-N 2002/49.23 met annotatie van Redactie
FutD 2002-1156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

in het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van X N.V. te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Grote Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1997

een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 148.022, alsmede een boete van ƒ 37.005. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de inspecteur gehandhaafd. Tegen die uitspraak is belanghebbende in beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij zijn uitspraak van 8 juni 2000 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het beroep van belanghebbende gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft daarbij de in het geding zijnde naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van ƒ 148.022 aan enkelvoudige loonbelasting en premie volksverzekeringen, alsmede de boete tot een bedrag van

ƒ 26.960.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 21 september 2001, nr. 36.389 heeft de Hoge Raad der Nederlanden de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juni 2000 in deze zaak vernietigd (behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten) en het geding naar dit Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.

Dit Hof heeft partijen bij schrijven van 5 november 2001 uitgenodigd een schriftelijke toelichting bij de voortgezette behandeling te geven. Na verleend uitstel hebben partijen gereageerd, de inspecteur bij schrijven van 3 januari 2002, belanghebbende bij schrijven van 5 januari 2002.

Ter zitting van 20 maart 2002 zijn verschenen A als gemachtigde van belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld door B als bestuurder van belanghebbende, alsmede C. D namens de inspecteur. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota's worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Het Hof verwijst voor de tussen partijen vaststaande feiten naar de door het

Gerechtshof te 's-Gravenhage in zijn uitspraak onder 3. als vaststaand vastgestelde feiten. Ter aanvulling daarop kan na verwijzing van het volgende worden uitgegaan.

2.2. E was gedurende de in het geding zijnde periode voor 11% medeaandeelhouder in belanghebbende.

2.3. E reed in 1995 gemiddeld 2x per week van Q naar R en weer terug, in de andere jaren was dit gemiddeld 1x per week.

2.4. Op de onder 2.3 genoemde dagen reed E niet eerst naar de arbeidsplaats Q, dan naar huis, dan naar de arbeidsplaats R en dan naar huis. E reed via de arbeidsplaats Q naar de arbeidsplaats R en ook op de terugweg deed hij vanuit R de arbeidsplaats Q aan. De tussenstops bij de arbeidsplaats Q waren nodig voor de planning van en de controle op de gedurende die dag verrichte werkzaamheden.

3. Geschil

Na verwijzing is tussen partijen nog in geschil of en in hoeverre er ten aanzien van het gemiddeld op één dag per week (voor het jaar 1995 gemiddeld twee dagen per week) heen en weer reizen van werknemer E tussen Q en Ren omgeving, sprake is van woon-werkverkeer.

Voorts heeft de inspecteur in geding gebracht de vraag of de kostenvergoeding van werknemer E voor zijn woon-werkverkeer in Q bovenmatig is geweest.

4. Standpunten van partijen

4.1. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen naar de stukken van het geding.

4.2. Ter zitting hebben partijen hieraan toegevoegd, zakelijk weergegeven:

de gemachtigde:

Inzake het woon-werkverkeer van huis naar de arbeidsplaats Q is mogelijk ten onrechte ƒ 0,60 per km vergoed. Dat had niet gemogen. Ik weet niet precies of deze reisafstand (enkele reis) 8 km is.

10% voor de omrijkilometers vinden we te weinig, 25% lijkt ons redelijk.

Ik ben er mij van bewust dat belanghebbende het bewijsrisico loopt ten aanzien van de omrijkilometers.

Ik ga accoord met het door het Hof voorgestelde compromis dat indien ook Q-R als woon-werkverkeer moet worden aangemerkt 10% als omrijkilometers is te beschouwen, terwijl wanneer enkel Q-Q als woon-werkverkeer moet worden aangemerkt, 10% van de reiskilometers ten onrechte tegen ƒ 0,60 per kilometer aan E zijn vergoed.

B:

E was voor 11% medeaandeelhouder in belanghebbende.

E reed normaliter wekelijks van Q naar R, incidenteel overnachtte hij in R of omgeving. Hij reed dan vanaf huis naar de arbeidsplaats Q en dan pas naar R. Op de terugweg reed hij even langs de zaak in Q om de planning te doen. Hij reed dus niet op één dag heen en weer én naar Q én naar R. Dat ligt niet voor de hand.

Bijlage 6 bij het verweerschrift van de inspecteur geeft een goed beeld van het reispatroon van E gedurende het jaar.

E reisde in 1995 2x per week van Q naar R, in de andere jaren was dit 1x per week.

De reisafstand Q - R is niet als woon-werkverkeer aan te merken. Anders zou dit overigens wel erg duur zijn. Ik verwijs tevens naar het arrest van de Hoge Raad.

Ik heb moeite met de wet op het punt van de fiscale behandeling van reiskosten. De mens laat zich niet in een reispatroon dwingen. Het gaat hier om principes en op deze wijze worden wij ten onrechte gestraft. Dat vind ik niet juist.

Als Q-Q woon-werkverkeer is, is al het overige (boven de 8 km) aan te merken als omrijkilometers.

Ik ga accoord met het door het Hof voorgestelde compromis dat indien ook Q-R als woon-werkverkeer moet worden aangemerkt 10% als omrijkilometers is te beschouwen, terwijl wanneer enkel Q-Q als woon-werkverkeer moet worden aangemerkt, 10% van de reiskilometers ten onrechte tegen ƒ 0,60 per kilometer aan E zijn vergoed.

de inspecteur:

Ik mis één pagina, nr. 4, van de reactie van belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad. Deze pagina heb ik echter per fax ontvangen.

Ik sluit niet uit dat er omrijkilometers zijn, maar we hebben het hier over de ritten van 460 km. Daarin zijn per keer al 30 km. als omrijkilometers begrepen.

Bijlage 6 bij het verweerschrift met een overzicht van de reizen waarin R is begrepen, is niet door belanghebbende gemaakt maar door de controleambtenaar van de belastingdienst.

Tijdens een bespreking voorafgaand aan deze zitting heb ik bij wege van een compromis voorgesteld de omrijkilometers te stellen op 10% hetgeen een vermindering van de aanslag impliceert van 10% van ƒ 37.182 is ƒ 3.718.

Ik wens uitdrukkelijk dat het Hof uitspraak doet omtrent mijn aanvullende stelling zoals verwoord in mijn pleitnota, te weten dat op de reizen van E van zijn huis naar de arbeidsplaats Q door belanghebbende ten onrechte niet het reiskostenforfait is toegepast.

Ik ga accoord met het door het Hof voorgestelde compromis dat indien Q-R als woon-werkverkeer moet worden aangemerkt 10% als omrijkilometers is te beschouwen, terwijl wanneer Q-Q als woon-werkverkeer moet worden aangemerkt, 10% van de reiskilometers ten onrechte tegen ƒ 0,60 per kilometer aan E zijn vergoed.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Allereerst gaat het Hof in op de stelling van de inspecteur zoals opgeworpen in zijn pleitnota, dat op de reizen van E van zijn huis in Q naar de arbeidsplaats Q door belanghebbende ten onrechte het reiskostenforfait niet is toegepast. In de visie van de inspecteur dient hiermee bij de beslissing in het onderhavige geschil alsnog rekening te worden gehouden.

5.2. Het Hof overweegt dat de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad, zoals vastgelegd in zijn arrest van 21 september 2001, nr. 36.389, zich beperkt tot een oordeel over de vraag of en in hoeverre er ten aanzien van het gemiddeld op één dag per week (voor het jaar 1995 gemiddeld twee dagen per week) heen en weer reizen van werknemer E tussen Q en R en omgeving, sprake is van woon-werkverkeer. De stelling van de inspecteur betreffende het reispatroon Q - Q valt alsdan buiten de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad. Het betreft daarbij immers reizen Q - Q en niet Q - R hetgeen naar het oordeel van het Hof alleen al om die reden in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Bovendien, uit de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage volgt reeds dat alleen de vergoeding voor het reizen van Q naar R en omgeving in geschil was. Er is hier dan ook geen geval waarin de aanleiding tot het aanvoeren van een nieuwe stelling pas door of na het verwijzingsarrest is ontstaan.

5.3. Ten aanzien van het reizen van Q naar R is feitelijk komen vast te staan dat er geen sprake is van het op dezelfde dag door E vanuit zijn woning reizen naar de arbeidsplaats Q en terug en daarna wederom vanuit zijn woning naar de arbeidsplaats R en terug. De problematiek van de meest bereisde arbeidsplaats (zoals door de Hoge Raad aangehaald in rechtsoverweging 3.6. van zijn arrest van 21 september 2001, nr. 36.389) is derhalve niet aan de orde.

5.4. Ten aanzien van het reizen van Q naar R is door E steeds 460 km per reis gedeclareerd bij belanghebbende. In de administratie van belanghebbende is niets vastgelegd omtrent de werkelijk door E afgelegde reisroute. De voorbeelden van de weekstaat van E (Bijlage 7 bij het verweerschrift van de inspecteur) vermelden als plaats van de werkzaamheden veelal uitsluitend de plaats R zonder dat dit verder is toegelicht. Het Hof acht het dan ook aannemelijk dat werknemer E tijdens zijn reizen naar R hier tevens de hoofdvestiging van belanghebbende te R - al dan niet voor managementteamoverleg - heeft aangedaan. Naar het oordeel van het Hof is derhalve het reiskostenforfait op de reisafstand Q - R (de verst gelegen arbeidsplaats) van toepassing.

5.5. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat de omrijkilometers op 10% van het totaal door E ten aanzien van de reizen Q - R gedeclareerde aantal kilometers kan worden gesteld. Tot dit percentage is derhalve aan E terecht een reiskostenvergoeding van ƒ 0,60 per km toegekend. Derhalve dient de naheffingsaanslag verminderd te worden met een bedrag van 10% van ƒ 37.182 is ƒ 3.718.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur moet worden vernietigd en de aanslag verminderd acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten fiscale procedures stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op: 1,5 (proceshandelingen: schriftelijke visie op arrest Hoge Raad en verschijnen ter zitting) x 1,5 (wegingsfactor gewicht van de zaak) x € 322, ofwel € 724,50.

7. Beslissing

Het Hof:

- vermindert de naheffingsaanslag tot een ten bedrage van ƒ 144.304 aan enkelvoudige loonbelasting en premie volksverzekeringen en verstaat dat de boete gehandhaafd is;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 724,50 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 28 mei 2002 door mrs. Van Ballegooijen, Faase en Meussen, in tegenwoordigheid van mr. Thijssen als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is griffierecht verschuldigd. Na verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier en nota griffierecht.

De vervanging van en mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.