Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE2193

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2002
Datum publicatie
24-07-2002
Zaaknummer
23-001195-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 37a
Wetboek van Strafrecht 37b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001195-01

datum uitspraak 15 maart 2002

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 21 maart 2001 in de strafzaak onder parketnummer 16/130117-00 tegen

[verdachte]

geboren te Fes (Marokko) op 16 juli 1953,

wonende te [adres]

thans gedetineerd in Penitentitiaire Inrichting Utrecht, De Liesbosch 100, 3439 LC Nieuwegein.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 maart 2001 en in hoger beroep van 1 maart 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie als bijlage in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, met dien verstande dat

hij op 22 februari 2000 te Oud-Zuilen, gemeente Maarssen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slacht[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een mes in de hals en borst van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf: moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregelen

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en gelast dat hij ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De advocaat-generaal heeft - overeenkomstig de eis van de officier van justitie in eerste aanleg - gevorderd dat de verdachte ter zake van moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar, ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zijn echtgenote, de moeder van zijn kinderen, opzettelijk en met voorbedachten rade op gruwelijke wijze van het leven beroofd. Zij had hem verlaten, hetgeen de verdachte niet kon verkroppen. Uit de aard van de verwondingen die hij haar met een mes met name aan de borst heeft toegebracht blijkt dat hij daarbij zijn woede de vrije loop heeft gelaten.

Het leed dat hij aldus de nabestaanden, met name zijn jonge kinderen, heeft toegebracht is des te schrijnender, gelet op het volgende. De verdachte heeft zijn oudste dochter - die op grond van uitlatingen van haar vader zowel voor haar eigen als haar moeders leven vreesde - 's ochtends onder druk gezet onder valse voorwendsels haar moeder op te bellen. Op die manier wist verdachte zijn echtgenote ertoe te brengen later op de dag bij hem en zijn dochter - die hij daartoe had meegenomen - in zijn bus plaats te nemen. Verhulde waarschuwingen van zijn dochter in haar moeders richting mochten niet baten. In plaats van naar zijn dochters school te rijden, zoals tevoren was aangekondigd, heeft verdachte zijn vrouw en dochter meegenomen naar de echtelijke woning. Daar aangekomen heeft hij zijn dochter weggestuurd en zijn vrouw gedwongen samen met hem de tuin te betreden, waarna hij de tuindeur heeft afgesloten. In de tuin heeft hij zijn vrouw van het leven beroofd. Zijn dochter heeft haar moeder horen gillen. Aldus heeft de verdachte bewerkstelligd dat zijn dochter hem (ongewild) in de gelegenheid heeft gesteld haar moeder te doden. Voorts is zijn dochter getuige geweest van de angst van haar moeder voordat zij de dood vond.

Naar het oordeel van het hof doet de in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbenemende straf van zes jaar geenszins recht aan de ernst van het feit en is een gevangenisstraf van meer dan tien jaar in beginsel passend. Echter, rekening moet worden gehouden met de bevindingen van de deskundigen P.K.J. Ronhaar, psychiater, en A.T. Spangenberg, psycholoog, verbonden aan het Pieter Baan Centrum te Utrecht, die een onderzoek hebben gedaan naar de geestvermogens van de verdachte. Het hof heeft kennis genomen van het rapport van dit onderzoek van 22 februari 2001 en heeft beide deskundigen gehoord op de terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2002. De deskundigen zijn van oordeel dat de verdachte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid, overeenkomstig een dergelijk besef, te bepalen. Zij concluderen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat dit feit, indien bewezen, hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend. Het hof verenigt zich met die conclusie, maakt die tot de zijne en ziet daarin aanleiding de op te leggen gevangenisstraf te bepalen op tien jaar.

Uit het onderzoek van de deskundigen is voorts het volgende gebleken.

Bij de verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische, maar ook borderline trekken. De agressieregulatie is gestoord. Kern van de problematiek is zijn onvermogen om het zelfgevoel autonoom op peil te houden. De verdachte is daavoor afhankelijk van anderen, zozeer dat hij anderen meestal subtiel, maar dwingend oplegt ontzag en waardering voor hem te hebben. Wanneer hij van mening is dat men hem daarin te kort doet, raakt hij gekrenkt. In relaties waar hij het gevoel heeft in een afhankelijke positie te verkeren, loochent hij gevoelens van boosheid en agressie. Binnen de gezinsrelatie daarentegen liet hij dergelijke agressieve gevoelens soms impulsief en soms berekenend en gecontroleerd de vrije loop.

Bij het tenlastegelegde feit was van bovenstaande persoonlijkheids-problematiek eveneens sprake. Voorbijgaand aan zijn eigen rol in het geheel voelde de verdachte zich in de aanloop tot het feit ernstig gekrenkt door het in zijn ogen verwarde gedrag van zijn vrouw. Haar definitieve vertrek kon hij niet meer negeren, maar evenmin verdragen. Niet alleen was haar gedrag in zijn ogen schaamtevol, het betekende vooral dat met haar vertrek de ineenstorting van zijn zelfbeeld compleet zou zijn. De met zijn persoonlijkheidsproblematiek samenhangende gecumuleerde woede hierover heeft hij in het ten laste gelegde geuit.

De kans wordt groot geacht dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan ernstig geweldddadige delicten zoals het ten laste gelegde. Het recidive-risico betreft enerzijds zijn (oudste) kinderen, die hij indirect medeverantwoordelijk houdt voor zijn detentie, en anderzijds een eventueel nieuwe partner. Niet alleen is de onderliggende persoonlijkheidspathologie nog steeds aanwezig, de kwetsbaarheid van de verdachte is toegenomen en zal verder toenemen wanneer bij bewustwording van de ernst van het ten laste gelegde zijn zelfbeeld verder ondermijnd wordt. Een nieuwe partner zal onder die omstandigheden door de verdachte gedwongen worden dezelfde rol te vervullen als het slachtoffer: bijdragen aan het op peil houden van het zelfbeeld van de verdachte. Bij een (dreigende) verlating door haar is de kans op herhaling van het ten laste gelegde (hevige woede van de verdachte, agressiedoorbraak) reëel aanwezig. Geadviseerd wordt de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Het hof verenigt zich - gezien de bevindingen van de deskundigen - met dit advies en zal dienovereenkomstig beslissen. Daarbij overweegt het hof dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen geachte feit een gebrekkige onwikkeling van de geestvermogens bestond, dit feit een misdrijf is waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregelen van terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege vereist. Voorts neemt het hof de ernst van het begane feit, als hiervoor overwogen, in aanmerking.

De inbeslaggenomen voorwerpen

De inbeslaggenomen kleding van het slachtoffer [slacht[slachtoffer] dient te worden onttrokken aan het verkeer. Deze kleding, die als gevolg van het onderhavige feit is bedekt met het bloed van het slachtoffer, is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

De inbeslaggenomen kleding van de verdachte dient aan hem terug te worden gegeven.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 37a, 37b en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van TIEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de inbeslaggenomen kleding van het slachtoffer [slacht[slachtoffer].

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen kleding van de verdachte, te weten: een colbert, een donkerblauwe trui, een broek, een bruine riem, zwarte leren schoenen, witte sokken, een wit T-shirt en een onderbroek, aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. De Winter, Verspyck Mijnssen en Wiewel, in tegenwoordigheid van Van Gorp als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 maart 2002.