Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE1444

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
23-002622-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk ongeveer 21.008,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne binnen het grondgebied van Nederland brengen;

2. in de lagere straf die de rechtbank aan de medeverdachte heeft opgelegd wordt -gelet op de invoer van ruim 21 kilo cocaïne-geen aanleiding gevonden de straf van verdachte te verminderen;

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002622-01

datum uitspraak 8 maart 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 24 juli 2001 in de strafzaak onder parketnummer 15/030254-01 tegen

[verdachte],

geboren te Caracas (Venezuela) op 8 september 1964,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichtingen Haarlem te Haarlem.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 juli 2001 en in hoger beroep van 22 februari 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat hij

op 16 februari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 21.008,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, eerste lid van de Opiumwet.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, welke hoeveelheid geschikt was voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof. Het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Derhalve komt alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking.

Hoewel het hof niet overtuigd is dat het aandeel van de medeverdachte wezenlijk geringer is geweest dan dat van verdachte, is, gelet op de hoeveelheid van ruim 21 kilo cocaïne die Nederland is binnengebracht, een straf van na te noemen duur tenminste alleszins gerechtvaardigd, zodat in de lagere straf die de rechtbank aan de medeverdachte heeft opgelegd geen aanleiding wordt gevonden de straf van verdachte te verminderen.

Het inbeslaggenomen geld, te weten: de Amerikaanse dollars en de Venezolaanse bolivares die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien met behulp van dit geld het bewezenverklaarde transport is verricht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen zijn gegrond op de artikelen 24, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van 48 (achtenveertig) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd: de inbeslaggenomen 33 biljetten van 100 Amerikaanse dollars en de inbeslaggenomen 16 biljetten van 10.000 en 13 biljetten van 20.000 Venezolaanse bolivares.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs IJland-van Veen, Schreuder en Mijnsberge in tegenwoordigheid van mr Boekraad als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 maart 2002.