Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE1411

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2002
Datum publicatie
12-04-2002
Zaaknummer
01/01562
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een elektronisch betalingssysteem ontwikkeld en geïmplementeerd binnen het a-stadion en exploiteert dit. Dit houdt in dat er chipkaarten worden gekocht waarmee bij de publiekscateraars betaald kan worden, dat de betalingen met de chipkaarten worden verwerkt, dat ter zake een administratie wordt bijgehouden en dat er management- en beveiligings­werkzaamheden worden uitgevoerd. De desbetreffende handelingen vormen naar ’s Hofs oordeel één dienst bestaande uit het exploiteren van een elektronisch betalingssysteem waarop de vrijstelling van artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel j, sub 2 van de Wet met betrekking tot handelingen inzake betalingen van toepassing is.

Belanghebbendes beroep op het besluit van de Staatssecretaris van 30 december 1999, VB 99/2649, V-N 2000/6.15, inzake de heffing van omzetbelasting bij de verstrekking van cadeaubonnen faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/557
FutD 2002-0756
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X C.V. te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de inspecteur te P.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 15 mei 2001, ingediend door gemachtigde en aangevuld bij brief van 13 juni 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 6 april 2001, betreffende een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het eerste kwartaal 1999. X C.V. heeft over evenbedoeld tijdvak een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting gedaan op de voet van artikel 17 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) tot een bedrag van f 4.820. De inspecteur heeft bij beschikking, gedagtekend 18 juni 1999, besloten geen teruggaaf te verlenen. Na bezwaar tegen de beschikking is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt primair tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en van de beschikking en tot teruggaaf van omzetbelasting primair tot een bedrag van f 4.820, subsidiair tot een teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van f 3.214, meer subsidiair tot een bedrag van f 2.410 en meer meer subsidiair tot een bedrag van f 1.607.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 19 november 2001 zijn verschenen gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur. Partijen hebben ter zitting beiden een pleitnota voorgedragen en overgelegd, welke tot de geding-stuk-ken behoren. De gemachtigde heeft kennis kunnen nemen van de bijlagen bij de pleitnota van de inspecteur en heeft zich daarover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is een op 2 november 1998 opgerichte commanditaire vennootschap. De beherende vennoot is A B.V. en de drie commanditaire vennoten zijn B N.V., C B.V. en D C.V.. Belanghebbende heeft als doel het beheren, besturen, administreren en financieren van gesloten betalingssystemen gebaseerd op chipkaart technologie, het investeren en beleggen van gelden ten behoeve van betalings-systemen, alsmede het verkrijgen en exploiteren van deze betalingssystemen en het verhandelen van know-how in deze. Belanghebbende heeft een elektronisch betalingssysteem ontwikkeld en geïmplementeerd binnen het a-stadion en exploiteert dit. Belanghebbende is de rechtsopvolger van A B.V. , welke onderneming in 1996 met evengenoemde activiteiten is aangevangen.

2.2. Degenen die in het a-stadion op grond van een een concessie-overeenkomst met E B.V. de publiekscatering verzorgen, hebben zich verplicht om deel te nemen aan het elektronisch betalingssysteem waarbij met een fictief betaalmiddel "aa's", wordt betaald. De concessienemers betalen voor deelname aan het elektronische betalingssysteem een vergoeding.

2.3. Het elektronische betalingssysteem werkt kort weergegeven als volgt. De bezoekers van het a-stadion kopen bij een Card Uitgifte Automaat van belanghebbende een aa-Card met een bepaalde waarde. Met deze kaart kan de bezoeker bij de publiekscateraars betalen via een betaalterminal. De betaling wordt geregistreerd en afgeboekt van de aa-Card. Belanghebbende maakt aan de desbetreffende publiekscateraar, onder inhouding van een vergoeding, het aldus geregistreerde bedrag over. Ingeval een aa-Card niet volledig wordt besteed of verloren gaat behoudt belanghebbende de niet verzilverde opbrengst van de aa-Card.

2.4. In de notulen van de stuurgroepvergadering van F Consultancy inzake aa-Card/X van 27 januari 1998, is onder het kopje fiscaliteiten onder meer het volgende opgenomen:

"(…) Op dit moment is het verrekenbare deel vastgesteld op 20%. Dit betekend (lees: betekent) dat 20% van de 17,5% teruggevorderd kan worden. GB wil dit verrekenbare percentage hoger. (…) Geprobeerd wordt het systeem zo uit te leggen dat het service, administratieve dienstverlening, management rapportage inhoudt en het dus meer is dan een elektronisch betalingssysteem.(…)"

2.5. Belanghebbende heeft met E B.V. op 11 november 1998 vier overeenkomsten gesloten. De eerste overeenkomst strekt tot verzorging van het betalingssysteem en de administratie, de tweede overeenkomst tot de verhuur van Card Uitgifte Automaten, de derde overeenkomst tot de verhuur van betaalterminals en de vierde overeenkomst tot het verrichten van management- en beveiligingsdiensten.

2.6. De overeenkomst tot verzorging van het betalingssysteem en administratie (hierna: overeenkomst 1) houdt onder meer het volgende in:

"In aanmerking nemende

- Dat voor het a-stadion een elektronisch betaalsysteem is ontwikkeld en is geïmplementeerd door X, welk met uitsluiting van andere systemen gebruikt zal worden;

- Dat in het kader van de exploitatie van het elektronisch betaalsysteem door X als betaalmiddel binnen het a-stadion aa-Cards worden uitgegeven en geadministreerd;

- Dat E B.V. verantwoordelijk is voor de totale coördinatie op het gebied van de publiekscatering, welke via inschakeling van verschillende andere partijen geschiedt;

- Dat X en E B.V. de intentie hebben om met het betaalsysteem een hoog niveau van service in het stadion te realiseren, waarbij betaalsnelheid en gemak voor de klanten voorop staat;

- Dat het betaalsysteem E B.V. de mogelijkheid biedt toezicht en controle te behouden op de omzet van de publiekscatering;

- Dat het betaalsysteem reeds sinds september 1996 is geïmplementeerd en geëxploiteerd wordt.

Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1 - Algemeen

Ter ondersteuning van de publiekscatering in het a-stadion is door X een betaalsysteem met aa-Cards ontwikkeld waardoor de betaling van de consumpties door de catering efficiënter en veiliger verloopt. (…)

Artikel 2 - Verplichtingen X.

X is verantwoordelijk voor een effectief en efficiënt functioneren van het betaalsysteem.

X is verantwoordelijk voor de administratie en verwerking van de omzetten in de publiekscatering.

X zal binnen 7 dagen na downloaden de betreffende omzet van de publiekscatering overmaken naar de concessionairs.

X zal zorgdragen voor de geldtransporten en de beveiliging van de gelden van het a-stadion naar de bank.

(…)

Artikel 4 - Vergoeding en betaling

(…) Voor de vorengenoemde diensten zal X de volgende percentages in rekening brengen:

- 1% van de omzet vanaf 31 juli 1996;

- 2% van de omzet met ingang van 1 augustus 1998;

- 1,5% van de omzet met ingang van 1 augustus 1999.

Dit percentage zal rechtstreeks ingehouden worden op de omzetten van E B.V. en de overige concessionairs.(…)".

2.7. De overeenkomst tot de verhuur van Card Uitgifte Automaten (hierna: overeenkomst 2) houdt onder meer het volgende in:

"In aanmerking nemende

- Dat E B.V. verantwoordelijk is voor de totale coördinatie op het gebied van de publiekscatering in het a-stadion, welke via inschakeling van verschillende andere partijen geschiedt;

- Dat X en E B.V. de intentie hebben om met het door X ontwikkelde elektronische betaalsysteem een hoog niveau van service in het stadion te realiseren, waarbij betaalsnelheid en gemak voor de klanten voorop staat;

- Dat het betaalsysteem E B.V. de mogelijkheid biedt toezicht en controle te behouden op de omzet van de publiekscatering;

- Dat het betaalsysteem reeds sinds september 1996 is geïmplementeerd en geëxploiteerd wordt.

- Dat voor dat doel binnen het a-stadion op bepaalde punten (zogenaamde Card Uitgifte Punten) door X automaten (genummerd 1 tot en met 50) zijn geplaatst, welke dienen voor de uitgifte van aa-Cards en door X aan E B.V. ter beschikking worden gesteld.

Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1 - algemeen

Onderdeel van het betaalsysteem binnen het a-stadion is de uitgifte van aa-cards via automaten. Door middel van deze automaten kunnen bezoekers van a-stadion een aa-card kopen.

(…)

Artikel 2 - Verplichtingen X

X behoudt de eigendom van de Card Uitgifte Automaten en zal derhalve zorgdragen voor aanschaf en onderhoud van deze automaten.

(…)

Tevens zal X verantwoordelijk zijn voor de beveiligen van de automaten tijdens en na het evenement. (…)

Artikel 4 - Vergoeding en betaling

(…)

X zal de volgende percentages in rekening brengen:

- 1% van de omzet vanaf 31 juli 1996;

- 2% van de omzet met ingang van 1 augustus 1998;

- 1,5% van de omzet met ingang van 1 augustus 1999.

De vergoeding zal rechtstreeks worden ingehouden op de omzetten van E B.V. en de overige concessionairs.(…)".

2.8. De overeenkomst tot verhuur van betaalterminals (hierna: overeenkomst 3) houdt onder meer het volgende in:

"In aanmerking nemende

- Dat E B.V. verantwoordelijk is voor de totale coördinatie op het gebied van de publiekscatering in het a-stadion, welke via inschakeling van verschillende andere partijen geschiedt;

- Dat X en E B.V. de intentie hebben om met het door X ontwikkelde elektronische betaalsysteem een hoog niveau van service in het stadion te realiseren, waarbij betaalsnelheid en gemak voor de klanten voorop staat;

- Dat het betaalsysteem E B.V. de mogelijkheid biedt toezicht en controle te behouden op de omzet van de publiekscatering;

- Dat het betaalsysteem reeds sinds september 1996 is geïmplementeerd en geëxploiteerd wordt.

- Dat voor de verwerking van de betalingen door de consument met de aa-Cards, speciale betaalterminals (genummerd 1 tot en met 400) zijn geïnstalleerd in het a-stadion door X ten behoeve van E.

Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1 - algemeen

X verhuurt de betaalterminals tegen een vaste vergoeding per jaar aan E. (…)

Artikel 2 - Verplichtingen X.

X (…) zal derhalve zorgdragen voor aanschaf en onderhoud van de betaalterminals.

(…)

Artikel 4 - Vergoeding en betaling

E is aan X een huurvergoeding verschuldigd van ƒ 100.000 excl. BTW per jaar voor gebruik van de terminals. (…)".

2.9. De overeenkomst tot het verrichten van management- en beveiligingsdiensten (hierna: overeenkomst 4) houdt onder meer het volgende in:

"In aanmerking nemende

- Dat E B.V. verantwoordelijk is voor de totale coördinatie op het gebied van de publiekscatering in het a-stadion, welke via inschakeling van verschillende andere partijen geschiedt;

- Dat X en E B.V. de intentie hebben om met het door X ontwikkelde elektronische betaalsysteem een hoog niveau van service in het stadion te realiseren, waarbij betaalsnelheid en gemak voor de klanten voorop staat;

- Dat het betaalsysteem E B.V. de mogelijkheid biedt toezicht en controle te behouden op de omzet van de publiekscatering;

- Dat het betaalsysteem reeds sinds september 1996 is geïmplementeerd en geëxploiteerd wordt;

- Dat in het kader van een veilige en efficiënte uitvoering van de publiekscatering, door X aanvullende diensten van managementvoering en beveiliging van de organisatie van de publiekscatering.

Verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1 - Algemeen

Ter ondersteuning van de publiekscatering in het a-stadion zullen door X aan E B.V. een aantal aanvullende diensten verricht worden.

Deze vaste diensten betreffen het verrichten van beveiligingswerkzaamheden, het aanbieden en exploiteren van extra verkooppunten tijdens evenementen en ondersteuning door middel van een event manager tijdens evenementen.

(…)

Artikel 4 - Vergoeding en betaling

E is aan X een vaste jaarlijkse vergoeding verschuldigd van ƒ 100.000 excl. BTW voor de verleende diensten beschreven in artikel 1. (…)".

3. Geschil

Uiteindelijk is tussen partijen nog in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Vormen de door belanghebbende op grond van de onder 2.6 tot en met 2.9. genoemde overeenkomsten verrichte activiteiten één dienst welke dienst is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, sub 2, van de Wet?

2. Zo het antwoord op vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, mocht belanghebbende dan aan paragraaf 5 van het Besluit van 30 december 1999, VB 99/2649, VN 2000/6.15, BTW 69, het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat de uitsluiting van de aftrek van voorbelasting beperkt blijft tot de omzetbelasting die rechtstreeks drukt op de aanmaak of verkoop van de "aa's"?

3. Zo het antwoord op vraag 1 ontkennend wordt beantwoord en de diensten voortvloeiend uit de vier overeenkomsten afzonderlijk dienen te worden beschouwd, is dan ter zake van de activiteiten als bedoeld in de overeenkomsten 2 en/of 3 en/of 4 een vrijstelling van toepassing? Tussen partijen is alsdan niet in geschil dat de diensten als bedoeld in overeenkomst 1 vrijgesteld zijn.

4. Standpunten van partijen

4.1. Verwezen wordt naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken en in de pleitnota's is vermeld.

4.2. Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

Namens belanghebbende:

De stelling dat ingeval de activiteiten die belanghebbende verzorgt als één dienst moeten worden aangemerkt deze dienst kwalificeert als de uitvoering van een concessiedienst door belanghebbende jegens E, wordt ingetrokken. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stelling dat sprake is van een vooruitbetaling en dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. In geschil is dan nog of de activiteiten van belanghebbende als één dienst dienen te worden beschouwd welke dienst ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel j, sub 2 van de Wet is vrijgesteld dan wel of de activiteiten voortvloeiende uit de overeenkomsten 2, 3 en 4 als afzonderlijke diensten dienen te worden beschouwd. Ingeval het Hof van oordeel is dat sprake is van één dienst doet belanghebbende de suggestie om aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag voor te leggen of ter zake de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, sub 2, van de Wet van toepassing is. Ingeval geen sprake is van één dienst en de overeenkomsten afzonderlijk dienen te worden beoordeeld bestaat tussen partijen geen verschil van mening dat met betrekking tot de eerste overeenkomst sprake is van een vrijgestelde dienst. Daarnaast wordt de stelling gehandhaafd dat zo de desbetreffende door belanghebbende verrichte activiteiten als één vrijgestelde dienst worden aangemerkt paragraaf 5 van het Besluit van 30 december 1999, BTW 69, inzake cadeaubonnen meebrengt dat de uitsluiting van de aftrek beperkt blijft tot de rechtstreeks op de aanmaak van de aa's drukkende omzetbelasting. Cijfermatig leidt een en ander tot het volgende: Zo het gelijk aan de inspecteur is en de onderhavige activiteiten van belanghebbende als één prestatie dienen te worden aangemerkt, welke prestatie is vrijgesteld, bestaat in beginsel geen recht op teruggaaf van omzetbelasting. Zo alsdan de stelling inzake het beroep op BTW 69 wordt gehonoreerd dient teruggaaf tot een bedrag van f 2410 te worden verleend. Zo de activiteiten van belanghebbende niet als één onsplitsbaar geheel dienen te worden beschouwd doch afzonderlijk per overeenkomst dienen te worden gekwalificeerd vertegenwoordigt ieder contract een belang van f 1607. Dat betekent dat de teruggaaf geheel dient te worden verleend, te weten f 4820, ingeval ter zake van geen van de drie overeenkomsten een vrijstelling van toepassing is; dat teruggaaf tot een bedrag van f 3214 dient te worden verleend zo ter zake van één overeenkomst een vrijstelling van toepassing is; dat teruggaaf tot een bedrag van f 1607 dient te worden verleend zo ter zake van twee overeenkomsten een vrijstelling van toepassing is en dat zo ter zake van drie overeenkomsten een vrijstelling van toepassing is de teruggaaf geheel dient te worden geweigerd.

Als aanvulling op de feiten moet gezegd worden dat het elektronische betalings-systeem iets virtueels is. aa's zijn 50 cent per stuk waard maar bestaan niet echt. Wat er zou gebeuren ingeval belanghebbende ervan af zou willen zien betaalterminals ter beschikking te stellen en de andere drie overeenkomsten wèl zou willen continueren is niet geregeld. Er zou nader overleg tussen partijen moeten plaatsvinden. Niet ont-kend kan worden dat er onderlinge samenhang bestaat tussen de vier overeen-komsten. Het ene element kan niet functioneren zonder het andere element. Het is echter de vraag of dat noodzakelijkerwijs tot de conclusie leidt dat één dienst wordt verricht. Belanghebbende heeft de verant-woor-delijkheid en supervisie over het functioneren van het systeem. Ter zake van de beveiligingsdiensten geregeld in overeenkomst 4 zijn geen nadere stukken beschikbaar. De management- en beveiligingswerkzaamheden kunnen worden vergeleken met de beveiliging van een kassa en behelzen geen los van het aa-Card systeem staande beveiligingswerkzaamheden. Met betrekking tot de adviesdiensten die belanghebbende verricht, genoemd in het beroepschrift, geldt dat belanghebbende aan het b-stadion voorlichting en informatie heeft verstrekt over elektronische betalingssystemen. Met betrekking tot de overgelegde stukken geldt dat bijlage D, genoemd in de concessie-overeenkomst met G, niet bestaat.

De inspecteur:

De inspecteur onderschrijft de cijfermatige invulling van belanghebbende van de geschilpunten. Ter zake bestaat tussen partijen geen verschil van mening.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Uit de considerans bij de onder 2.6 tot en met 2.9 genoemde overeenkomsten leidt het Hof af dat belanghebbende op basis van deze overeenkomsten een reeks van handelingen verricht jegens E B.V. in het kader van het in het a-stadion exploiteren van een elektronisch betalingssysteem.

5.2. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 25 februari 1999, nr. C-349/96 (Card Protection Plan Ltd., onder meer gepubliceerd in BNB 1999/224) overwogen dat bepaald moet worden wat de kenmerkende elementen van de handelingen zijn ten einde te bepalen of de belastingplichtige de consument, beschouwd als een modale consument, meerdere van elkaar te onderscheiden hoofddiensten dan wel één enkele dienst verleent. Het Hof van Justitie beklemtoont dat er sprake is van één dienst ingeval één of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl één of meerdere andere elementen moeten worden beschouwd als één of meer bijkomende diensten, die het fiscale lot van de hoofddienst delen. Als bijkomende diensten dienen in dit verband te worden verstaan diensten die voor de klant geen doel op zichzelf vormen, maar middelen om de hoofddienst zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

5.3. Gelet op de inhoud van de onder 2.6 tot en met 2.9 genoemde overeenkomsten en de daarbij behorende considerans worden de door belanghebbende verrichte activiteiten gekenmerkt door een reeks van onderling samenhangende handelingen en elementen waarvan het verhuren van betaalterminals en van Card Uitgifte Automaten alsmede het verzorgen van de administratie slechts onderdelen vormen. Overheersend is naar 's Hofs oordeel dat er een betalingssysteem als geheel wordt geëxploiteerd, voor welke exploitatie belanghebbende, zoals ter zitting is verklaard, de verantwoordelijkheid heeft. Aan het exploiteren van een dergelijk systeem is onlosmakelijk verbonden dat er chipkaarten kunnen worden gekocht, dat er betalingen door middel van chipkaarten kunnen worden verwerkt, en dat ter zake een administratie wordt bijgehouden. Dit strookt ook met de verklaring van belanghebbende ter zitting dat de des-betreffende activiteiten onderling samenhangen en niet zonder elkaar kunnen functioneren. Dit geheel betekent naar 's Hofs oordeel dat de desbetreffende handelingen één dienst vormen. Met betrekking tot de management- en beveiligings-werkzaamheden heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat deze werkzaamheden niet als louter bijkomend aan het functioneren van het systeem dienen te worden beschouwd. Deze werkzaamheden behelzen, aldus heeft belanghebbende ter zitting verklaard, niet meer dan de normale beveilings-werkzaamheden bij de exploitatie van een elektronisch of contant betalingssysteem. De desbetreffende beveiligingswerkzaamheden zijn daarmee naar 's Hofs oordeel bijkomend, zodat deze het lot van de hoofddienst delen.

5.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de werkzaamheden van belanghebbende bestaande uit het realiseren en exploiteren van een elektronisch betalingssysteem als één prestatie dienen te worden beschouwd waar de verhuur van de Card Uitgifte Automaten, de verhuur van betaalterminals en het verrichten van management- en beveiligings-diensten deel van uitmaken.

5.5. Ter zake van de dienst die belanghebbende verricht bestaande uit het exploiteren van een elektronisch betalingssysteem, is naar 's Hofs oordeel de vrijstelling van artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel j, sub 2 van de Wet met betrekking tot handelingen inzake betalingen, van toepassing. Redelijkerwijs is niet voor twijfel vatbaar dat deze uitleg inzake de reikwijdte van de vrijstelling overeenstemt met de corresponderende bepaling in artikel 13 B, onderdeel d, sub 3, van de Zesde richtlijn. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 5 juni 1997, nr. C-2/95 (SDC), VN 1997/2606, is in dit verband van belang dat de activiteiten die worden verricht een afzonderlijk geheel vormen dat de kenmerkende en essentiële functies vervult van de vrijgestelde dienst, in casu handelingen betreffende betalingen.

5.6. Voor zover belanghebbende zich beroept op het besluit van de Staatssecretaris van 30 december 1999, VB 99/2649, V-N 2000/6.15, inzake de heffing van omzetbelasting bij de verstrekking van cadeaubonnen geldt het volgende.

5.7. In dit besluit is onder meer het volgende opgenomen:

"§ 5. Aftrek van voorbelasting

Omdat handelingen inzake waardepapieren zijn vrijgesteld van omzetbelasting, bestaat terzake geen aanspraak op de aftrek van voorbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet. In aanmerking nemende dat het de cadeaubonnen verstrekkende ondernemer primair te doen is om de verkoop van zijn artikelen of het verrichten van zijn diensten, kan ik mij erin vinden dat de inperking van de aftrek beperkt blijft tot de omzetbelasting die rechtstreeks drukt op de aanmaak of aankoop van de cadeaubonnen. Dit geldt in beginsel voor alle bij het cadeaubonnen-verstrekkingssysteem betrokken ondernemers. Wat betreft de cadeaubonnen-centrales en andere organisaties van ondernemers die zich naast de aanmaak en de verkoop van cadeaubonnen ook bezig houden met de financiële afwikkeling van de bonnen, ben ik van mening dat de wettelijke regels inzake de aftrek waaronder ook de toerekenings-, herrekenings- en herzieningsregels in de artikelen 11 tot en met 14 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, op hen onverkort van toepassing zijn."

5.8. Belanghebbende is geen ondernemer die aa-Cards uitgeeft met het primaire doel artikelen te verkopen en diensten te verrichten. Belanghebbende is veeleer aan te merken als een in de laatste volzin van par. 5 van meerbedoeld besluit bedoelde ondernemer. Reeds op die grond kan belanghebbende aan dat besluit niet het vertrouwen ontlenen dat de uitsluiting van de aftrek van voorbelasting beperkter van omvang zou zijn dan uit de wettelijke bepalingen volgt. In het midden kan dan blijven de vraag of de door belanghebbende uitgegeven aa-Cards zijn aan te merken als cadeaubonnen in de zin van het besluit.

5.9. Gelet op al het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de inspecteur. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat geen aanspraak op teruggaaf van omzetbelasting bestaat, zodat het beroep ongegrond is.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond

De uitspraak is vastgesteld op 11 maart 2002 door mr. Bijl, voorzitter, mrs. Vrouwenvelder en Brouwer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Aalst als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.