Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0915

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2002
Datum publicatie
02-04-2002
Zaaknummer
01/01543
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en broer vormen de directie van de BV, waarvan zij enig aandeelhouder zijn. Twintig procent van de cataloguswaarde van de door de BV aan hen beiden ter beschikking gestelde auto wordt bij ieder van hen voor de helft in aanmerking genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/604
V-N 2002/20.1.16
FutD 2002-0913
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is op 15 mei 2001 ter griffie van het gerechtshof een beroepschrift ontvangen, ingediend door A (...) te Q als zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 4 april 2001, betreffende de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

1.2. De aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 80.576. De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.305 en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de navorderingsaanslag.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep.

1.5. Ter zitting van 7 februari 2002 zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, vergezeld van XY, alsmede namens de inspecteur B, vergezeld van C.

1.6. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van belanghebbende betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1995 tot en met 1998 en een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999, ingeschreven bij het Hof onder respectievelijk het kenmerk 01/01543, 01/01544, 01/01545, 01/01546 en 01/01547. Tevens zijn behandeld de beroepen van XY betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1995 tot en met 1998 en een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999, ingeschreven bij het Hof onder respectievelijk het kenmerk 01/01549, 01/01550, 01/01551, 01/01552 en 01/01553, alsmede het beroep van X&XY B.V. betreffende de naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999, bij het Hof ingeschreven onder kenmerk 01/01554.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende en zijn broer XY (hierna: de broer) bezitten - ieder voor de helft - alle aandelen in de besloten vennootschap X&XY te R (de BV). Beide broers vormen tevens de directie van de BV. De BV exploiteert een autoschadeherstelbedrijf.

2.2. De belastingdienst heeft op 18 februari 2000 een onderzoek ingesteld bij de BV. Daarbij is geconstateerd dat de BV in de jaren 1995 tot en met 1999 steeds één tot haar ondernemingsvermogen behorende personenauto - van een wisselend merk of type - aan belanghebbende en de broer ter beschikking heeft gesteld in verband met het door hen verrichten van arbeid. Deze personenauto wordt ook wel aangeduid als directie-auto en hierna als: de auto. De auto staat in het weekeinde bij toerbeurt ter beschikking van belanghebbende en de broer en op werkdagen van de broer. Op werkdagen staat een andere tot de onderneming behorende personenauto, ook wel aangeduid als service-auto, ter beschikking van belanghebbende.

2.3. Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek heeft de inspecteur door middel van de onder 1.6 vermelde belastingaanslagen de belastbare inkomens van belanghebbende en die van de broer voor de jaren 1995 tot en met 1999 verhoogd met - bij ieder de helft van - 20% van de cataloguswaarde van de auto, en aan de BV ter zake van het privé-gebruik een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 1995 tot en met 31 december 1999.

2.4.1. Tot de door belanghebbende overgelegde stukken behoren onder meer afschriften van vier huur/bruikleenovereenkomsten uit het jaar 1995 betreffende de auto, alsmede enkele facturen en andere bescheiden betreffende - het gebruik van - de auto.

2.4.2. Voorts heeft belanghebbende overgelegd met de hand ingevulde lijsten voor de jaren 1995 tot en met 1999 betreffende ritten met de auto. Van de op deze lijsten voorkomende kolommen:

Datum Ritnr. Van Naar Beginstand Eindstand Doel Prive

zijn de kolommen Ritnr., Doel en Prive niet ingevuld. Voor het jaar 1995 bestaat de lijst 1 bladzijde, voor de jaren 1996 en 1997 uit per jaar 2 bladzijden en voor de jaren 1998 en 1999 uit per jaar 3 bladzijden. De lijsten zijn achteraf ingevuld, onder meer aan de hand van - en eveneens bij de stukken gevoegde - bescheiden, zoals facturen e.d.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende voor de toepassing van artikel 42 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) heeft doen blijken dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt. Het bedrag waarvoor dit gebruik bij belanghebbende in aanmerking is genomen is niet in geschil.

4. Standpunten van partijen en behandeling ter zitting

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld.

4.2. Ter zitting is daaraan nog het volgende toegevoegd door:

4.2.1. belanghebbende, zijn broer en/of zijn gemachtigde:

Een 100%-verantwoorde kilometeradministratie kunnen we niet geven. Ons bedrijf is administratief goed geordend, alleen is de basisadministratie zoek, dat komt onder meer door een verbouwing en omdat er een computer is verdwenen. We hebben alle gegevens in de bezwaarfase verstrekt. Er is indertijd een compromisvoorstel gedaan. We hebben dat toen afgewezen omdat we dachten dat we voldoende bewijs hadden. Het hoge aantal kilometers voor het woon-werkverkeer kan verklaard worden door enerzijds de verhuizing en anderzijds het vele overwerk, waardoor de rit van het werk naar huis en terug vaak meer dan eenmaal per dag werd afgelegd. Bovendien heeft de controleur gezegd "dat woon-werkverkeer geloof ik wel, ik wil de dealerritten zien". Privé beschikken wij beiden over een auto. De directie-auto nemen wij na werktijd mee naar huis omdat wij een 24-uurservice verlenen. Als een automobilist pech heeft met zijn auto en hij zijn auto door ons bedrijf wil laten repareren, wordt die auto naar ons bedrijf gesleept, ongeacht de dag of het tijdstip van de dag. Als dat buiten werktijd het geval is, moet één van ons naar het bedrijf om de desbetreffende auto in ontvangst te nemen en een vervangende auto aan de automobilist ter beschikking te stellen.

4.2.2. de inspecteur:

Ik ben niet op de hoogte van een voorstel tot een compromis en ik ben ook niet bereid tot een compromis. De in bezwaar ingeleverde stukken zijn onvoldoende voor het te leveren bewijs. Voorts stel ik mij op het standpunt dat de ritten van het werk naar huis en terug naar het werk privé-ritten zijn.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Wet wordt ingeval aan een belastingplichtige in verband met het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking is gesteld, tot de inkomsten uit arbeid gerekend ten minste het bedrag waarmee twintig procent van de catalogusprijs van de auto de vergoeding welke de belastingplichtige ter zake van het gebruik, anders dan ten behoeve van het verrichten van arbeid, verschuldigd is, te boven gaat. Ingevolge artikel 42, vijfde lid van de Wet is het derde lid niet van toepassing indien blijkt dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

5.2. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de BV de auto aan belanghebbende en aan zijn broer ter beschikking heeft gesteld en gesteld noch gebleken is dat belanghebbende en/of zijn broer een vergoeding verschuldigd zijn voor het gebruik, wordt 20% van de cataloguswaarde van de auto tot de inkomsten uit arbeid van belanghebbende en van zijn broer gerekend, tenzij het in het vijfde lid van artikel 42 bedoelde bewijs wordt geleverd.

5.3.1. Belanghebbende stelt dat dit bewijs geleverd is met de in 2.4.1. bedoelde bescheiden en de voor het onderhavige jaar ingevulde lijst, zoals weergegeven onder 2.4.2.

5.3.2. De zojuist bedoelde lijst bevat slechts een globale specificatie van de met de auto gemaakte ritten. Zo is daarop globaal per kwartaal vermeld het totale aantal kilometers dat is afgelegd voor onder meer het woon-werkverkeer, het wegbrengen van klanten en de ritten naar dealers.

Een specificatie van individuele ritten, met per rit een vermelding van het doel van de rit en de afgelegde afstand, ontbreekt. Ook de door belanghebbende overgelegde andere bescheiden, voor zover deze al ten grondslag liggen aan de op de lijst ingevulde gegevens, geven geen dan wel onvoldoende inzicht in de mate waarin de auto voor privé-gebruik is gebezigd.

5.3.3. Belanghebbende is er dan ook niet in geslaagd door middel van de door hem verstrekte gegevens het bewijs te leveren als bedoeld in het vijfde lid van artikel 42 van de Wet. In verband hiermee kan het Hof voorbijgaan aan de betwisting door de inspecteur van het aantal door belanghebbende als woon-werkverkeer aangemerkte kilometers.

5.4. Voor zover belanghebbende stelt dat in de bezwaarfase bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de onder 2.4. genoemde stukken voldoende bewijs vormen, merkt het Hof op dat voor deze stelling onvoldoende bewijs is geleverd. Ook kent het Hof geen betekenis toe aan hetgeen belanghebbende heeft gesteld omtrent een in de bezwaarfase gedaan voorstel tot een compromis, reeds omdat dit voorstel door belanghebbende is afgewezen.

5.5. Nu uit het vorenoverwogene volgt dat voor het buiten toepassing laten van het bepaalde in artikel 42, derde lid, van de Wet geen reden is, en het bedrag waarvoor het privé-gebruik bij belanghebbende in aanmerking is genomen niet in geschil is, is het beroep ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 28 maart 2002 door mrs. Onnes, Boersma en Goes, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.