Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0798

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
28-03-2002
Zaaknummer
23-001484-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietpartij in Club Esther te Haarlem, waarbij 4 slachtoffers (vermoedelijk Hell's Angels) werden gedood.

Beroep op noodweer slaagt alleen voor het onder 1 tenlastegelegde feit. Voor overige feiten verwerping van beroep op putatief noodweer, dan wel noodweerexces dan wel psychische overmacht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001484-01

datum uitspraak 26 maart 2002

tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 19 april 2001 in de strafzaak onder parketnummer 15/035063-00 van

HET OPENBAAR MINISTERIE

tegen

J. L.,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting te [verblijfplaats].

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 4 en 5 april 2001 en in hoger beroep van 28 januari 2002, 31 januari 2002, 7 februari 2002, 14 februari 2002, 28 februari 2002 en 14 maart 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen staat vermeld in de inleidende dagvaar-ding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgeno-men.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Het hof is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is tenlaste-gelegd, met dien verstande dat hij

-ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde-

op 20 februari 2000 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk R.G. T. van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet met vuurwapens kogels in de richting van deze T. afgevuurd, door welke kogels deze T. is getroffen in diens lichaam, tengevolge waarvan voornoemde T. is overleden;

-ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde-

op 20 februari 2000 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk J.F. van K. van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet met vuurwapens kogels in de richting van deze Van K. afgevuurd, door welke kogels deze Van K. is getroffen in diens lichaam, tengevolge waarvan voornoemde Van K. is overleden;

-ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde-

op 20 februari 2000 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk J. van de V. van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet met een of meer vuurwapen(s) kogels in de richting van deze Van de V. afgevuurd, door welke kogels deze Van de V. is getroffen in diens lichaam, tengevolge waarvan voornoemde Van de V. is overleden;

-ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde-

op 20 februari 2000 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk F.G. N. van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet met een of meer vuurwapen(s) kogels in de richting van deze N. afgevuurd, door welke kogels deze N. is getroffen in diens lichaam, tengevolge waarvan voornoemde N. is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blij-kens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daar-door niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

1. In de nacht van zondag 20 februari 2000 betrad een groep van vier mannen Club Esther. Kort daarna kwam er nog een groep binnen, ditmaal bestaande uit drie mannen. Deze zeven mannen in totaal hadden bij L., J. A., de bardame, en bij Van de P. de indruk gewekt dat zij bij elkaar hoorden. De leden van de twee groepen hadden onderling contact; zij spraken met elkaar. De groep van drie is niet lang in Club Esther gebleven.

J. A. heeft verklaard dat één man van de groep van vier een korte jas droeg waarop stond 'Hell´s Angels' en dat de langste van de vier opviel door zijn gedrag. Hij liep heen en weer door de bar en gedroeg zich, volgens J. A., vervelend. Zij had de indruk dat deze man en de man met de Hell´s Angel-jas ruzie zochten met andere aanwezigen. Twee van de in de club aanwezige prostituees hadden zich bij haar beklaagd dat de lange man hun een klap in het gezicht had gegeven. Volgens A. verkilde de sfeer in de club na hun komst en gingen er klanten weg.

Uit de verklaringen van Van de P. blijkt dat hij ervan uitging dat alle zeven mannen Hell´s Angels waren: hij had namelijk niet alleen de man met het jasje gezien, maar meende één van de groep van drie als de president van de Hell´s Angels te hebben herkend. Van de P. verklaart eveneens dat na binnenkomst van de zeven mannen de sfeer in de club was verziekt. De man van wie Van de P. later heeft begrepen dat het R. T. was, liep volgens Van de P. meteen naar de deur waar 'privé' op stond en vroeg naar de baas. Die was niet aanwezig. T. liep door de club, draaide aan de geluidsknop van de muziek en ging voor de deur staan, zodat niemand er meer door kon. Hij liet meermalen zien dat hij een pistool in zijn broeksband had gestopt. Van de P. verkeerde, volgens eigen zeggen, in de veronderstelling dat ook de anderen in het bezit zouden zijn van een vuurwapen. Van de P. meende verder nog te hebben begrepen dat de mannen voor de baas van de club, René S., waren gekomen met wie ze nog iets te regelen hadden, en dat ze hem, Van de P., zagen als iemand die bij S. hoorde. Van de P. had, anders dan L. en A., niet een duidelijke functie in Club Esther; hij was stil aanwezig en hij dacht dat dat zou opvallen. Van de P. heeft de sfeer die was ontstaan als zeer dreigend ervaren en is bang geworden.

Ook L. heeft verklaard dat er een gespannen sfeer in de club was ontstaan en dat bij binnenkomst van de twee groepen mannen was gevraagd waar de baas was. L. dacht ook dat allen Hell´s Angels waren. Volgens hem gingen ze de dienst uitmaken in de club. T. gedroeg zich onbeschoft en agressief, met name tegenover de bardame en liet blijken dat hij een wapen bij zich droeg.

2. Op grond van de hiervoor genoemde verklaringen van A., Van de P. en L. is aannemelijk dat bij Van de P. en L. de indruk is ontstaan en ook kon ontstaan dat zij met een groep Hell´s Angels te maken hadden en dat beiden, ook nadat er drie waren vertrokken, de in de club achtergebleven groep van vier als zeer bedreigend hebben ervaren, niet het minst door het optreden van T..

Het hof merkt op dat uit het dossier blijkt dat de drie overige leden van de groep, H. van K., K. van de V. en F. N. zich geenszins agressief hebben gedragen, maar eerder hebben getracht T. in zijn gedrag te remmen. Gebleken is ook dat de angst van L. en van Van de P. dat de drie anderen eveneens een vuurwapen hadden, ongegrond was. Deze omstandigheden doen er evenwel niet aan af dat Van de P. en L. het optreden van de groep van vier als bedreigend hebben ervaren en ten dele ook zo konden ervaren.

3. Op een gegeven moment is het optreden van T. geëscaleerd. Toen waren N., de man met het Hell´s Angel-jasje, en Van de V. niet meer in de bar aanwezig omdat zij zich met een prostituee in een kamertje hadden teruggetrokken. Van K. zat op een kruk aan de bar. Ook T. was inmiddels aan de bar gaan zitten. Tussen T. en J. A. was een onaangename woordenwisseling ontstaan. T. wenste zich met haar af te zonderen. Toen zij echter bleef weigeren met hem naar een kamertje te gaan schold hij haar uit voor ´kankerhoer`. Daarop begon A., blijkens haar verklaring, tegen T. te schreeuwen en zei dat hij 'moest kappen of anders weggaan, ik ben geen hoer'. T. ging toen staan en gooide een bierglas in de richting van A.. A. kon wegduiken en het glas spatte uiteen tegen de spiegelwand achter het buffet van de bar. Toen A. zich weer oprichtte, zag zij dat T. een vuurwapen in zijn hand hield en dat op haar richtte en dat Van de P. van zijn barkruk was opgestaan. T. richtte het wapen ook op Van de P. en zei 'ik heb schijt aan iedereen, niemand maakt me wat'. Vervolgens hebben de gebeurtenissen elkaar zeer snel opgevolgd. L., gealarmeerd door de herrie in de bar, komt uit het kantoortje met een doorgeladen vuurwapen de bar in en ziet dat T. een pistool gericht houdt op A. en Van de P.. Hij schiet T. in zijn hoofd en schiet ook op Van K.. T. valt op de grond en laat daarbij zijn vuurwapen los. Van de P. loopt naar T., grijpt het wapen, schiet op T. en schiet vervolgens ook op Van K.. Aannemelijk is dat kort daarna Van de V., kennelijk gealarmeerd, de kamer waarin hij verbleef heeft verlaten en zich heeft begeven in de richting van de bar. Van de P. ziet zich dan geconfronteerd met Van de V. en schiet hem neer. Van de P. ziet vervolgens dat N. ook in de gang is gekomen en schiet ook hem neer.

Of L. in de garage, waar de lichamen van de slachtoffers zijn neergelegd, ook nog een of meer kogels heeft afgevuurd op een of meer van de getroffenen, is niet met voldoende mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld.

4. In het licht van deze elkaar zeer snel opgevolgde gebeurtenissen acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat R.G. T., J.F. van K., J. van de V. en F.G. N. met voorbedachten rade van het leven zijn beroofd. Aannemelijk is dat de bewezen geachte handelingen steeds zijn ingegeven en uitgevoerd onder invloed van een plotselinge en heftige gemoedsbeweging. Dit geldt zowel voor het schieten op T. en Van K., als ook voor het schieten op Van de V. en N.. Dat wil zeggen dat het hof van oordeel is dat moord niet bewezen is.

5. Met betrekking tot het oordeel dat Van de P. en L. tezamen en in vereniging R.G. T., J.F. van K., J. van de V. en F.G. N. van het leven hebben beroofd, overweegt het hof het volgende.

6. T. is getroffen door drie kogels. L. en Van de P. hebben na elkaar op het hoofd van T. geschoten en dus beiden het opzet gehad hem van het leven te beroven. Beiden hebben daarmee gereageerd op een en dezelfde, door T. gecreëerde, bedreigende situatie. Hun handelen heeft daardoor een zodanig verband gekregen dat zij als medeplegers van doodslag op T. moeten worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden is niet van belang door wiens schot of schoten T. dodelijk is getroffen.

7. L. en Van de P. hebben ieder geschoten op Van K., die naast T. aan de bar zat. Aannemelijk is dat de eerder genoemde door hen ervaren groepsdreiging en de vrees, althans bij Van de P., dat ook Van K. een vuurwapen had, ertoe heeft geleid dat L. en Van de P. nagenoeg gelijktijdig en daarmee welbewust tezamen op Van K. schoten hebben afgevuurd. Mitsdien hebben L. en Van de P. tezamen en in vereniging Van K. van het leven beroofd.

8. Van de V. en N. zijn ieder door drie kogels getroffen. Van de P. heeft verklaard dat hij slechts eenmaal op Van de V. en N. heeft geschoten. De vraag of de andere schoten op Van de V. en N. dan niet door hem, maar door L. zijn afgevuurd, kan evenwel in het midden blijven. Het hof heeft reeds geoordeeld dat het schieten op T. en Van K. bij L. en Van de P. heeft geleid tot een bewustzijn van samenwerking bij deze twee daders. Het hof acht aannemelijk dat bij het schieten op achtereenvolgens Van de V. en N., hun gezamenlijke opzet op levensberoving is blijven bestaan, nu het tegendeel niet uit handelingen van L. is gebleken. Het hof baseert dit oordeel mede op het feit dat het gezamenlijk handelen van Van de P. en L. heeft voortgeduurd. Dit komt tot uiting in het wegdragen van de lichamen van de getroffenen naar de garage, het tezamen weggaan in één auto, het tijdens de autorit vernietigen door Van de P. van de videoband met opnamen van de bar die door L. eerder uit het opnameapparaat in het kantoortje was weggenomen, alsmede het meenemen van de twee gebruikte vuurwapens in één tas door L.. De conclusie luidt derhalve dat ook Van de V. en N. door L. en Van de P. tezamen en in vereniging van het leven zijn beroofd.

De strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

1. De raadsman heeft, mede onder verwijzing naar de in eerste aanleg overgelegde pleitaantekeningen, betoogd dat L. heeft gehandeld uit noodweer dan wel in noodweerexces dan wel uit psychische overmacht.

Ter beoordeling van dit verweer gaat het hof uit van de feiten en omstandigheden die vermeld zijn in de nadere bewijsoverwegingen onder 2 en 3 en voegt daar nog het volgende aan toe.

T. gooit het bierglas dat tegen de spiegelwand uit elkaar spat. Onmiddellijk daarna richt hij een vuurwapen op J. A. en Van de P.. Daardoor ontstaat voor hen beiden -mede gelet op het agressieve gedrag van T. dat daaraan vooraf is gegaan- een acute dreiging van een wederrechtelijke aanranding. Verdachte mocht J. A. en Van de P. tegen deze acute dreiging verdedigen. Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet gesproken kan worden van disproportioneel handelen, nu niet valt in te zien dat er een andere manier was waarop aan de directe bedreiging van T. een einde kon worden gemaakt.

Het beroep op noodweer slaagt derhalve voor zover het het onder 1 tenlastegelegde feit betreft.

2. De raadsman heeft voorts betoogd dat verdachte ten aanzien van Van K., Van de V. en N. handelde uit putatief noodweer, dan wel in noodweerexces dan wel uit psychische overmacht.

Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden volgt weliswaar dat verdachte de groep van vier als zeer bedreigend heeft ervaren en ten dele ook heeft kunnen ervaren, maar niet dat er naast T. ook van één van de anderen daadwerkelijk een dreiging uitging. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan verdachte redelijkerwijs kon vrezen voor een van de kant van Van K., Van de V. of N. afkomstige ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

De raadsman heeft aan het verweer dat verdachte handelde uit psychische overmacht geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd dan die welke hij in het kader van de vorige verweren heeft aangevoerd. Deze feiten of omstandigheden zijn evenmin aannemelijk geworden.

Dit verweer faalt derhalve in al zijn onderdelen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baarheid van het bewezenver-klaarde -voor zover het de onder 2, 3 en 4 telkens primair bewezenverklaarde feiten betreft- uitsluit, zodat deze feiten straf-baar zijn.

Het onder 2, 3 en 4 telkens primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd.

De op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd de verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De rechtbank en ook de advocaat-generaal hebben ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten telkens medeplegen van moord bewezen geacht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandig-heden waar-onder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals een en ander ter terechtzitting aannemelijk is geworden.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Uit de bewezenverklaring volgt dat er vier slachtoffers zijn te betreuren. Verdachte wordt strafrechtelijk voor de dood van drie van hen verantwoordelijk gehouden.

Verdachte heeft samen met zijn mededader deze drie mensen op gewelddadige wijze van het leven beroofd. Aan de nabestaanden, die geruime tijd in onzekerheid hebben verkeerd over het lot van hun dierbaren, is groot leed toegebracht. Door het feit dat drie mensen binnen zeer korte tijd als gevolg van geweld het leven hebben verloren, is de rechtsorde buitengewoon ernstig aangetast.

Verdachte heeft aanvankelijk met betrekking tot T. in een noodweersituatie gehandeld, doch is daarna, als eerste, gaan schieten op het eerste slachtoffer van de drie die toen volgden.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 27 augustus 2001 blijkt dat hij eerder voor geweldsmisdrijven is veroordeeld.

Het hof heeft in aanmerking genomen de inhoud van het rapport van het Pieter Baan Centrum, opgemaakt op 13 november 2000 door psycholoog A.J. de Groot en psychiater T.A. Wouters in het kader van onderhavige strafzaak. Uit dit rapport komt het volgende naar voren.

De veronderstelling is aannemelijk dat er bij verdachte sprake is van een progressieve desintegratieve en defectueuze, in casu schizofrene ontwikkeling. Verdachte komt naar voren als een weliswaar uiterlijk vriendelijke en beheerste man, maar bij nader onderzoek in wezen als een zeer trage, achterdochtige, innerlijk verbrokkelde en weinig energieke man die krampachtig poogt de indrukken die hij opdoet te vangen in een schematisch militaristisch vormgegeven voorstelling van de realiteit. Hij is daarbij niet meer goed in staat door middel van temporisatie herinneringen te groeperen en een zekere continuïteit van zijn bestaan te beleven. Verdachte leeft -compensatoir- in de rol van een centrale controlerende en bewakende persoon die zich ten doel heeft gesteld de wereld (en in elk geval zijn eigen omgeving) tegen kwade groeperingen te beschermen. Met betrekking tot het tenlastegelegde wordt ervan uitgegaan dat er sprake was van een situatie van toenemende spanning. Verdachte heeft de neiging tot het ontwikkelen van grootheidsideeën, waardoor eerder een aanzuigende dan een vermijdende reactie op bedreigingen ontstaat. In een escalerende situatie (vergelijkbaar met die welke zich heeft voorgedaan in de bar van Club Esther) decompenseert verdachte volledig en denkt hij slechts in militaire schema´s. Om die reden achten de onderzoekers verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Gelet op het feit dat verdachte zich vanuit de hiervoor omschreven stoornis (de neiging om zich groter te presenteren dan hij is) gemakkelijk weer in een soortgelijk milieu zal kunnen begeven teneinde een soortgelijke bewakingsfunctie te aanvaarden, en de kans dat zijn psychisch functioneren niet zonder meer zal verbeteren, wordt de kans op recidive van soortgelijke delicten als de hem thans tenlastegelegde niet onaannemelijk geacht.

Het rapport heeft als advies om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het rapport heeft als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen en dat verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens dat deze feiten -indien bewezen- hem in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de deskundigen hun standpunt met betrekking tot de geconstateerde stoornis (vrij ernstig) gehandhaafd en de toerekeningsvatbaarheid (verregaand ontoerekenbaar) gehandhaafd en toegelicht. De deskundigen zijn van oordeel dat het proces niet is te genezen, maar wel met medicatie is te verbeteren.

Het hof verenigt zich met de conclusie van voormeld PBC-rapport en maakt die tot de zijne. Het hof heeft ook de inhoud van de overige zich in het dossier bevindende adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht in aanmerking genomen. Het hof is, gelet op voornoemd PBC-rapport van oordeel dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen zulks vereist en de thans bewezenverklaarde feiten (telkens) een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Het hof is van oordeel, dat de bewezen verklaarde, zeer ernstige feiten niet volledig, maar wel in zodanige mate aan verdachte zijn toe te rekenen dat slechts een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. Het hof is met eenparigheid van stemmen van oordeel dat, ook nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan die waarop de vordering van de advocaat-generaal is gebaseerd en niettegenstaande het ontslag van rechtsvervolging van verdachte ter zake van feit 1, na te noemen straf en maatregel passend en geboden is.

De vordering tot schadevergoeding

H. van D., echtgenote van wijlen R.G. T., wonende te [plaats], [adres], heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding -in verband met het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit- van geleden schade ingediend tot een bedrag van fl. 24.803,74.

J.F. van K., vader van wijlen J.F. van K., wonende te [plaats], [adres], heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding -in verband met het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde feit- van geleden schade ingediend tot een bedrag van fl. 32.068,27.

E.W. V. , echtgenote van wijlen J. van de V., wonende te [plaats], [adres] ([gemachtigde, advocaat te [plaats]), heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding -in verband met het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde feit- van geleden schade ingediend tot een bedrag van fl. 16.547,75.

De verdachte heeft de vorderingen van de benadeelde partijen niet betwist.

Het hof zal de benadeelde partij H. van D. niet ontvankelijk verklaren in de vorde-ring tot vergoeding van geleden schade, nu verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij J.F. van K., toewijzen tot een bedrag van fl. 27.727,11 (= € 12.582,01), nu aannemelijk is dat door haar tenge-volge van het onder 2 bewezen-verklaarde schade is geleden en wel tot dat bedrag.

Het hof zal de benadeelde partij Van K. in alle voornoemde onderdelen van de vordering niet ontvankelijk verklaren, nu dat deel van haar vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij E.W. V. ([gemachtigde, advocaat te [plaats]), toewijzen tot een bedrag van fl. 16.547,75 (= € 7.509,04), nu aannemelijk is dat door haar tenge-volge van het onder 3 bewezen-verklaarde schade is geleden en wel tot dat bedrag.

Het hof legt geen schadevergoedingsmaatregel op.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op artikel 37, 37a, 37b, 47, 57 en 287 van het Wet-boek van Straf-recht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde feiten, zoals hierboven om-schreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair meer of anders is tenlastegelegd en spr-eekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Verklaart dat het onder 2 primair, 3 primair en 4 primair bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het onder 2 primair, 3 primair en 4 primair bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van

VIJFTIEN (15) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuit-voerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in minde-ring wordt gebracht.

Gelast voorts dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart de benadeelde partij H. van D. niet ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk met M. van de P., des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij E.W. V. , echtgenote van wijlen J. van de V., wonende te [woonplaats], [adres] ([gemachtigde, advocaat te [plaats]), de somma van € 7.509,04 (zevenduizend vijfhonderd en negen euro en vier eurocent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de ten uitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten, tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk met M. van de P., des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij J.F. van K., wonende te [woonplaats], [adres], de somma van € 12.582,01 (twaalfduizend vijfhonderd en tweeëntachtig euro en één eurocent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de ten uitvoerlegging van dit arrest nog te maken kosten, tot heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij J.F. van K. voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Splinter-Van Kan, Scholten en Van Asperen, in tegenwoordigheid van mr. Meerbeek als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2002.