Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0791

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2002
Datum publicatie
25-07-2002
Zaaknummer
23-001966-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 37a
Wetboek van Strafrecht 37b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrestnummer:

Rolnummer: 23-001966-01

Datum uitspraak: 19 februari 2002

Tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 23 mei 2001 in de strafzaak onder parketnummer 16/120565-99 tegen

[verdachte],

geboren te Utrecht op 6 januari 1978,

volgens mededeling ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2001

verblijvende te [adres],

thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Utrecht,

3439 LC Nieuwegein, De Liesbosch 100.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 25 augustus 2000 en 10 mei 2001 en in hoger beroep van 16 november 2001 en 5 februari 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

3. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

4. De bewijslevering

4.1 Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade (na kalm beraad en rustig overleg) het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Het hof overweegt daartoe het volgende. Hetgeen onmiddellijk voorafging aan de door de getuige [getuige] op 2 december 1999 omstreeks 22.00 uur waargenomen conversatie met stemverheffing tussen de verdachte en het latere slachtoffer [slachtoffer] in de auto van laatstgenoemde, die geparkeerd stond voor de bakkerij in de [straat] te Baarn, is tijdens het onderzoek niet duidelijk geworden. De intervallen tussen het eerste en het tweede schot, onderscheidenlijk tussen het tweede schot en de latere schoten, zijn van dien aard dat aangenomen kan worden dat de gemiddelde mens tot bezinning had kunnen komen, zodat sprake zou zijn van kalm beraad en rustig overleg. Gelet op de verklaringen van de deskundigen Van Kempen en Gille, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 februari 2002, is de mogelijkheid dat de verdachte gedurende die intervallen tot de voor kalm beraad en rustig overleg vereiste reflectie is gekomen, niet waarschijnlijk vanwege de bij de verdachte geconstateerde persoonlijkheidsstoornis. De omstandigheden dat de verdachte tijdens en na het schieten rustig heeft gelopen en dat hij - in de bewoordingen van de advocaat-generaal - een professionele schiethouding heeft aangenomen bij het lossen van de laatste serie schoten, zijn onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van voorbedachte raad, zoals tenlastegelegd. De verdachte zal derhalve van deze kwalificerende omstandigheid worden vrijgesproken.

4.2 De bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, met dien verstande dat

hij op 2 december 1999 te Baarn opzettelijk A. [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een vuurwapen een aantal schoten gelost op die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] werd geraakt en zodanige verwondingen heeft opgelopen dat hij tengevolge daarvan is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van het feit

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van noodweer aangezien de verdachte - kort gezegd - uit zelfverdediging heeft gehandeld.

Het hof verwerpt dit verweer. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich ten tijde van het tenlastegelegde bevond in de situatie waarin sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, zodat van een noodzakelijke verdediging hiertegen geen sprake kan zijn.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Het namens de verdachte gedane beroep op noodweerexces faalt op de grond waarop ook het beroep op noodweer is afgewezen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

7. De op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, een feit waarop de wetgever een van de zwaarst mogelijke sancties heeft gesteld. De verdachte heeft meermalen met een wapen op het hem bekende slachtoffer [slachtoffer] geschoten, waardoor deze het leven heeft gelaten. Door aldus te handelen heeft de verdachte de nabestaanden van het slachtoffer een onherstelbaar verlies en blijvend leed toegebracht en is de rechtsorde zeer ernstig geschokt.

Op dit bijzonder ernstige feit dient in beginsel te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van acht jaren acht het hof passend en geboden.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 11 september 2001, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van een briefrapportage van de Forensisch Psychiatrische Dienst Utrecht, opgemaakt op 12 september 2000 door S. Bellari, psychiater in opleiding en H.P. Onkenhout, psychiater en een rapport van het Pieter Baan Centrum van 20 maart 2001, opgemaakt door A.A.R. De Kom, psychiater, H.A. van Kempen, psycholoog en H.M. Gille, assistent-psychiater.

Genoemd rapport houdt onder meer in - kort en zakelijk weergegeven -:

als bevindingen van genoemde Van Kempen:

Bij het persoonlijkheidsonderzoek toont betrokkene een profiel dat indicatief is voor een borderline persoonlijkheidsstructuur. Woede en achterdocht zijn in hoge mate aanwezig, waarbij echter de wrok lang opgepot of zelfs verdrongen kan worden en plotseling tot ontlading kan komen. Er is een overgevoeligheid voor kritiek en er heerst veel angst en spanning tengevolge van onderdrukte woede tegen primaire familieleden.

Diagnostisch kan betrokkene omschreven worden als lijdende aan een borderline persoonlijkheidsstoornis met daarvan afgeleid narcistische en theatrale trekken. Aan de basis van deze stoornis ligt een traumatische jeugd, waarbij betrokkene in grote onveiligheid opgroeide tengevolge van ernstige en langdurige mishandelingen door zijn vader.

Als bevindingen van genoemde Gille:

Betrokkene is een basaal angstige, zwak geïntegreerde, tegen de rand van de realiteit staande man. Daarnaast is hij emotioneel labiel, overschat hij zichzelf, maar voelt hij zich ook klein en neigt hij tot verslaving. Hij kan zich plotseling in het nauw gedreven voelen, waar anderen dit niet hebben. Hij functioneert op het niveau van een borderline persoonlijkheidsstoornis.

Omdat betrokkene zich snel geprovoceerd voelt door mannen en zich hiertegen verweert door oppositioneel gedrag, werd het conflict met het slachtoffer op de spits gedreven. Echter vanwege zijn persoonlijkheidsstoornis voelde hij zich hierdoor meer dan gemiddeld in het nauw gedreven, waarna hij zeer angstig en ontredderd raakte. Wanhopig, totaal ontredderd en zonder overzicht in de situatie probeerde hij zich tegen de vermeende bedreiging te verdedigen. Hij verloor zijn impulscontrole en de diepgewortelde woede brak door, waarna het tenlastegelegde plaatsvond.

Als conclusie en advies, naast door Van Kempen en Gille mede ondertekend door genoemde De Kom, hoofd psychiatrie van het Pieter Baan Centrum:

Wij zijn van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk

besef - te bepalen. De ondergetekenden concluderen dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit

- indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Met betrekking tot de kans op recidive geldt dat deze verhoogd wordt geacht. Hoewel betrokkene conflicten niet in eerste instantie opzoekt maar ontwijkt, zal hij zich vanwege zijn persoonlijkheidsstoornis sneller dan gemiddeld geprovoceerd voelen en in conflict geraken. Door zijn verhoogd angstniveau en zijn gebrek aan in- en overzicht zal hij zich in een situatie waarin hij zich bedreigd voelt, meer dan gemiddeld in het nauw gedreven voelen en zich koste wat het kost gaan verdedigen. Gezien zijn gestoorde impulscontrole en het (rand)criminele milieu waarin betrokkene zich ophoudt, is de kans dat dit zal leiden tot een gewapende agressieve recidive aanwezig.

Om deze reden adviseert het onderzoekend PBC-team aan betrokkene de maatregel van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel denkt het onderzoekend PBC-team aan een behandelstrategie waarbij betrokkene geleidelijk zijn beperkingen gaat inzien en waarbij vervolgens wordt geprobeerd betrokkenes pathologisch angstniveau te reduceren, hem meer in- en overzicht aan te leren en zijn impulsbeheersing te vergroten.

Gelet op dit door deskundigen opgestelde advies is het hof van oordeel dat moet worden aanvaard dat de verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar was. Het hof neemt de conclusies van genoemd rapport over en maakt deze tot de zijne. Tevens zal het hof het advies volgen om de verdachte ter beschikking te stellen met verpleging van overheidswege, naast het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, nu het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel met inbegrip van de verpleging van overheidswege eist.

Gelet op de traumatische jeugd van de verdachte, blijkend uit eerdergenoemd rapport van het Pieter Baan Centrum, en voorts op zijn nog jeugdige leeftijd, ziet het hof aanleiding om op de voet van artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht te adviseren dat - in het belang van de verdachte en van zijn terugkeer in de maatschappij - reeds tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf binnen een voor verdachte afzienbare tijd na het onherroepelijk worden van dit arrest zal worden aangevangen met de verpleging van overheidswege in het kader van de terbeschikkingstelling.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (ACHT) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert dat reeds tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf binnen een voor de veroordeelde afzienbare tijd na het onherroepelijk worden van dit arrest zal worden aangevangen met de verpleging van overheidswege in het kader van de terbeschikkingstelling.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Wiewel, Nuis en De Winter, in tegenwoordigheid van mr. Peters als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 februari 2002.

Mr. Nuis is buiten staat dit verkort arrest mede te ondertekenen.