Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0076

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
99/941
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve aanslag. Vermoeden dat de onderneming voor rekening en risico wordt gedreven van belanghebbende niet weerlegd. Vereiste aangifte niet gedaan. Omkering bewijslast. Inspecteur heeft het inkomen in redelijkheid kunnen schatten op f 75.000. Geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0614

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z (India), belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 26 maart 1999, ingediend door mr. A te Q als gemachtigde en aangevuld bij brief van 15 september 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 maart 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 75.000, met een boete van ¦ 1.000, wegens het niet binnen de in de wet gestelde termijn doen van aangifte. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak voor wat betreft de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gehandhaafd. De boete is bij beschikking van 1 juni 1996 kwijtgescholden.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 11.629.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 3 april 2001 is verschenen namens de inspecteur B. De griffier heeft bij aangetekende brief van 21 maart 2001 C, gemachtigde van belanghebbende sedert 6 oktober 1999, mededeling gedaan van dag, uur en plaats van de mondelinge behandeling van de zaak. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Namens de inspecteur is een brief van 29 maart 2000, gericht aan C, overgelegd.

Het beroep is ter zitting van 3 april 2001 gelijktijdig behandeld met de beroepen van D betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995, met kenmerk 99/00961 en de aanslag vermogensbelasting voor het jaar 1996, met kenmerk 99/00962.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is geboren te Q op 12 oktober 1974. Zij is sedert 1982 eigenaar van het appartement gelegen aan de a-straat 1 te R, in welk appartement zij ook woont. Voorts is zij eigenaar van het pand b-straat 1 te Q.

2.2. In een uittreksel uit het handelsregister per 22 september 1995 van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Q staat met betrekking tot de eenmanszaak E te Q vermeld dat de onderneming is gevestigd op 23 juni 1995 en is voortgezet op 24 augustus 1995. Als eigenaar staat belanghebbende vermeld met als datum van infunctietreding 24 augustus 1995. E houdt zich blijkens dit uittreksel bezig met het verlenen van diensten aan ondernemingen en ondernemers op administratief, technisch, financieel, economisch, marketing, strategisch, commercieel, fiscaal en bestuurlijk gebied.

2.3. Tot de gedingstukken behoort een kwitantie terzake van de aankoop van de onderneming E. Op de kwitantie staat vermeld:

"ONTVANGEN van X

de Somma van fifteen thousand guilders

voor for taking over the company of E

Q, de 7th November 1995"

2.4. Op het formulier 'Opgaaf Gegevens startende onderneming' van de Belastingdienst dat belanghebbende heeft ingevuld en ondertekend op 22 november 1995 vermeldt zij dat zij sedert 1 juli 1995 onder de handelsnaam E een administratiekantoor te Q drijft. Op het formulier schat belanghebbende de belaste omzet op ƒ 70.000 per jaar.

2.5. Op 22 oktober 1996 heeft de inspecteur bij E een boekenonderzoek ingesteld. In het aan belanghebbende toegezonden verslag van het boekenonderzoek van 27 maart 1997 schrijft de inspecteur onder meer:

"1.0 Bevindingen

(…)

Feitelijk wordt het bedrijf gerund door de heer F met zijn éénmansbedrijf 'G' gevestigd op hetzelfde adres. Tijdens het onderzoek blijkt dat X weinig afweet van hetgeen er in het bedrijf omgaat. Voor zijn werkzaamheden geeft de heer F kwitanties af. (…) De door de heer F gemaakte kosten worden ook vaak rechtstreeks in de administratie van E verwerkt. Daarnaast brengt hij kosten voor zijn werkzaamheden in rekening.

(...)

5.0 Benadering inkomen 1995

(…)

Op 11 november 1996 werd (...) een jaarrapport van E overgelegd over het jaar 1995 met een netto winst van f.10.000,=."

2.6. Op 26 februari 1996 heeft de Belastingdienst belanghebbende een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 uitgereikt, dat vóór 1 april 1996 moest worden ingediend. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet ingevuld ingezonden op 14 januari 1998. Het aangegeven belastbaar inkomen was samengesteld als volgt:

- inkomsten eigen woning -/- ¦ 16.701

- verhuur onroerende zaken 28.500

- rente -/- 170

belastbaar inkomen ¦ 11.629

2.7. De inspecteur heeft op 31 december 1998 een ambtshalve aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 75.000 dat als volgt is benaderd:

Netto-opbrengst uit onroerende zaken te Q ƒ 6.000

Af: Privé stortingen E ƒ 13.492

Af: Aankoopbedrag E ƒ 15.000

ƒ 28.492

Negatief saldo voor privé bestedingen ƒ 22.492

Bij: Geschat bedrag i.v.m. uitgaven voor vliegtickets ƒ 9.350

Bij: Geschat bedrag voor overige privé uitgaven in levensonderhoud ƒ 30.000

Totaal ƒ 61.842

Vastgesteld belastbaar inkomen (afgerond) ƒ 75.000

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende winst uit de onderneming E heeft genoten. Indien belanghebbende winst uit onderneming heeft genoten is in geschil of de inspecteur de aanslag naar willekeur heeft vastgesteld.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.2. De inspecteur heeft ter zitting van 3 april 2001 het volgende - kort en zakelijk weergegeven - aan zijn stellingen toegevoegd.

Op 8 maart 2000 heb ik een gesprek gehad met X en H, de dochters van D, en C. In dat gesprek zijn de fiscale zaken van X aan de orde geweest. Ten name van X stonden belasting- en premieschulden, van in totaal circa ƒ 830.000 open. Na genoemd gesprek is er nog telefonisch en schriftelijk contact met de gemachtigde geweest. Uiteindelijk is er tussen de belastingdienst en X een compromis gesloten. Dit compromis is schriftelijk vastgelegd, van welke brief hierbij een afschrift wordt overhandigd. Het compromis komt er in grote lijnen op neer dat er na betaling aan de ontvanger door X van ƒ 660.000 met betrekking tot belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode vanaf 1 januari 1994 tot en met de dag van betaling, alsmede voor de openstaande premieschuld geen verdere invorderingsmaatregelen zullen worden genomen. Ik heb daarbij als voorwaarde gesteld dat X de op 29 maart 2000 lopende bezwaar- en/of beroepsprocedures intrekt. De schriftelijke vastlegging van dit compromis is door C ondertekend. De genoemde ƒ 660.000 is betaald. Ook de overige voorwaarden zijn vervuld. Naar mijn mening valt de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995 ten name van X, die vandaag op deze zitting aan de orde is, onder het compromis. Op 29 maart 2000, de datum van de schriftelijke bevestiging van het compromis, liep immers ook deze zaak. Ik weet niet waarom X haar beroep niet heeft ingetrokken.

Er is geen specificatie van het vastgestelde vermogen voor de ambtshalve aanslag voor de vermogensbelasting voor het jaar 1995 ten name van D. Gezien de belangen die de familie had in diverse ondernemingen lijkt het mij niet te hoog. Het had ook ƒ 500.000 of ƒ 2.000.000 kunnen zijn. Ik wijs in dit verband ook op kredietfaciliteiten ter grootte van ƒ 1.700.000 die D genoot en zijn effectenportefeuille.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur heeft gesteld dat hij met belanghebbende over onder andere het onderhavige geschil een compromis heeft gesloten en dat alle voorwaarden die aan het compromis waren verbonden zijn vervuld. Zijns inziens is er met betrekking tot de litigieuze aanslag geen geschil meer en had belanghebbende haar beroep moeten intrekken. Nu belanghebbende dat niet heeft gedaan, gaat het Hof ervan uit dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat er nog steeds een geschil is en zal het Hof daar onderzoek naar doen.

5.2. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur aan de onder 2.2, 2.3 en 2.4 vermelde feiten het vermoeden heeft kunnen ontlenen dat in 1995 de onderneming E voor rekening en risico van belanghebbende werd gedreven. Deze feiten omvatten, anders dan belanghebbende in haar beroepschrift stelt, meer dan de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Belanghebbende voert aan dat E voor rekening en risico van F kwam en dat uitsluitend hij als de feitelijke ondernemer moet worden aangemerkt. Belanghebbende heeft haar stelling echter niet, althans onvoldoende, met bewijs onderbouwd. Genoemd vermoeden is dan ook niet weerlegd. Dit houdt in dat belanghebbende voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen als ondernemer aangifte had moeten doen van de door haar uit E genoten winst.

5.3. Nu belanghebbende in haar aangifte geen winst uit onderneming heeft verantwoord en evenmin jaarstukken heeft bijgevoegd, terwijl zij niet betwist dat E over 1995 een nettowinst van ƒ 10.000 heeft behaald, is het Hof van oordeel dat belanghebbende de in artikel 8 van de AWR bedoelde aangifte niet heeft gedaan. In artikel 29, tweede lid, van de AWR (tekst tot 1 september 1999) is voor dergelijke gevallen bepaald dat het beroep wordt afgewezen, tenzij belanghebbende doet blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

5.4. Met betrekking tot de hoogte van het belastbaar inkomen heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat de aanslag onjuist is. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur de hoogte van het belastbare inkomen in redelijkheid op ƒ 75.000 heeft kunnen vaststellen. De inspecteur heeft de onderbouwing van het vastgestelde belastbare inkomen voldoende aannemelijk gemaakt. Hij heeft in zijn vertoogschrift een gespecificeerd bedrag aan benoemde uitgaven over 1995 vermeld van ƒ 78.232. Laatstgenoemd bedrag is inclusief de uitgaven terzake van door belanghebbende gemaakte vliegreizen die door de inspecteur op ƒ 9.350 geschat worden en inclusief de uitgaaf van ƒ 15.000 terzake van de onder 2.3 genoemde aankoop van E.

5.5. In zijn beroepschrift heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur bij het vaststellen van de litigieuze aanslag naar willekeur heeft gehandeld, omdat hij het aangegeven belastbaar inkomen van belanghebbende heeft verhoogd zonder dat hij die verhoging met relevante argumenten heeft gestaafd.

5.6. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgelegd. Nu vaststaat dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, terwijl de inspecteur de aanslag op basis van, zoals is komen vast te staan, een onvolledig aangifte diende vast te stellen, kan hem, gelet ook op hetgeen is overwogen onder 5.4, niet worden verweten dat hij de aanslag, zoals deze na de uitspraak op het bezwaarschrift is komen vast te staan, naar willekeur heeft vastgesteld.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak in stand blijft en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 15 januari 2002 door mrs. Dutmer, Van der Ouderaa en Goes, in tegenwoordigheid van mr. Okhuizen als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.