Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0070

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
01/964
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende plaatst steigers onder een afdak (galerij) voor het verrichten van werkzaam-heden aan dat afdak. Voor de aanwezigheid van dat afdak is hij aan de gemeente een jaarlijkse recognitie verschuldigd. Geen vrijstelling van precariobelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/656
FutD 2002-0611
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de directeur Gemeentebelastingen Amsterdam, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 19 maart 2001. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 27 maart 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 9 februari 2001, betreffende een viertal aan belanghebbende opgelegde en op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de precariobelasting voor het jaar 2000.

De aanslagen hebben blijkens het aanslagbiljet betrekking op het objectadres a-straat 3 te Amsterdam en belopen tezamen ƒ 1.148,40. Na bezwaar zijn de aanslagen bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en de aanslagen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 19 februari 2002 zijn verschenen belanghebbende en zijn zoon, alsmede mr. A namens verweerder. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en met twee bijlagen overgelegd. Tevens heeft hij twee foto's overgelegd. Het Hof rekent de overgelegde stukken, waarvan verweerder heeft kunnen kennis nemen en waarover hij zich heeft kunnen uitlaten, tot de geding-stukken.

2. De Verordening

In de binnenstad van Amsterdam gold in het jaar 2000 de Verordening Precario-belasting binnenstad en westelijk havengebied 1999, vastgesteld bij besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 25 november 1998, nr. 701, en gepubliceerd in het Gemeenteblad van die gemeente op 4 december 1998, afd. 3, nr. 133. Deze verordening is gewijzigd bij besluit van 15 december 1999, nr. 830, gepubliceerd in het Gemeenteblad op 17 december 1999, afd. 3, nr. 109. De gewijzigde verordening (hierna: de Verordening) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Begripsomschrijvingen

Art. 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a (...)

b gemeentegrond: voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond;

c (...)

Aard van de heffing

Art. 2

1. Onder de naam precariobelasting worden een belasting en een recht geheven terzake van:

a het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond;

b (...)

Vrijstellingen

Art. 8

1. (...)

2. De belasting en rechten worden niet geheven terzake van:

a (...)

f een reeds vóór 1 december 1898 bestaande (...), een pothuis of een andere buiten het gevelvlak uitstekende uitbouw welke met het desbetreffende eigendom aard- en nagelvast is verbonden, indien en voorzover zich bevindend op het grondgebied van de gemeente dat op 31 december 1920 aan haar toebehoorde, tenzij terzake daarvan vóór 1 december 1898 is bepaald, dat de in art. 2, onder a, bedoelde belasting wordt geheven. (...)

g (...)

4. De belasting en rechten worden niet geheven indien en voorzover terzake daarvan al uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst of een andere gemeentelijke belastingverordening, met uitzondering van de Binnenhaven-geldverordening een bedrag wordt gevorderd.

5. De belastingen en rechten worden niet geheven terzake van ten dienste van het wegverkeer getroffen voorzieningen, waaronder mede worden begrepen algemene bewegwijzeringen waarmee een algemeen belang wordt gediend.

6. (...)".

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Het pand, waarop het op het aanslagbiljet vermelde objectadres betrekking heeft, maakt deel uit van een rij identieke panden, gelegen aan de a-straat in de binnenstad van Amsterdam. Aan de voorzijde van die panden bevinden zich buiten het gevelvlak uitstekende balkons. Aan de balkons is een afdak bevestigd, dat wordt ondersteund door palen. Het afdak vormt een galerij. Gedurende een viertal aaneengesloten tijdvakken, gelegen tussen 1 januari 2000 en 7 juni 2000, heeft belanghebbende in de galerij steigers geplaatst teneinde aan het afdak werkzaamheden te verrichten. De in geding zijnde aanslagen hebben betrekking op deze steigers.

3.2. Bij besluit van 10 november 1897, nr. 773, heeft de raad van de gemeente Amsterdam besloten tot verkoop van bouwterreinen aan de a-straat. Op deze terreinen zijn vervolgens de onder 3.1 bedoelde panden gebouwd. De verkoop vond plaats onder het stellen van een aantal voorwaarden en bepalingen, welke voor zover hier van belang als volgt luiden:

"8° dat aan de koopers gedurende den bouw der op de terreinen te stichten perceelen, kosteloos de vrije beschikking zal worden toegestaan over de trottoirs langs de terreinen;

9° dat aan de koopers, tegen betaling eener onveranderlijke recognitie van ƒ 25 per jaar, zal worden gegeven het recht om gedurende 75 jaren over de volle breedte van het trottoir aan de Zuidzijde der Raadhuisstraat een voor het publiek verkeer toegankelijke met glas overdekte galerij te hebben (...);

10° dat het trottoir, voorzoover overdekt op de wijze als sub 9° is omschreven, door de koopers of hunne rechtverkrijgenden gedurende 75 jaren ten genoegen van Burgemeester en Wethouders zal worden onderhouden."

3.3. De termijn van 75 jaar, welke is genoemd onder 9° van voormeld besluit, eindigde op 1 mei 1974. Per die datum is het onder 9° omschreven recht tot weder-opzegging verlengd. Aan die verlenging waren voorwaarden verbonden, welke in de brief van 3 februari 1997 van het hoofd Beheer Onroerend Goed van de dienst Binnenstad Amsterdam aan belanghebbende als volgt zijn geformuleerd:

"a. Het trottoir voor zover gelegen binnen de overdekte galerij, zal gedurende deze toestemming door of vanwege de eigenaar worden onderhouden, een en ander ten genoegen van de Gemeente Amsterdam;

b. Voor deze toestemming is u een jaarlijkse recognitie verschuldigd van ƒ 100,-- bij vooruitbetaling te voldoen door gebruik te maken van een door verhuurster toegezonden acceptgirokaart."

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de steigers die belanghebbende heeft geplaatst onder het afdak aan de voorzijde van de onder 3.1 bedoelde panden zijn vrijgesteld van precariobelasting op grond van artikel 8, tweede lid, onder f, vierde lid of vijfde lid van de Verordening, dan wel heffing van precariobelasting ter zake van die steigers achterwege moet blijven op grond van het gelijkheidsbeginsel of op grond van het bepaalde onder 8° in het onder 3.2 genoemde besluit.

5. Standpunten van partijen

5.1. Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5.2. Belanghebbende heeft tijdens de zitting nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd.

Ik heb het verweerschrift ontvangen en voldoende tijd gehad om dit te bestuderen.

De galerij was aan de bovenzijde voorzien van glas. Boven de galerij zijn goedkope hotels voor rugzaktoeristen gevestigd. De hotelgasten gooiden geregeld voorwerpen op de glasplaten, hetgeen levensgevaarlijk was. Om die reden heb ik de glasplaten op eigen kosten vervangen door platen die niet kunnen breken. In zoverre is sprake van nieuwbouw. Voor deze werkzaamheden heb ik de in geding zijnde steigers geplaatst. Ik diende daarmee slechts het algemene belang.

De galerij is voor de eronder gelegen winkels ongunstig, want daardoor zijn die winkels vanaf de straat niet te zien.

Het is mij niet bekend of de galerij er op 1 december 1898 al was. De grond onder de galerij behoorde op 31 december 1920 aan de gemeente toe.

Ik bezit een aantal pothuizen. Daarvoor hoef ik geen precariobelasting te betalen, ook niet voor de losse voorwerpen welke zich daarin bevinden.

5.3. Verweerder heeft tijdens de zitting nog het volgende aan zijn stellingen toe-gevoegd.

Onder het begrip uitbouw in de zin van artikel 8, tweede lid, onder f, van de Verordening moet worden verstaan erkers, balkons en dergelijke. De galerij valt daar niet onder, want deze staat op poten. Deze vrijstellingsbepaling verhindert overigens niet dat voorwerpen die onder een uitbouw staan belastbaar zijn. De regel dat voor pothuizen geen precariobelasting verschuldigd zou zijn ken ik niet.

Het is mij niet bekend of de galerij er op 1 december 1898 al was. De grond onder de galerij behoorde op 31 december 1920 aan de gemeente toe.

Het vijfde lid van genoemd artikel 8 ziet op zaken die dienen ten behoeve van het wegverkeer en dergelijke. De door belanghebbende geplaatste steigers dienden niet het openbare belang in de zin van deze bepaling. De enkele omstandigheid dat zaken een algemeen belang dienen leidt overigens nog niet tot vrijstelling.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De vrijstelling van artikel 8, tweede lid, onder f, van de Verordening is mogelijk van toepassing op het afdak aan de voorzijde van de onder 3.1 bedoelde panden. Het is immers niet uitgesloten dat dit afdak reeds vóór 1 december 1898 bestond en moet worden aangemerkt als een uitbouw in de zin van deze bepaling. Indien die vrijstelling van toepassing zou zijn op dit afdak brengt zulks evenwel nog niet mee dat de vrijstelling tevens geldt voor de door belanghebbende onder het afdak geplaatste steigers. De steigers vallen op zichzelf bezien immers niet onder de bewoordingen van de zojuist genoemde bepaling. Voorts ziet het Hof geen aanleiding voor het oordeel dat voorwerpen, welke zijn geplaatst onder een vrijgestelde uitbouw, om die reden eveneens zijn vrijgesteld.

6.2. Op grond van artikel 8, vierde lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, wordt de precariobelasting niet geheven indien en voor zover terzake daarvan al uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst een bedrag wordt gevorderd. Met 'terzake daarvan' is kennelijk bedoeld: ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond. Belanghebbende beroept zich in dit verband op het bepaalde onder 9° en 10° in het onder 3.2 genoemde besluit en op de onder 3.3 aangehaalde brief. Daaruit blijkt dat hij jaarlijks een recognitie van ƒ 100 is verschuldigd voor het recht om over de volle breedte van het trottoir voor de onder 3.1 bedoelde panden een voor het publiek toegankelijke met glas overdekte galerij te hebben.

6.3. Het gebruik van de term 'recognitie' duidt erop, dat de zojuist bedoelde betalingen door belanghebbende moeten worden gezien als een erkenning van het eigendomsrecht van de gemeente op de onder de galerij gelegen grond. Uit de aard van deze betalingen vloeit voort dat zij niet mede worden gedaan voor het hebben van voorwerpen op die grond, zoals de in geding zijnde steigers. Deze betalingen kunnen dan ook geen aanleiding geven tot het toepassen van een vrijstelling van precariobelasting ter zake van de aanwezigheid van de onderhavige steigers. De verplichting tot onderhoud van het trottoir, welke is opgelegd in het onder 3.2 genoemde besluit onder 10°, kan evenmin worden gezien als een tegenprestatie voor het hebben van voorwerpen op de grond onder de galerij.

6.4. In artikel 8, vijfde lid, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat geen precariobelasting wordt geheven ter zake van voorzieningen getroffen ten dienste van het wegverkeer. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de in geding zijnde steigers als zodanige voorzieningen moeten worden aangemerkt. Reeds omdat in de voor het onderhavige jaar geldende tekst van de Verordening geen vrijstelling meer is opgenomen voor voorzieningen ten dienste van openbare ruimten, kan het beroep van belanghebbende op een zodanige vrijstelling niet slagen.

6.5. De zojuist genoemde vrijstelling voor voorzieningen getroffen ten dienste van het wegverkeer is kennelijk bedoeld voor voorzieningen om het gebruik van wegen door zich daarop voortbewegend verkeer te vergemakkelijken. De door belang-hebbende geplaatste steigers zijn niet als zodanige voorzieningen aan te merken. Hieraan doet niet af dat de werkzaamheden waartoe de steigers dienden ertoe strekten om de veiligheid van personen in de galerij te vergroten. De Verordening voorziet voorts niet in een vrijstelling voor voorwerpen, andere dan algemene bewegwijzeringen, waarmee een algemeen belang wordt gediend.

6.6. Het Hof beschouwt de stelling van belanghebbende, dat hij geen precario-belasting behoeft te betalen voor losse voorwerpen die zich bevinden onder de galerij, omdat over losse voorwerpen in de aan hem toebehorende pothuizen evenmin precariobelasting is verschuldigd, als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft dit beroep onvoldoende onderbouwd. Het ligt voor de hand dat de grond waarop een - niet voor eenieder toegankelijk - pothuis staat in de regel niet zal zijn aan te merken als voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Het plaatsen van voorwerpen in pothuizen zal dan ook doorgaans geen belastbaar feit voor de precariobelasting opleveren. Evenmin is aangetoond dat de gemeente, voor zover in dit verband al van belastbare feiten sprake is geweest, ten aanzien van die voorwerpen een begunstigend beleid heeft gevoerd of heffing van precariobelasting in de meerderheid van de gevallen achterwege heeft gelaten.

6.7. Het bepaalde onder 8° in het onder 3.2 genoemde besluit staat aan de in geschil zijnde heffing van precariobelasting niet in de weg, reeds omdat die bepaling kennelijk alleen ziet op de oorspronkelijke bouw van de panden aan de a-straat en niet mede op latere verbouwingen of herstelwerkzaamheden.

6.8. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de grieven van belanghebbende niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en de aanslagen. Hetgeen belanghebbende overigens heeft gesteld doet daar niet aan af. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

7. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan op 6 maart 2002 door mr. Onnes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. De naam en het adres van de indiener;

b. De dagtekening;

c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. De gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van het beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.