Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0067

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
01/1002
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen grond voor het opleggen van de boete. Het doen van aangifte is het inleveren of toezenden van het aangiftebiljet. Naar het oordeel van het Hof dient onder toezenden te worden verstaan het verzenden, welk begrip de betekenis heeft van ter post bezorgen. De verzendtheorie is van toepassing verklaard in plaats van de door de inspecteur voorgestane ontvangsttheorie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/18.3.2
V-N 2002/36.7 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0610
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, hierna de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 26 maart 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 24 februari 2001, betreffende de gelijktijdig met de opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 ten aanzien van belanghebbende opgelegde boete ter zake van het niet tijdig doen van aangifte. De opgelegde boete bedraagt ¦ 1.750. Na bezwaar tegen de boete is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot ƒ 1.250.

1.2. Het beroep strekt tot vermindering van de boete naar nihil.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.4. Van belanghebbende is een faxbericht ingekomen op 8 januari 2002. De inhoud hiervan wordt niet tot de gedingstukken gerekend.

1.5. Ter zitting van 11 januari 2002 is belanghebbende niet verschenen. Namens de inspecteur is verschenen mr.A.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Aan belanghebbende, geboren in 1957 en ongehuwd, is op 12 februari 1999 een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998 uitgereikt dat moest worden ingediend vóór 1 april 1999. Belanghebbende heeft vervolgens tweemaal verzocht om uitstel voor het doen van aangifte. De Belastingdienst heeft de tweede maal uitstel verleend tot 1 juni 2000. Met dagtekening 24 juni 2000 is een aanmaning tot het doen van aangifte over 1998 aan belanghebbende toegezonden.

2.2. In voornoemde aanmaning staat onder meer vermeld:

"U krijgt de gelegenheid de vereiste aangifte alsnog te doen binnen tien werkdagen (...) na de datum van deze brief. Doet u de vereiste aangifte niet binnen deze termijn, dan kan dit, naast het bedrag dat moet worden betaald aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (...) tot een boete leiden. Deze boete kan oplopen tot ƒ 2.500 (e 1134)."

Voorts is vermeld:

"Als werkdagen gelden niet: zaterdagen, zondagen (…)".

2.3. Belanghebbende heeft op 6 dan wel op 7 juli 2000 zijn aangifte ter post bezorgd, welke door de Belastingdienst op 12 juli 2000 is gestempeld voor ontvangst. De inspecteur heeft daaropvolgend een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1998 opgelegd, gedagtekend 25 oktober 2000, naar een overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld belastbaar inkomen van ¦ 62.338. Gelijktijdig met de aanslag is bij beschikking een verzuimboete van ¦ 1.750 opgelegd voor het niet tijdig doen van aangifte. De inspecteur is daarbij uitgegaan van een vijfde verzuim in de zin van § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998).

2.4. Belanghebbende is op 5 december 2000 tegen de onderhavige beschikking in bezwaar gegaan. De inspecteur is bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 12 februari 2001, gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoetgekomen, waarbij de boete is verminderd tot ƒ 1.250, onder de vermelding dat het een derde verzuim betrof.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende tijdig aangifte heeft gedaan, hetgeen belanghebbende stelt en de inspecteur betwist, en zo nee, of de boete tot een juist bedrag is vastgesteld.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.2. Tijdens de zitting is namens de inspecteur - kort samengevat - nog het volgende toegevoegd.

Dat belanghebbende de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 op 7 juli 2000 heeft verstuurd, wordt niet door mij betwist. De datum van ontvangst door de Belastingdienst is bepalend. Op dat moment kan pas van een ingediende aangifte worden gesproken. Overigens was vereist dat de aangifte binnen tien dagen moest zijn ingediend, hetgeen mijns inziens betekent vóór het einde van dag negen. Alsdan is het verzenden op de tiende dag, te weten 7 juli 2000, sowieso te laat.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat met dagtekening 24 juni 2000 belanghebbende een aanmaning is toegezonden voor het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998, aan welke verplichting hij op het moment dat hij daartoe werd aangemaand nog niet had voldaan. De aanmaning houdt in dat belanghebbende uiterlijk tien werkdagen na dagtekening van de aanmaning aan zijn verplichting tot het doen van aangifte moet hebben voldaan. Vaststaat voorts dat belanghebbende zijn aangiftebiljet niet na 7 juli 2000 ter post heeft bezorgd. Dit aangiftebiljet is op 12 juli 2000 door de Belastingdienst gestempeld voor ontvangst.

5.2. Het Hof verwerpt de lezing van de aanmaning door de inspecteur die inhoudt dat belanghebbende uiterlijk op 6 juli 2000 aangifte had moeten doen. De tiende werkdag na 24 juni 2000 is 7 juli 2000, zodat dit de laatste dag was waarop belanghebbende zijn aangifte behoorde te doen.

5.3. De inspecteur heeft voorts gesteld dat belanghebbende zijn aangifte niet tijdig heeft gedaan en dat derhalve de boete als bedoeld in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is opgelegd, omdat het aangiftebiljet op 12 juli 2000 is ontvangen. Belanghebbende heeft gesteld dat hij met betrekking tot het tijdig doen van aangifte niet in verzuim was, omdat hij het aangiftebiljet op 6 juli 2000 heeft verzonden.

5.4. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, AWR, zoals deze bepaling luidt met ingang van 1 januari 1996 (Wet van 6 december 1995, Stb. 606), is ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte gehouden de in de uitnodiging gevraagde gegevens op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden. In art. 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 is bepaald dat aangifte wordt gedaan door het inleveren of toezenden van het uitgereikte aangiftebiljet met de daarbij gevraagde bescheiden. Naar het oordeel van het Hof dient onder toezenden in deze bepalingen te worden verstaan verzenden, welk begrip de betekenis heeft van ter post bezorgen.

5.5. De term toezenden die in artikel 8 AWR is opgenomen bij de Wet van 6 december 1995, Stb. 606, ziet niet uitsluitend op het doen van aangifte op elektronische wijze. Weliswaar heeft voornoemde wet geleid tot aanpassingen van de AWR die het doen van aangifte op elektronische wijze mogelijk maken, maar in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van voornoemde Uitvoeringsregeling, in welke bepaling aan artikel 8 AWR uitvoering is gegeven, wordt de term toezenden zowel gebruikt voor het doen van aangifte door middel van een aangiftebiljet, als voor het doen van aangifte op elektronische wijze.

5.6. Nu vaststaat dat belanghebbende uiterlijk op 7 juli 2000 aan zijn verplichting tot het doen van aangifte behoorde te voldoen, terwijl voorts vaststaat dat belanghebbende de aangifte vóór 8 juli 2000 ter post heeft bezorgd, houdt het vorenstaande in dat belanghebbende met betrekking tot het doen van aangifte voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 niet in verzuim is geweest. Voor het opleggen van de in artikel 67a AWR bedoelde verzuimboete was derhalve geen grond aanwezig. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

6. Proceskosten

Nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vernietigt de boetebeschikking, en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 27 februari 2002 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij.