Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AD9664

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2002
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-002548-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen beroving van een Canadese toerist ’s nachts in een Amsterdams stadspark, waarbij gebruik werd gemaakt van buitensporig geweld.

Verwerping verweer dat er geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit was.

Verwerping verweer strekkende tot bewijsuitsluiting omdat aan medeverdachte niet de cautie was gegeven.

4 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrestnummer:

Rolnummer: 23-002548-01

Datum uitspraak: 1 februari 2002

Tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 juli 2001 in de strafzaak onder parketnummer 13/047414-01 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] (Spanje), 1971,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in P.I. Almere Binnen i.o.,

1332 BX Almere, Caissonweg 2.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 12 juli 2001 en in hoger beroep van 18 januari 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

3. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

4. De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

hij op 26 mei 2001 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening op de openbare weg, heeft weggenomen een rijbewijs, twee bankpassen, een studentenkaart (op naam van [slachtoffer]), een bibliotheekkaart (op naam van [slachtoffer]) en 100 Canadese dollars, toebehorende aan [slachtoffer] en een sleutel, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan de andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte en/of zijn mededader

- naast die [slachtoffer] op een bankje zijn gaan zitten en

- van achteren een arm om de hals van die [slachtoffer] heeft geslagen en geslagen gehouden en de hals van die [slachtoffer] tegen de leuning van dat bankje heeft gedrukt waardoor die [slachtoffer] geen adem meer kon halen en

- een mes tegen de hals van die [slachtoffer] heeft gehouden en

- die [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geschopt en geslagen en

- die [slachtoffer] meermalen de woorden heeft/hebben toegevoegd: “ik ga je vermoorden” en “geef je geld ik steek je dood” en

- de zakken van die [slachtoffer] heeft/hebben doorzocht en

- met een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. Bespreking van gevoerde verweren

(1.) Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bij pleidooi betoogd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest

– kort gezegd – omdat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het proces-verbaal met nummer 2001139340-2 van 26 mei 2001, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren R. Worst en E. Roorda, blijkt dat genoemde verbalisanten zich op 26 mei 2001 omstreeks 07.42 uur in de Oudebrugsteeg te Amsterdam bevonden en dat zij aldaar de later als verdachten aangehouden [medeverdachte] en [verdachte] dicht bij elkaar zagen staan, waarbij [verdachte] met zijn rug naar de verbalisanten toegekeerd stond en waarbij [medeverdachte], die hun richting op keek, de verbalisanten aan zag komen rijden. Verbalisant Worst zag dat [verdachte] met zijn rechterhand iets kleins gaf aan [medeverdachte], die dat kleine voorwerp met zijn linkerhand aanpakte. De verbalisanten zagen vervolgens aan de uitdrukking op zijn gezicht dat [medeverdachte], toen hij hen aan zag komen, schrok van hun komst. Verbalisant Roorda zag, toen hij de politieauto naast de beide mannen tot stilstand had gebracht, dat het kleins dat [medeverdachte] nu in zijn linkerhand hield een aantal op creditcard/betaalkaarten gelijkende voorwerpen waren. De verbalisanten hielden hierop beide mannen staande, daar zij uit ervaring en uit informatie wisten dat zich op genoemde locatie veel personen ophouden die zich bezig houden met de verkoop van veelal gestolen voorwerpen en dat er veel wordt gehandeld in verdovende middelen dan wel in daarop gelijkende waar.

Verbalisant Roorda vroeg vervolgens aan [medeverdachte], omdat deze probeerde de later inbeslaggenomen pasjes achter zijn rug te verbergen, wat hij in zijn linkerhand had. [medeverdachte] overhandigde hierop een vijftal pasjes, waaronder een tweetal creditcards, een pinpas, een studentenkaart en een bibliotheekkaart aan de verbalisanten, welke pasjes op naam stonden van [slachtoffer]. Verbalisant Worst zag dat de bibliotheekkaart en de studentenkaart voorzien waren van een foto die in zijn geheel niet leek op [medeverdachte] of op [verdachte], die de pasjes even daarvoor aan [medeverdachte] had overhandigd. De verbalisanten kregen hierop het sterke vermoeden dat [medeverdachte] en [verdachte] zich schuldig maakten aan overtreding van de artikelen 310/311/416/417 van het Wetboek van Strafrecht en hielden beide mannen aan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld dat de verdachte zich aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt.

(2.) De raadsman heeft voorts aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven – dat de onder [medeverdachte] inbeslaggenomen pasjes dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat aan [medeverdachte], nadat hij door de verbalisanten was staandegehouden, de cautie had moeten worden gegeven alvorens hem te vragen wat hij in zijn linkerhand had.

Dit verweer kan niet slagen. Zo al geconcludeerd zou kunnen worden dat jegens [medeverdachte] sprake is van schending van enige wettelijke bepaling doordat aan [medeverdachte] niet de cautie is gegeven alvorens hem bedoelde vraag te stellen, dan zou alleen [medeverdachte] zich op die schending kunnen beroepen en valt bovendien niet in te zien welk rechtens te beschermen belang van de verdachte door deze schending is getroffen.

6. De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

8. De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte en zijn mededader hebben op gruwelijke wijze een Canadese toerist ’s nachts in een Amsterdams stadspark beroofd, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van buitensporig geweld en waarbij het niet aan hen te danken is dat het slachtoffer de beroving heeft overleefd. Een van hen heeft het slachtoffer in een wurghouding genomen en hem met zijn keel op de leuning van een bankje gedrukt, zodat zijn ademhaling werd belemmerd. Bovendien is hem een mes op zijn hals gezet en is hij voortdurend geschopt en geslagen. Het slachtoffer is daarnaast met de dood bedreigd. Zijn mond is volgestopt met aarde en gras. Voorts is hij met een mes in zijn rug gestoken. Dergelijke berovingen veroorzaken bij de slachtoffers daarvan veelal langdurige gevoelens van onveiligheid en brengen in de samenleving grote onrust teweeg.

Op dit bijzonder ernstige feit dient in beginsel te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zulks temeer omdat de ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke berovingen in het algemeen een langdurige en ernstige psychische nasleep daarvan ondervinden. Gelet op het voorgaande bepaalt het hof, met eenparigheid van stemmen, de duur van deze gevangenisstraf op de door de advocaat-generaal geëiste hoogte, derhalve op vier jaren.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 3 december 2001 en op het gegeven dat de verdachte, zoals door hem ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, eerder in Spanje wegens het plegen van Opiumdelicten is veroordeeld.

9. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (VIER) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave van

- 1 jas, merk Clockhouse, blauw/lichtgrijs met gele naden

aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Verspyck Mijnssen, De Winter en Mijnsberge, in tegenwoordigheid van mr. Peters als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 februari 2002.