Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AD9036

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2002
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
01/1343
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag ozb ten onrechte opgelegd. Het Hof is tot de overtuiging gekomen dat belanghebbende op 1 januari 2000 ondanks de vermelding in de kadastrale registratie niet de eigenaar was van de betreffende woning.

Belanghebbende was op 1 januari 2000 eigenaar en gebruiker van een onroe­rende zaak gelegen aan de a-straat 1 I te Amsterdam (woning A). Belanghebbende heeft woning A op 15 april 1994 tezamen met zijn vriendin gekocht. Belanghebbende staat vanaf 15 april 1994 ook als eigenaar van de onroerende zaak aan de a-straat 1 II (woning B) in het kadaster vermeld. Aan belangheb­bende is als eigenaar een aanslag aansluitrecht riolering en een aanslag in de onroerende-zaakbelastingen voor zowel woning A als woning B opgelegd (alle voor het jaar 2000). Belanghebbende stelt dat de inschrijving in de kadastrale registratie ter zake van de woning B niet correct is en hij om die reden ten onrechte als eigenaar van woning B is aangemerkt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeente terecht is uitgegaan van de in de kadastrale registratie vermelde gegevens en het aan belanghebbende is om voor een goede kadastrale registratie zorg te dragen.

Op grond van hetgeen belanghebbende in zijn beroepschrift heeft aangevoerd en zijn nadere toelichting daarop ter zitting, alsmede op grond van hetgeen belangheb­bende aan stukken ter adstructie heeft overgelegd, is het Hof tot de overtuiging gekomen dat belanghebbende op 1 januari 2000 geen eigenaar van woning B was. De onderhavige aanslagen zijn derhalve ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 328
FutD 2002-0343
Belastingblad 2002/532

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraken van de directeur Gemeentebelastingen P, hierna verweerder, gedagtekend 13 maart 2001, betreffende de aanslag aansluitrecht riolering en de aan-slag onroerende-zaakbelastingen (eigenarenbelasting), beide betrekking hebbend op het jaar 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 januari 2002.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de bestreden aanslagen; en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 27,23 aan belanghebbende te vergoe-den.

Gronden

1.1. Belanghebbende was op 1 januari 2000 eigenaar en gebruiker van een onroe-rende zaak gelegen aan de a-straat 1 I te Amsterdam (hierna: woning A). Belanghebbende heeft woning A op 15 april 1994 tezamen met zijn vriendin gekocht.

Belanghebbende staat vanaf 15 april 1994 ook als eigenaar van de onroerende zaak aan de a-straat 1 II (hierna: woning B) in het kadaster vermeld.

1.2. Op grond van de in de gemeente P geldende verordeningen met betrekking tot de rioolrechten en de onroerende-zaakbelastingen is aan belangheb-bende als eigenaar voor 2000 een aanslag aansluitrecht riolering en een aanslag in de onroerende-zaakbelastingen voor zowel woning A als woning B opgelegd. Na bezwaar tegen de aanslagen terzake van woning B heeft de verweerder deze bij de bestreden uitspraken gehandhaafd.

2. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht als eigenaar van woning B voor 2000 een aanslag aansluitrecht riolering en een aanslag in de onroe-rende-zaakbelastingen is opgelegd.

3.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte is aan-geslagen in de vorengenoemde belastingen aangezien hij nimmer eigenaar is geweest van woning B. Belanghebbende heeft een afschrift van de koopovereenkomst van woning A en van de desbetreffende splitsingsakte bij zijn beroepschrift overgelegd. Ter zitting heeft belanghebbende daaraan het volgende toegevoegd:

Ik sta ten onrechte voor woning B als eigenaar bij het Kadaster geregistreerd. Ik vermoed dat er bij de splitsing in 1994 het een en ander verkeerd in het kadaster is terecht gekomen. Tot 1994 was namelijk Y eigenaar van het gehele pand - waartoe woning A en woning B - behoren. In 1994 heeft Y het pand in ap-partementen laten splitsen. Daarna heb ik woning A, een van de appartementen, van hem gekocht. Pas nadat de gemeente mij over het jaar 1996 aanslagen heeft op-gelegd, heb ik mij gerealiseerd dat ik ten onrechte als eigenaar van woning B sta geregistreerd en dat ik ten onrechte door de gemeente voor diverse lokale heffingen word aangeslagen. Om incassoprocedures te voorkomen heb ik die aanslagen tot voor kort toch betaald.

Overigens heb ik tevergeefs gepoogd om mij als eigenaar van woning B uit het kadaster te laten verwijderen. Volgens mij kan alleen de eigenaar van woning B (mijn bovenbuurman) dat doen en ik sluit niet uit dat hij daartoe niet bereid is. Een dergelijke wijziging zal er immers toe leiden dat hij door de gemeente aangeslagen zal gaan worden.

3.2. Verweerder heeft - ondanks een daartoe strekkend verzoek en een rappel - geen verweerschrift ingediend. Hij heeft ter zitting het volgende verklaard:

De gemeente is bij het opleggen van de onderhavige aanslagen van de kadastrale registratie uitgegaan. Ik beroep mij hierbij op artikel 220b, tweede lid, van de Gemeentewet. Uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd krijg ik niet de overtui-ging dat de gegevens in het kadaster onjuist zijn en dat hij geen eigenaar van woning B is. Ik heb overigens geen reden te twijfelen aan de juistheid van belang-hebbendes opmerkingen.

Ik blijf mij mijn standpunt dat belanghebbende actie moet ondernemen om de ver-melding in de kadastrale registratie te laten corrigeren.

3.3. Op grond van hetgeen belanghebbende in zijn beroepschrift heeft aangevoerd en zijn nadere toelichting daarop ter zitting, alsmede op grond van hetgeen belangheb-bende aan stukken ter adstructie heeft overgelegd, is het Hof tot de overtuiging gekomen dat belanghebbende op 1 januari 2000 geen eigenaar van woning B was. De onderhavige aanslagen zijn derhalve ten onrechte opgelegd.

3.4. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat, ingeval het Hof het beroep van belanghebbende gegrond verklaart, de gemeente de aan belanghebbende over eerdere jaren opgelegde aanslagen ter zake van het zijn van eigenaar van woning B, voor zover passend binnen het gemeentelijke beleid, ambtshalve tot nihil zal verminderen.

Op zijn beurt heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij - ingeval zijn beroep gegrond wordt verklaard - het Kadaster een brief zal sturen, waarin hij het Kadaster erop zal wijzen dat hij ten onrechte als eigenaar van woning B staat vermeld en waarin hij het Kadaster zal vragen om een en ander uit te zoeken. Belanghebbende zal een afschrift van het proces-verbaal van deze hofuitspraak als bijlage bij die brief meezenden en een afschrift van de brief aan verweerder doen toekomen.

4. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de pro-ceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu van voor vergoeding in aanmerking te nemen niets is gesteld, zal het Hof een veroorde-ling van de verweerder in de veroordeling van proceskosten achterwege laten.

De uitspraak is gedaan op 25 januari 2002 door mr. Goes, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zit-ting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uit-spraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in minde-ring gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.