Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AD8713

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2002
Datum publicatie
31-01-2002
Zaaknummer
23-002007-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002007-01

datum uitspraak 29 januari 2002

tegenspraak

Arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem

van 23 februari 2001

in de strafzaak onder parketnummer 15/094087-99

tegen

M.P. ,

geboren te op ,

wonende te .

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 februari 2001 en de terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2001, 3 januari 2002, 4 januari 2002 en 15 januari 2002.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal inhoudende dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem primair en subsidiair tenlaste is gelegd, en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie als bijlage I in dit arrest gevoegd. De inhoud daar-van wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve

bevestigen met dien verstande dat het hof met betrekking tot de

ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het vol-gende overweegt:

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar hetgeen de raadsman van de medeverdachte heeft aangevoerd, ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2002 betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, aangezien volgens haar met name tijdens het opsporingsonderzoek zodanige schendingen van de beginselen van een behoorlijke procesorde zouden hebben plaatsgehad, dat het openbaar ministerie het recht om haar cliënt te vervolgen heeft verspeeld.

De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, de volgende punten aangevoerd: In de onderhavige zaak bevinden zich geen (historische) printgegevens in het dossier, er is niet tijdig huiszoeking gedaan, verdachten en getuigen zijn niet tijdig gehoord, in Suriname is geen voor de hand liggend onderzoek gedaan en de boekhouding van het door het openbaar ministerie als dekmantelbedrijf beschouwde X is niet aan het dossier toegevoegd. Voorts is een aantal als relevant te kwalificeren telefoontaps niet verder uitgewerkt en tijdig in het dossier gevoegd en zijn diverse verhoren niet of slordig gerelateerd, terwijl verdachte niet tijdig is geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek en aldus niet in de gelegenheid is geweest daarop te reageren en zijn verdediging daarop te richten.

Voor deze onvolkomenheden in het onderzoek is geen bevredigende verklaring gegeven, waardoor deze onvolkomenheden als schendingen van de beginselen van behoorlijk procesrecht aangemerkt moeten worden, aldus nog steeds de raadsman.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven - zoals ook de advocaat-generaal heeft erkend - dat aan het onderzoek in deze zaak onvolkomenheden kleven. Aannemelijk is dat deze onvolkomenheden ten dele zijn terug te voeren op de omstandigheid dat het onderzoek, dat al voor 3 mei 1999 was aangevangen - zij het tegen andere verdachten - , breder was opgezet in de hoop aldus meer betrokkenen bij de invoer van de cocaïne te kunnen achterhalen. Deze brede opzet was, gelet op de grote hoeveelheid aangetroffen drugs, alleszins gerechtvaardigd, maar de vereiste zorgvuldigheid in het onderzoek jegens verdachte heeft daar kennelijk onder te lijden gehad.

Naar het oordeel van het hof leveren de onvolkomenheden in het onderzoek echter, noch ieder op zich, noch deze tezamen genomen, een zodanig ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde op dat zulks tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden. Bij dit oordeel neemt het hof in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat wel printgegevens zijn opgevraagd maar (doelbewust) niet aan het dossier toegevoegd. Ook de overige door de raadsman opgesomde onvolkomenheden in het onderzoek zijn niet te beschouwen als ernstige inbreuken op de beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte.

De beslissing

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtne-ming van het voor-overwogene.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het ge-rechts-hof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. IJland- van Veen, Nijboer en Houben, in tegenwoor-digheid van mr. Janssen als griffier, en is uitge-sproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 januari 2002.