Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AD8522

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2002
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
00/1295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhaaldotaties terzake van achterstallig onderhoud aan onroerende zaken zijn voor zover de dotaties betrekking hebben op jaren waarin de onroe­rende zaken nog niet tot het bedrijfsvermogen behoorden - ook na het baksteenarrest en de Resolutie van 4 januari 2001 (nr. CPP2000/3175) - niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0276
FED 2002/141
V-N 2002/18.2.4
V-N 2002/8.3.4

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 24 maart 2000, ingediend door A (c.v. adviesbureau B) te Y als gemachtigde en aangevuld bij brief van 22 mei 2000 door mr. C te Y.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 24 maart 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschaps-belasting voor het jaar 1995.

De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 79.339. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van inspecteur en tot verminde-ring van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van negatief ƒ 27.355.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 69.299.

Ter zitting van 15 mei 2001 zijn verschenen, mr. C, als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van mr. D, alsmede mr. E namens de inspecteur. Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd waarvan de inhoud in deze uitspraak als ingelast geldt. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. X BV (verder: belanghebbende) is opgericht op 26 januari 1976 door A en Y. Soerahie. Het geplaatste en volgestorte aandelen-kapitaal bedraagt ƒ 55.000. V. Mahadewsingh is enig aandeelhouder. A voert de directie. Belanghebbendes activiteiten bestaan uit het beleggen in en exploiteren van onroerend goed. Bij belanghebbende waren twee werknemers in dienst.

2.2. Op 13 januari 1993 heeft belanghebbende op een veiling voor ƒ 265.000 onroe-rende zaken in Y (verder: de panden) gekocht. De panden dateren uit de jaren dertig van de twintigste eeuw en zijn gelegen aan de R-weg num-mers 111 en 113 en aan de S-weg 1, 1a, 3 en 3a.

Over de activering van de panden merkt een rapport inzake een bij belanghebbende door de belastingdienst ingesteld boekenonderzoek onder meer op:

"De panden zijn verworven voor ƒ 265.000 en zijn (inclusief verwervingskos-ten) geactiveerd voor ƒ 286.483.Op dit bedrag is vervolgens nog de in 1992 gevormde vervangingsreserve ten bedrage van ƒ 37.982 afgeboekt. Eind 1995 staan de panden nog voor ƒ 230.485 op de balans."

2.3. Ten tijde van de aankoop van de panden was een gedeelte op de benedenverdie-ping voor ƒ 3.750 per maand verhuurd en in gebruik als bar. De ruimten op de bo-venverdieping waren als woonruimte verhuurd. Enige tijd na de aankoop heeft de gemeente Y (verder: de gemeente) de woonruimten onbewoonbaar verklaard.

2.4. In 1995 is de gemeente in de buurt waar de panden zijn gelegen een woningver-beteringsproject gestart (verder: het project). Over het project deelt de gemeente in een schrijven van april 1995 aan de bewoners/eigenaars van de in die buurt gelegen panden onder meer het volgende mede:

"Het doel van het projekt (…) is het verbeteren van de woningen in een buurt, zodat de woningen er weer lange tijd tegen kunnen en de buurt als geheel niet achteruitgaat. (…) De gemeente is bereid subsidie en personele ondersteuning beschikbaar te stellen om u als eigenaar te helpen de belangrijkste onderdelen van uw woning op te knappen."

2.5. In de aangifte vennootschapsbelasting 1995 heeft belanghebbende ultimo 1995 een kostenegalisatiereserve van ƒ 163.142 verantwoord. In de toelichting op de bij deze aangifte gevoegde balans per 31 december 1995 vermeldde belanghebbende onder punt 4.5 onder meer:

"Onderhoudsfonds

(…)

Medio 1995 is in opdracht van de gemeente Y door architekt G een begroting gemaakt van het achterstallig onderhoud aan de panden (…).

De totale kosten zijn begroot op fl. 238.142. waarvan een bedrag van fl. 75.000. subsidiabel is.

Het verschil van fl. 163.142 wordt door de vennootschap zelf bekostigd en is als voorziening ten laste van het resultaat 1995 geboekt."

2.6. De inspecteur is bij de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelasting over 1995 van de aangifte afgeweken; hij heeft het belastbaar bedrag als volgt vastgesteld:

- aangegeven belastbare winst -/- ƒ 75.593

- minder dotatie kostenegalisatiereserve

ƒ 163.142 -/- (1/65 x ƒ 163.142) =

ƒ 160.632

- gecorrigeerde belastbare winst ƒ 85.039

- te verrekenen verliezen ƒ 5.700

- vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 79.339

2.7. Tegen deze afwijking van de aangifte is belanghebbende in bezwaar gekomen. In de toelichting op haar bezwaar schrijft zij op 23 juni 1998 onder meer:

"Inmiddels heeft architekt G een nieuw rapport inzake het achterstallig onderhoud uitgebracht. (….) De kosten voor de BV zijn begroot op fl. 327.613,48. (…)

Op grond van het bovenstaande verzoeken wij u voor de uitvoering van het achterstalling onderhoud een KER toe te staan van fl. 327.613. die in de peri-ode 1995/1997 in drie gelijke bedragen van fl. 109.204 ten laste van de AVW wordt gevormd.

(…)

2.8. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd. De inspecteur is alsnog van mening dat een voorziening kan worden gevormd van (5/65 x ƒ 163.142 =) ƒ 12.550 en dat het belastbare bedrag kan worden verminderd met (ƒ 12.550 - ƒ 2.510 =) ƒ 10.040.

3. Geschil

In geschil is de omvang van het bedrag dat belanghebbende ter zake van achterstallig onderhoud aan de panden ten laste van haar winst mag brengen.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en naar de onder 1 vermelde pleitnota.

4.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende nog het volgende naar voren gebracht:

De panden zijn circa 65 jaar oud. Het gaat hier om vier woningen en een kroeg. Dat was ten tijde van de verwerving ook de bestemming. De panden waren toen al bijna onbewoonbaar Bij de koop van de panden was bekend dat er iets mee ging gebeuren. In 1995 was duidelijk dat de plannen zouden doorgaan. Ik ga ermee akkoord het hele bedrag als kosten van onderhoud aan te merken. Het KER-verhaal is vervallen door het verhaal van de staatssecretaris van 4 januari 2001. De aanschrijving van de gemeente is in 1995 bekend geworden. Ik weet niet of en wanneer de vorige eige-naars onderhoud aan de panden hebben verricht. Ook is mij niet bekend wanneer de huurders uit de onbewoonbaar verklaarde woningen zijn vertrokken.

Inmiddels is de begroting van het project niet ƒ 327.613, maar ruim ƒ 600.000.

4.3. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende naar voren gebracht:

Aan het baksteenarrest ligt de premisse ten grondslag dat - in geval sprake is van een onderhoudsvoorziening voor een bedrijfsmiddel - uitsluitend onderhoudskosten die hun oorsprong vinden in de periode dat belanghebbende het bedrijfsmiddel bezit passiveerbaar zijn. Dat betekent dat nu de onderhoudskosten zijn opgeroepen over een periode van circa 65 jaar en belanghebbende de panden in het jaar waarin wordt verwacht dat het onderhoud een aanvang neemt 5 jaar in zijn bezit heeft, zij voor maximaal 5/65ste deel een onderhoudsvoorziening mag vormen.

Het gehele bedrag dat belanghebbende in het kader van het project uitgeeft is aan te merken als onderhoudskosten. Anders dan in het verweerschrift is gesteld, bedragen deze uitgaven niet ƒ 163.142, maar ƒ 327.613 (na aftrek van de subsidie van de gemeente).

Uit doelmatigheidsoverwegingen ga ik ermee akkoord dat het deel van de onder-houdskosten dat toe te rekenen is aan de periode dat belanghebbende de panden in haar bezit heeft, in een keer ten laste van de winst van 1995 wordt gebracht.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende heeft op 13 januari 1993 een aantal panden gekocht in Y, vier woningen en een café (hierna: de panden). De panden dateren uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Met betrekking tot deze panden was ten tijde van de koop sprake van een ernstige staat van achterstallig onderhoud. Koper was daarmee bekend. In 1995 heeft de gemeente Y een woningverbeteringsproject gestart dat onder meer betrekking heeft op de panden. De totale kosten van het aan de panden te verrichten onderhoud zijn, naar tussen partijen niet in geschil is, begroot op ƒ 327.613, na aftrek van een door de gemeente Y toegezegde subsidie.

5.2. Belanghebbende heeft zich in bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat ter zake van het aan de panden te verrichten achterstallig onderhoud een kostenegalisa-tiereserve mag worden gevormd van uiteindelijk ƒ 327.613 en dat als eerste dotatie aan deze passiefpost in 1995 ƒ 109.204, zijnde 1/3 deel van ƒ 327.613, kan worden toegevoegd en ten laste van de winst kan worden gebracht. Daarbij gaat belangheb-bende ervan uit dat zij ook voor de jaren waarin de panden nog niet tot haar vermo-gen behoorden door middel van een of meerdere inhaaldotaties bedragen aan even-bedoelde passiefpost kan toevoegen.

5.3. De inspecteur heeft zich, uitgaande van de begrote onderhoudskosten van ƒ 327.613, op het standpunt gesteld dat ter zake van het achterstallig onderhoud aan de panden weliswaar door belanghebbende een voorziening mag worden gevormd, maar dat zij in 1995 niet meer mag doteren dan overeenkomt met de verhouding tus-sen de periode dat de panden in bezit zijn van belanghebbende en de periode waarin het achterstallig onderhoud is ontstaan. Deze verhouding bedraagt volgens de in-specteur 5/65, hetgeen ertoe leidt dat in 1995 een bedrag groot 5/65 x ƒ 327.613 = ƒ 25.201 als dotatie aan een onderhoudsvoorziening in aanmerking kan komen. Ervan uitgaande dat in het vastgestelde en bij uitspraak op bezwaar gehandhaafde belast-baar bedrag ad ƒ 79.339 een dotatie aan een onderhoudsvoorziening in aanmerking is genomen van ƒ 2.510, leidt het standpunt van de inspecteur uiteindelijk ertoe dat het belastbaar bedrag moet worden vastgesteld op ƒ 56.648 (= 79.339 - 25.201 + 2.510).

5.4. Naar het oordeel van het Hof is in een geval als het onderhavige bij de vorming van een passiefpost die betrekking heeft op achterstallig onderhoud van onroerende zaken een inhaal van uitgaven of dotaties die in het verleden achterwege zijn geble-ven niet toegestaan voor zover die inhaal betrekking heeft op jaren waarin de onroe-rende zaken nog niet tot het vermogen van belastingplichtige behoorden. De op deze periode betrekking hebbende kosten moeten worden geacht te zijn verdisconteerd in de koopprijs van de desbetreffende activa. Hieraan doet het beroep van belangheb-bende op het arrest HR 26 augustus 1998, nr. 33 417, BNB 1998/409 en op het Besluit van de staatssecretaris van 4 januari 2001 (nr. CPP2000/3175) niet af. Genoemd arrest en besluit staan bij de vorming van een passiefpost geen inhaaldota-ties toe voor zover deze betrekking hebben op een periode dat het risico of de slijtage van het bedrijfsmiddel waarop de passiefpost betrekking heeft juridisch en econo-misch de belastingplichtige niet aanging.

5.5. Met betrekking tot de vraag gedurende welke periode deze panden niet tot belanghebbendes vermogen behoorden, heeft de inspecteur gesteld dat dit een peri-ode van 60 jaar betreft. Belanghebbende, op wier weg het heeft gelegen daaromtrent nader inzicht te verschaffen, heeft genoemde periode van 60 jaar niet betwist. Van belang is voorts dat sedert de koop van de panden tot en met de balansdatum van 1995 bijna drie jaren zijn verstreken. Voorts acht het Hof aannemelijk, gelet ook op hetgeen namens belanghebbende omtrent de onderhoudstoestand van de panden ten tijde van de verwerving daarvan ter zitting is verklaard, dat van een ernstige mate van achterstallig onderhoud reeds sprake was toen de panden door belanghebbende werden gekocht.

5.6. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat belanghebbende in 1995 niet meer mag doteren dan overeenkomt met 3/63 deel van de begrote onderhoudskosten ad ƒ 327.613, dat is ƒ 15.601. Door in de berekening van de in aanmerking te nemen dotatie, op doelmatigheidsgronden, mede de jaren 1996 en 1997 te betrekken, heeft de inspecteur zich ter zitting bereid verklaard een dotatie toe te staan ter grootte van ƒ 25.501. Dit toestaan, waarin het Hof partijen zal volgen, leidt tot de conclusie dat het belastbaar bedrag moet worden vastgesteld op ƒ 56.648. In zoverre is het gelijk aan de inspecteur.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proces-kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag als volgt vast-gesteld: 2 (voor het opstellen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) x ƒ 710 x 1,5 (vanwege het gewicht van het geschil) = ƒ 2.130.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 56.648;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht van € 204,20 (ƒ 450) aan belanghebbende te vergoeden, en;

- veroordeelt inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 966,55 (ƒ 2.130) en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 15 januari 2002 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.