Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AD8297

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-01-2002
Datum publicatie
21-01-2002
Zaaknummer
01/01399
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbenden gebonden aan afspraak met inspecteur inzake toerekening aan ondernemingsvermogen, nu die toerekening niet onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0216
V-N 2002/7.3.2

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Meervoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in de beroepen van XY en X, beiden te Z, belanghebbenden,

tegen

vier uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, verweerder, alle gedagtekend 23 maart 2001, betreffende onderscheidenlijk:

1. een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 ten name van XY;

2. een aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998 ten name van XY;

3. een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 ten name van X;

4. een navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998 ten name van X, alsmede

5. de gelijktijdig met de vaststelling van de onder 1 en 3 vermelde belastingaanslagen genomen beschikkingen een boete op te leggen, ter grootte van 50% van het bedrag van die belastingaanslagen.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 20 december 2001.

BESLISSING

Het Hof verklaart de beroepen ongegrond.

GRONDEN

1.1. X exploiteert vanaf april 1987 een administratiekantoor, tot 1 januari 1991 in de vorm van een eenmanszaak en vanaf die datum - onder de naam Administratiekantoor X vof - in de vorm van een vennootschap onder firma. Van 1991 tot 1996 waren X en zijn echtgenote XY, hierna respectievelijk de man en de vrouw, de firmanten. Vanaf 1996 zijn de man, de vrouw en hun zoon, AX, de firmanten. De aanvankelijke winstverdeling van 60% voor de man en 40% voor de vrouw wijzigde als gevolg van de toetreding door de zoon in respectievelijk 50, 30 en 20 procent.

1.2. In december 1989 is het pand a-straat 1 te Q (hierna: het pand) in gebruik genomen als woonhuis en als bedrijfsruimte ten behoeve van de onderneming van de man. De aanschaffingskosten bedroegen ƒ 342.000, inclusief omzetbelasting ad ƒ 53.392. Vanaf het jaar 1990 zijn de zolder en de garage van het pand in de boeken van de onderneming als bedrijfsvermogen aangemerkt. Aan die ruimte is een waarde toegerekend ter grootte van 30% van de aanschaffingskosten.

In 1990 is de boekwaarde van de bedrijfsruimte bepaald op afgerond ƒ 91.000 (30% van ƒ 342.000, verminderd met ƒ 10.773) en is op de verschuldigde omzetbelasting ƒ 10.773 als voorbelasting in aftrek gebracht.

1.3. Tijdens een door de Belastingdienst in 1995 gehouden boekenonderzoek is tussen belanghebbenden en de Belastingdienst onder meer overeengekomen dat 20% van de waarde van het pand wordt gerekend tot het ondernemingsvermogen.

1.4. Naar aanleiding van een boekenonderzoek op 23 mei 2000 en 28 juni 2000 bij een vennootschap waarin de man mede-aandeelhouder is, bericht de inspecteur bij brieven van 22 december 2000 aan belanghebbenden dat ter zake van de overbrenging van de bedrijfsruimte naar privé een boekwinst in aanmerking moet worden genomen. De inspecteur berekent deze boekwinst in de aan de vrouw gerichte brief als volgt:

"Door u is het woonhuis aan a-straat 1 te Q in 1998 verkocht voor ƒ 625.000.

(...) Bij verkoop van de woning (incl. het zakelijk gedeelte) is door u het zakelijk gedeelte overgeboekt naar het privé-vermogen tegen boekwaarde. Deze waarde is te laag.

Uitgegaan had moeten worden van 20% van de verkoopprijs, danwel de waarde die op het moment van verkoop aan het zakelijk gedeelte had moeten worden toegerekend. Gelet op de waardestijging van woningen is in ieder geval algemeen bekend dat de waarden van woningen tussen 1993 en 1998 aanzienlijk gestegen zijn. Gelet op dit gegeven en de verkoopprijs van de woning kan niet anders dan geconcludeerd worden dat met opzet de overbrenging van de onroerende zaak naar het privé vermogen voor een te laag bedrag heeft plaatsgevonden.

Uit de mij ter beschikking staande gegevens blijkt dat de WOZ-waarde (peildatum 1 januari 1995) ... ƒ 418.000 bedroeg. Gelet op de daadwerkelijke verkoopprijs en het feit dat thans geen taxatie op dit punt meer kan plaatshebben heb ik gemeend om de werkelijke opbrengst te middelen met de WOZ-waarde en hiervan 20% als zijnde de minimale opbrengst die toegekend dient te worden aan het zakelijk gedeelte. Dit resulteert in een opbrengst van (20% x f 625.000 + 20% x 418.000 : 2) = f 104.300. De boekwaarde bedroeg f ƒ 37.852, zodat tenminste een winst is gerealiseerd van 66.448. Hiervan zal (met uw man overlegd) aan u worden toegerekend een aandeel van 40%, zijnde f 26.579. Uw inkomen zal ik derhalve met dit bedrag verhogen.".

In een vrijwel gelijkluidende aan de man gerichte brief wordt meegedeeld dat ter zake van 60% van deze boekwinst een navorderingsaanslag wordt opgelegd.

1.5. In beide onder 1.4. bedoelde brieven wordt aangekondigd dat een vergrijpboete wordt opgelegd ter grootte van 50%. De inspecteur schrijft daaromtrent onder meer het volgende:

"Door u wordt een administratiekantoor gedreven. In die hoedanigheid moet u bekend zijn met het gegeven dat de overgang van activa dient plaats te vinden tegen de waarde in het economisch verkeer ... Nu de overgang tegen de (aanzienlijk) lagere boekwaarde heeft plaatsgevonden, moet geconcludeerd worden dat sprake is van opzet en daarmee het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte.".

2.1. Belanghebbenden voeren in beroep aan dat het als bedrijfsruimte in gebruik zijnde gedeelte van het pand geen eigen opgang heeft en aldus niet afzonderlijk verkoopbaar is en om die reden tegen boekwaarde naar privé is overgebracht. Voorts stellen zij dat op de door de inspecteur berekende boekwinst ad ƒ 104.000 in mindering moet worden gebracht de aflossing op de hypothecaire schuld, waarna de resterende boekwinst vrijwel nihil is dan wel dat 20% van de aanschaffingskosten als winst in aanmerking moet worden genomen, omdat - naar de man ter zitting heeft verklaard - het pand niet is gebruikt zoals het eigenlijk gebruikt had moeten worden.

2.2. Belanghebbenden betwisten dat zij de winst uit onderneming opzettelijk te laag hebben aangegeven. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij zowel zijn eigen aangifte als die van zijn echtgenote verzorgt, dat de door zijn echtgenote verrichte werkzaamheden zich beperken tot inboekingen en dat de zoon niets te maken heeft met de verkoop van het pand.

3.1. In casu gaat het om twee belanghebbenden, man en vrouw, die in één geschrift beroep hebben ingesteld tegen zes beschikkingen, waarvan er drie ten name van de ene belanghebbende en drie ten name van de andere belanghebbende zijn gesteld. Dit is in strijd met het systeem van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) dat ervan uitgaat dat een bezwaar- en beroepschrift slechts door één belanghebbende kan worden ingediend. In een dergelijke situatie dient ingevolge artikel 26a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door het Hof de gelegenheid te worden geboden dit beroep te splitsen in twee afzonderlijke beroepschriften.

3.2. In casu is een verzoek tot splitsing ten onrechte achterwege gebleven Het Hof acht evenwel uit een oogpunt van proceseconomie onvoldoende reden aanwezig alsnog om een zodanige splitsing te verzoeken, aangezien het Hof met toepassing van artikel 8:14 Awb vervolgens tot voeging van beide zaken zou hebben besloten en geen der partijen aldus een te respecteren belang heeft bij splitsing van het beroep.

4.1. Vaststaat dat belanghebbenden de garage en de zolder van het pand voor bedrijfsdoeleinden gebruikten. Naar het oordeel van het Hof zijn belanghebbenden binnen de grenzen van de redelijkheid gebleven door dit gedeelte van het pand tot hun ondernemingsvermogen te rekenen. Voor zover belanghebbenden stellen dat vanaf de ingebruikneming van het pand ten onrechte is uitgegaan van de aanwezigheid van een bedrijfsruimte, merkt het Hof op dat voor die stelling onvoldoende bewijs is geleverd. Als een zodanig bewijs kan niet worden aanvaard de omstandigheid dat de aanvankelijke plannen met betrekking tot het gebruik van het pand niet zijn verwezenlijkt.

4.2. Zoals weergegeven onder 1.3. zijn belanghebbenden in 1995 met de Belastingdienst overeengekomen dat 20/100-gedeelte van de waarde van het pand tot het ondernemingsvermogen gerekend wordt. Belanghebbenden hebben het bestaan van de rechtsgeldigheid van die overeenkomst niet betwist. Zij zijn derhalve, nu niet is gebleken dat de garage en zolder van het pand ten onrechte tot het bedrijfsvermogen zijn gerekend, aan die overeenkomst gebonden. Het Hof zal deze dan ook als uitgangspunt nemen.

4.3. Vaststaat dat het bedrijfsgedeelte van het pand in 1998 is overgebracht naar het privé-vermogen van belanghebbenden. Wanneer een tot het ondernemingsvermogen behorend gedeelte van een onroerend goed naar het privé-vermogen wordt overgebracht, dient dit te geschieden naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend op het moment van de overgang. De inspecteur heeft de waarde berekend door uit te gaan van 20% van het gemiddelde van de door belanghebbenden behaalde opbrengst bij de verkoop in 1998 van het gehele pand en de WOZ-waarde van het pand op 1 januari 1995.

Belanghebbenden hebben die waardering niet althans niet voldoende weersproken. Hieruit volgt dat de inspecteur de winst welke belanghebbenden met de overbrenging van het bedrijfsgedeelte naar het privé-vermogen hebben behaald, niet te hoog heeft berekend en dat de in beroep bestreden belastingaanslagen mitsdien niet te hoog zijn vastgesteld.

5. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbenden de winst uit onderneming opzettelijk te laag hebben aangegeven. Het Hof acht dit - gelet op de door de inspecteur daartoe aangevoerde gronden, zoals opgenomen onder 1.6. - aannemelijk. Het opleggen van een boete van 50% is in dat geval passend en geboden. Met betrekking tot de beboeting van de vrouw, die haar aangifte door de man heeft laten verzorgen, geldt dat alleen aanleiding zou bestaan tot een ander oordeel in het geval dat de vrouw - in haar hoedanigheid van medefirmant - in redelijkheid niet hoefde twijfelen aan de juistheid van de door de man ingediende aangifte. Nu dit bewijs niet is geleverd is er geen reden voor vernietiging van de beschikking waarbij aan de vrouw een boete is opgelegd. Ook voor matiging van (één van) deze boetes acht het Hof geen termen aanwezig.

6. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat de beroepen ongegrond zijn. Het overigens door belanghebbenden gestelde doet daar niet aan af en behoeft mitsdien geen beoordeling.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb.

De uitspraak is gedaan op 2 januari 2002 door mrs. Onnes, Boersma en Goes, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de voorzitter en de griffier is ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.