Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2002:AD8291

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2002
Datum publicatie
21-01-2002
Zaaknummer
01/00400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft door bemiddeling van ECO Capital een huur- en service-overeenkomst gesloten met Costa Madera SA te Costa Rica. Daarbij huurt zij van de SA een perceel bosbouwgrond in Costa Rica, waarop teakbomen worden aangeplant. SA verzorgt de percelen en volgens een bepaald plan zal de houtopstand binnen 16 jaar na aanplant worden gekapt. Hof: belanghebbende geniet geen winst uit onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 216
FutD 2002-0212

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 30 januari 2001, ingediend door A (Adviesbureau A B.V.) te B als gemachtigde van belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 19 januari 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelas-ting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1998.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 40.817.

Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot verminde-ring van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 38.792.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 7 december 2001 zijn verschenen mr. C (D Belastingadviseurs) als gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, E, tot haar bijstand ver-gezeld van mr. drs. F.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1971, was in het onderhavige jaar als medewerker in dienstbetrekking bij G.

2.2. Op 30 juni 1998 heeft belanghebbende een "huur- en serviceovereenkomst" ge-sloten met Costa Madera S.A. (hierna: SA), een vennootschap die is gevestigd te San José, Costa Rica, welke vennootschap bij het sluiten van de overeenkomst met be-langhebbende werd vertegenwoordigd door het Nederlandse bedrijf ECO Capital.

2.3. De overeenkomst, waarvan een kopie als bijlage 7 bij het beroepschrift tot de stukken behoort, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"DE ONDERGETEKENDEN:

a. [belanghebbende] (…), hierna te noemen 'participant';

a. en

b. COSTA MADERA S.A. (…), hierna te noemen [SA];

gezamenlijk te noemen: 'partijen',

NEMEN HET VOLGENDE IN AANMERKING:

a. [SA] is eigenaar van een bosbouw perceel, zich bevindend in Costa Rica (…) hierna te noemen: 'de Plantage';

b. [SA] realiseert, voor rekening en risico van participant, middels onderhoud, uitdunnin-gen en verkoop van teakbomen op genoemde plantage een herbebossingsproject (…);

c. [SA] heeft de plantage opgedeeld en genummerd in units ter grootte van 5000 m², hierna te noemen: 'unit'. Elke unit is onderverdeeld in 4 deelunits van gelijke grootte met het achtervoegsel a t/m d, hierna te noemen: 'deelunit';

d. [SA] heeft in 1998 per unit circa 800 teakstekken aangeplant, zulks per deelunit naar rato;

e. [SA] wenst aan participant bepaalde unit(s) te verhuren, alsmede ten behoeve en voor rekening en risico van participant aanvullende diensten aan te bieden;

f. Partijen wensen de door participant voor deze diensten te betalen kosten veilig te stellen door een hiervoor voldoende bedrag onder te brengen in een Trust. Deze trust is ge-naamd de COSTA RICA TREE TRUST, hierna te noemen: 'de trust'.

g. (…).

KOMEN ALS VOLGT OVEREEN

Artikel 1

a. - [SA] verhuurt aan participant, gelijk deze van gene huurt, een perceel grond ter grootte van ca. 1250 m² met daarop ca. 1600 stuks teakaanplant per ha, gelegen op de plantage (…), hierna ook te noemen: 'het gehuurde'. Voorts komen partijen overeen dat [SA] voor participant de in artikel 4 te noemen bijkomende leveringen en diensten zal verzorgen.

b. - Het gehuurde heeft de bestemming van bosbouw, in het bijzonder van herbebossings-project. Het is participant niet toegestaan, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [SA], het gehuurde een andere bestemming te geven.

c. (…)

d. - Participant is gerechtigd, met inachtneming van art. 1.2, om, simultaan met de bos-bouwactiviteiten, zoals bedoeld in art. 4, het gehuurde te (laten) exploiteren met diverse landbouwactiviteiten.

Artikel 2

2.1 - De betalingsverplichting van participant bestaat uit de huurprijs en een vergoeding voor de in artikel 4 genoemde bijkomende leveringen en diensten van [SA]. De totale vaste beta-lingsverplichting bedraagt een bedrag van ƒ 8.500,- (zegge: vijfentachtighonderd gulden). Dit bedrag dient in totaliteit vooruit betaald te worden. In dit bedrag is voor ƒ 400,- begrepen de huurprijs voor de in artikel 7.1 bedoelde duur en een vergoeding voor de bijkomende leverin-gen en diensten voor de in artikel 7.1 bedoelde duur.

2.2 - Participant zal het totale bedrag van deze overeenkomst in de tweede week van juli 1998 overmaken aan [SA] te Utrecht, op rekeningnummer [99.99.99.999] (…).

2.3 (…)

Artikel 3

3.1 - [SA] verplicht zich, ter voldoening van de thans bekende kosten van bijkomende leve-ringen en diensten zoals omschreven in artikel 4, van het sub 2.1 genoemde bedrag een vol-doende deel af te scheiden.

3.2 - [SA] zal het afgescheiden deel van haar vermogen, zoals in het vorige artikel bedoeld, rechtstreeks overmaken aan de trust. De trust zal op haar beurt hiervan aan [SA] jaarlijks be-talen voor de door [SA] verrichte bijkomende leveringen en diensten als in artikel 4 van deze overeenkomst bedoeld.

3.3 (…)

3.4 (…)

Artikel 4

4.1 - [SA] zal ten behoeve en voor rekening en risico van participant, behoudens overmacht, voor participant de volgende bijkomende leveringen en diensten verzorgen:

a. het in 1999 vervangen van de in het eerste jaar na aanplant gestorven teakboomstekken, zodat het aantal van 800 stekken per unit alsdan gehandhaafd blijft;

b. het op zijn/haar [deel]unit[s] regelmatig wieden en zo nodig bemesten van de grond, het trachten te bestrijden van schadelijk ongedierte en het op daartoe geëigende tijdstippen snoeien van de teakbomen tot 3 meter boven de grond;

c. het houden van toezicht op het gehuurde, waarbij aan de bewaking de instructie wordt gegeven dat huurders zich pas na voorgaande legitimtie toegang kunnen verschaffen tot het gehuurde;

d. (…)

e. het op de [deel]unit[s] optimaal (laten) kappen van de teakbomen. Er wordt vooralsnog een kapschema aangehouden van ca. ¼ gedeelte per unit, per deelunit naar rato, vóór het 2e, resp. het 4e, het 8e en het 16e jaar na het jaar van aanplant. (…)

f. het 'op stam' verkopen van de daartoe op het gehuurde van participant aangeplante teak-bomen tegen een zo hoog mogelijke prijs;

g. de opbrengsten van elke kap te laten controleren door een nader te bepalen internationaal accountantskantoor (…);

h. (…)

4.2 - Indien na het sluiten van deze overeenkomst onverhoopt andere leveringen of diensten dan hierboven genoemd noodzakelijk worden voor exploitatie van het gehuurde, zal [SA] zich tegenover vergoeding van de bijkomende kosten beschikbaar houden voor de verzorging daarvan

Artikel 5

5.1 - Van de verkoopopbrengst (incl. BTW) van de gekapte teakbomen wordt een commissie van 5% ingehouden, bestemd voor [SA]. Deze commissie is ervoor bedoeld [SA] te stimule-ren voor de participant een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst voor de participant te be-werkstelligen.

5.2 - De verkoopopbrengst (…) wordt (behoudens overmacht) terstond op een nader door participant te bepalen giro- of bankrekening (van participant) overgemaakt.

5.3 (…)

Artikel 6

(…)

Artikel 7

7.1 - Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van maximaal 16 (zegge: zestien) jaar, te rekenen vanaf 1 januari 1998 en derhalve lopend tot en met 31 december 2013, danwel lo-pend tot aan het tijdstip dat de laatste kap en daaruit voortvloeiende verplichtingen van de aanplant uit 1998 zijn voltooid, danwel lopend tot aan het tijdstip dat de aanplant uit 1998 op een (deel)unit op verzoek van participant of zijn rechtsopvolgers geheel is gekapt. Na het ver-strijken van de hiervoor genoemde duur of op het hiervoor genoemde tijdstip eindigt de huur-overeenkomst van rechtswege, zonder dat daartoe opzegging is vereist.

7.2 - Participant heeft het recht om - na bezichtiging van het gehuurde - de overeenkomst met onmiddellijke ingang aan [SA] op te zeggen middels een aangetekend schrijven, zulks uiterlijk binnen een maand na ondertekening van deze overeenkomst. [SA] zal alsdan terstond het in artikel 2.2 genoemde betaalde bedrag restitueren, minus eventuele voor Participant ge-maakte kosten van een bezoek aan de plantage.

7.3 - Participant is gerechtigd een derde, geheel of gedeeltelijk (per deelunit) in zijn plaats te stellen als huurder, op voorwaarde dat deze derde de plaats inneemt van participant door de (standaard) huur- en serviceovereenkomst met [SA] te tekenen. (…) Behoudens voorafgaande toestemming van [SA] is het participant niet toegestaan het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan derden in huur, onderhuur of gebruik af te staan. (…)

7.4 (…)

Artikel 8

(…)

Artikel 9

(…)".

2.4. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar het op grond van de met SA ge-sloten overeenkomst verschuldigde bedrag van ƒ 8.500 voldaan. Zij heeft dit gedaan met eigen vermogen.

2.5. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belast-baar inkomen van ƒ 38.792. Daarin was opgenomen aan winst uit onderneming een bedrag van negatief ƒ 2.025, als volgt samengesteld:

baten ƒ -

huurkosten ƒ 25

onderhoudskosten ƒ 1.875

advies-, administratie- en

telefoonkosten ƒ 125

ƒ 2.025

negatief resultaat 1998 ƒ 2.025

2.6. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het aangegeven belastbare inkomen met het onder 2.5. vermelde bedrag gecorrigeerd en het inkomen vastgesteld op ƒ 40.817. Het daartegen door belanghebbende ingediende bezwaarschrift werd bij de bestreden uitspraak afgewezen; de aanslag bleef gehandhaafd.

2.7. Belanghebbende heeft noch bij de aangifte, noch op een later tijdstip een balans of verlies- en winstrekening van haar deelname in het project in Costa Rica overge-legd.

2.8. Het project is op de Nederlandse markt door bemiddeling van ECO Capital aan-geboden aan investeerders. In een tot de gedingstukken (bijlage 13 bij het verweer-schrift) behorende kopie van een folder van ECO Capital is onder meer het volgende opgenomen:

"U zoekt een investering die minder afhankelijk is van koersschommelingen, maar wél een jaarlijks rendement oplevert dat hoger ligt dan de internationale aandelenbeurzen kunnen bie-den."

"Een participatie van bijvoorbeeld ƒ 8.500,- kan in 16 jaar een rendement opleveren van ruim honderdveertigduizend gulden."

"De overheid van Costa Rica hecht veel belang aan herbebossingsprojecten. De zogenaamde 'bosbouwvrijstelling' regelt bij wet dat de opbrengsten van dergelijke investeringen vrijge-steld zijn van inkomstenbelasting. dat moet u als muziek in de oren klinken. Daarnaast zijn er extra fiscale faciliteiten in Nederland beschikbaar, zoals de directe fiscale aftrek van de aan-koopsom. U kunt de fiscale aspecten nalezen in de door het internationale accountantskantoor D opgestelde verklaring (…)."

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende ter zake van het gehuurde bosperceel winst uit onderneming geniet in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

4. Standpunten van partijen

Belanghebbende beantwoordt de in geschil zijnde vraag bevestigend, waarbij zij het standpunt inneemt dat voor zover zij niet reeds door het individuele perceel winst uit onderneming geniet, zij dit dan doet doordat zij medegerechtigd is tot een overschot bij liquidatie van de gehele onderneming in Costa Rica. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende ter zake niet winst uit onderneming geniet, maar inkomsten uit vermogen, waarbij zij van oordeel is dat sprake is van de aankoop van een tijdelijke gerechtigdheid tot de opbrengst van het perceel, zodat op grond van het bepaalde in de artikelen 36, negende lid, en 38, derde lid, van de Wet de aftrek van kosten in 1998 wordt beperkt tot nihil. Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat, indien moet worden aangenomen dat belanghebbende ter zake van het bosperceel winst uit onderneming geniet, tegenover de aftrek van kosten een active-ring dient plaats te vinden van gemaakte kosten en houtopstand tot een bedrag van ƒ 2.025, zodat de winst uit onderneming alsdan nihil bedraagt.

Voor de motivering van de standpunten wordt verwezen naar de stukken van het ge-ding. Ter zitting is daaraan -kort en zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd:

door de gemachtigde van belanghebbende:

De grenzen van het normale vermogensbeheer worden in dit geval ruimschoots over-schreden. Ten onrechte voert de inspecteur de omvang van de investering aan als argument tegen het ondernemerschap van belanghebbende. Ik verwijs naar de juris-prudentie die is gewezen over deelname aan commanditaire vennootschappen. Indien het Hof van oordeel is dat geen sprake is van een onderneming, heb ik voor dat geval geen aanvullende stellingen.

De opbrengst van de grond blijft niet per se beperkt tot het teakhout. De exploitatie kan ook andere zaken betreffen. In eerste instantie werd ook aanvullende begroeiing of begrazing overwogen. Dat bleek evenwel niet efficiënt.

Het doel is de verkoop van hout, niet de verkoop van bomen. De onderneming is ge-richt op het creëren van meerwaarde in de vorm van hout. Inzake de subsidiaire stel-ling van de inspecteur wijs ik op de jurisprudentie over waardering voor de vermo-gensbelasting. Daarin was ook sprake van waardering op historische kostprijs.

SA is een rechtspersoon naar Costa Ricaans recht. De fiscale opinie waarvan melding wordt gemaakt in de folder van ECO Capital stemt overeen met hetgeen in deze pro-cedure als standpunt wordt ingenomen.

Belanghebbende heeft nog geen jaarstukken opgemaakt van haar onderneming.

Van het bedrag van ƒ 8.500 is ƒ 400 (16 x ƒ 25) vooruitbetaalde huur en de rest be-treft vooruitbetaling van kosten van SA. Dat bedrag wordt niet tijdsevenredig in aanmerking genomen. Aanplant en onderhoud vergt in de eerste jaren veel en inten-sieve aandacht, vandaar dat aan de eerste vier jaren ƒ 1.875 per jaar wordt toegere-kend. Hoeveel jaarlijks door de trust wordt betaald aan SA wordt door de organisa-ties in overleg met adviseurs bepaald.

SA heeft pieken in de kosten in jaren van kap. De provisie van 5% (artikel 5.1 van de overeenkomst) dient ook ter bestrijding van die kosten.

Belanghebbende is nog niet in Costa Rica geweest om haar perceel te aanschouwen. Er zijn organisatorische problemen geweest bij ECO Capital, op bestuursniveau. Nu wordt er gewerkt aan het organiseren van een reis naar Costa Rica, zodat participan-ten zich ter plekke kunnen vergewissen van de voortgang van het project. Zij kunnen daar ook spreken met bosbouwers en andere betrokkenen.

D Belastingadviseurs heeft een fiscale opinie gegeven en heeft overleg gepleegd met het Nederlandse Ministerie van Financiën en met de ambtelijke groep die als het "Teakteam" bekend staat. In het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 10 februari 1999, nr. DB98/4748, wordt alles wat te maken heeft met investeren in teak-projecten ten onrechte over één kam geschoren.

Buiten de participanten die de inspecteur kent via het kantoor van A zijn er nog en-kele honderden die geïnvesteerd hebben zoals belanghebbende.

Ik heb er geen bezwaar tegen dat de uitspraak zonder nader bericht wordt gedaan en toegezonden zodra deze gereed is.

door de inspecteur:

In het verweerschrift moet op bladzijde 4, derde regel van onderen "Eco Brasil" wor-den gelezen als "ECO Capital" en moet in de laatste regel na "houtopstand" het woord "beide" worden tussengevoegd.

Uitgaande van winst uit onderneming meen ik dat de aanplant als zijnde voorraad jaarlijks moet worden gewaardeerd.

Er is geen sprake van gerechtigdheid tot iets wat als een commanditaire vennoot-schap kan worden aangemerkt. Belanghebbende heeft slechts de huur- en service-overeenkomst met ECO Capital en dus niet méér dan de daaruit voortvloeiende ver-mogensbestanddelen. Zij heeft niets te maken met de andere participanten en hun percelen. En als er sprake zou zijn van een gemeenschappelijke exploitatievorm, dan moet die worden gekwalificeerd als een open commanditaire vennootschap of als een (ook open) fonds voor gemene rekening.

De feitelijke gang van zaken met betrekking tot het bosperceel ligt geheel vast. De enige mogelijkheid voor een eigen inbreng van de participanten is het besluit tot af-wijkende houtkap. Tot nog toe is daarvan door participanten nog nooit gebruik ge-maakt. Deze enkele mogelijkheid brengt nog geen ondernemerschap met zich mee.

Ik heb er geen bezwaar tegen dat de uitspraak zonder nader bericht wordt gedaan en toegezonden zodra deze gereed is.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende heeft van SA voor de duur van 16 jaar tegen een bedrag van ƒ 25 per jaar een perceel bosgrond van 1250 m² gehuurd, op welk perceel door SA teakboomstekken zijn geplant. Op het perceel zullen, zo is de bedoeling, 200 teak-bomen tot wasdom komen. Het onderhoud aan het bosperceel wordt verzorgd door SA, voor welk onderhoud gedurende de 16 jaren belanghebbende een bedrag van ƒ 8.100 bij vooruitbetaling verschuldigd is. De huur voor 16 jaar en het bedrag van ƒ 8.100 heeft belanghebbende in het onderhavige jaar voldaan.

5.2. Belanghebbende is van oordeel dat zij ter zake van haar participatie in het bos-bouwproject een onderneming drijft. Zij voert daarvoor met name aan dat belangheb-bende het risico loopt van het geheel of ten dele teniet gaan van de houtopstand door ziekte, brand, natuurrampen of een andere oorzaak, dat voor het feitelijk bewerken en onderhouden van het perceel een service-overeenkomst is gesloten met SA waarbij individuele wensen met betrekking tot (tussen)kap, teelt van overige gewassen en begrazing kunnen worden gehonoreerd, dat met behulp van de expertise van SA en door SA ingehuurde deskundigen met moderne bosbouwtechnieken en -methoden wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke opbrengst uit bosbouw, dat zonder kun-dig onderhoud de stekken zouden worden overwoekerd door andere gewassen en van een toekomstige opbrengst geen sprake zou kunnen zijn en dat de exploitatie uitgaat boven het normale beheer van vermogen.

5.3.1. Het Hof is van oordeel dat de exploitatie van een bescheiden perceel cultuur-grond (1250 m²) als in casu aan de orde niet kan worden aangemerkt als de uitoefe-ning van een onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet. Belanghebbende heeft voor de duur van 16 jaar het gebruiksrecht verkregen van een perceel bosgrond. Zij maakt dit perceel rendabel door de aanplant van teakbomen die volgens een zeker plan in de loop van de gebruiksduur van het perceel worden gekapt en vervolgens verkocht. Bijzondere omstandigheden daargelaten is een dergelijke wijze van klein-schalige exploitatie van cultuurgrond aan te merken als normaal vermogensbeheer, nu niets anders geschiedt dan het benutten van het onderliggende vermogensbestand-deel voor het voortbrengen van de potentiële vruchten ervan, in casu houtopstand.

5.3.2. Van de zijde van belanghebbende zelf is er geen verdere bemoeienis bij de exploitatie dan het sluiten van een huur- en serviceovereenkomst. Dat zij verdere activiteiten heeft ontwikkeld met betrekking tot de exploitatie is gesteld noch geble-ken. Zij heeft zich verzekerd van de diensten van SA voor het verrichten van de no-dige werkzaamheden, maar de omvang van het daarvoor verschuldigde bedrag (ƒ 8.100 voor een periode van 16 jaar, ofwel gemiddeld ƒ 506,25 per jaar) doet niet vermoeden dat de werkzaamheden die door SA worden verricht uitgaan boven het-geen bij normaal vermogensbeheer hoort. Uit hetgeen belanghebbende ter zake heeft gesteld blijkt overigens ook niet dat de werkzaamheden die door SA worden ver-zorgd uitgaan boven het in dergelijke gevallen passende vermogensbeheer (aanplant, eventueel heraanplant, snoeien, verzorging, bemesting, ongediertebestrijding, toe-zicht). De omstandigheid dat door deskundig beheer ter plekke wordt voorkomen dat -zoals bij ondeskundig beheer mogelijk zou geschieden- de aanplant zou worden overwoekerd en niet zou kunnen gedijen kan belanghebbende ook niet baten. Het op deskundige wijze beheren van vermogen met het oog op optimalisering van de op-brengst brengt niet mee dat niet langer sprake is van vermogensbeheer.

5.3.3. Dat belanghebbende het risico loopt van tenietgaan van de houtopstand is niet van belang; het risico dat een belegging of de vrucht daarvan tenietgaat, stempelt de bezitter van de desbetreffende belegging nog niet tot ondernemer.

De omstandigheden dat aanplant, onderhoud en toezicht geschiedt door een ter plaat-se gevestigd deskundig bedrijf, dat dit bedrijf gelijke overeenkomsten heeft gesloten met vele andere (mogelijk honderden) participanten en dat de percelen van alle parti-cipanten tezamen één grote plantage vormen, maken niet dat de kwalificatie van be-langhebbendes betrokkenheid bij het door haar gehuurde perceel anders moet worden beoordeeld. Hetzelfde geldt met betrekking tot hetgeen door belanghebbende is ge-steld inzake de mogelijkheid tot aanvullende exploitatie (andere gewassen, begra-zing). Immers, ook met betrekking tot deze mogelijkheden is niets gesteld of geble-ken dat de gevolgtrekking rechtvaardigt dat daarmee voordelen worden behaald die uitgaan boven hetgeen bij normaal vermogensbeheer worden verkregen. Het benutten van cultuurgrond voor een nevencultuur maakt niet dat de exploitatie bedrijfsmatig wordt.

5.3.4. Belanghebbende heeft nog gesteld dat zij als medegerechtigde winst uit onder-neming geniet. Echter, gesteld noch gebleken is dat belanghebbende buiten de door haar met SA gesloten overeenkomst op enige wijze gerechtigd is tot de (inkomsten uit) de plantage als geheel, tot de resultaten van andere percelen of tot het vermogen van SA. Integendeel, in haar beroepschrift staat (blz. 4) dat "(i)edere participant uit-sluitend gerechtigd (is) tot de opbrengst van zijn/haar individuele perceel; er vindt geen gemeenschappelijke winst- en/of verliesdeling plaats tussen de participanten", (blz. 5) dat "(e)en huurder van de grond (…) geen recht (heeft) op verkoopopbreng-sten van de grond zelf" en (blz. 5/6) dat belanghebbende "alleen die opbrengsten zal genieten die voortkomen uit het door haar gehuurde perceel". Voor het aannemen van een ondernemerschap van belanghebbende uit hoofde van het slot van het eerste lid van artikel 6 van de Wet, waartoe dan ook belanghebbendes gerechtigdheid tot het door haar gehuurde perceel zou moeten of kunnen worden gerekend, is dus geen grondslag aanwezig.

5.3.5. Het vorenstaande, ook in samenhang bezien, leidt het Hof tot de gevolgtrek-king dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende winst uit onderneming geniet.

5.4. De inspecteur heeft gesteld dat indien belanghebbende geen winst uit onderne-ming geniet, de inkomsten uit vermogen die belanghebbende geniet uit hoofde van haar participatie nihil bedragen. Van de zijde van belanghebbende is dit niet bestre-den en zijn ter zake ook geen andersluidende stellingen betrokken.

5.5. Het vorenstaande houdt in dat het gelijk aan de inspecteur is.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk is gesteld en zich overigens geen bijzondere om-standigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 4 januari 2002 door mrs. Schaap, Van Loon en Ren-sema, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op die da-tum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in gea-nonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassa-tie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.