Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AP4575

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
29-06-2004
Zaaknummer
0181/2000
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De door belanghebbende overgelegde kopie van het door de Poolse autoriteiten afgegeven kentekenbewijs is geen document als bedoeld in artikel 380 van de UCDW. Nu belanghebbende niet enig door de wettelijke bepalingen voorgeschreven bewijsmiddel kan overleggen, moet worden geconcludeerd dat het douanevervoer niet naar behoren is beëindigd. Een verzuim ex artikel 204, lid 1, van het CDW juncto artikel 859 van de UCDW kan ingevolge de eerste volzin van artikel 859 van de UCDW beschouwd worden als zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling, voorzover aan een drietal voorwaarden is voldaan. In het onderhavige geval ligt het op de weg van belanghebbende om aan te tonen dat alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog zijn vervuld. In dit geval is niet aangetoond dat voor de onderhavige auto alsnog die zijn formaliteiten vervuld, op grond waarvan de auto geacht kan worden met toepassing van de juiste douaneformaliteiten Polen te zijn binnengebracht. Gelet hierop is voor de onderhavige auto een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 203 van het CDW, waarvoor belanghebbende op de voet van het derde lid, vierde gedachtestreepje, als schuldenaar wordt aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0181/2000 TC

de dato 6 november 2001

1. De procedure

1.1. Op 27 september 2000 is een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te B, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict X (hierna: de inspecteur) van 2 juli 1998, nummer xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 12 januari 1998, kenmerk yyy, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 2.543,--, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 450,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 31 juli 2001. Namens belanghebbende is verschenen C en namens de inspecteur D.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 26 september 2000 is door het Gerechtshof te Leeuwarden bovenvermeld beroepschrift met het daarbij behorende dossier met toepassing van artikel 6:15, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), ter overname van de behandeling doorgezonden. Het op 8 augustus 1998 gedagtekende beroepschrift is op 12 augustus 1998 bij genoemd Hof ingekomen.

2.2. Op 12 november 1996 werd te O aangifte voor extern communautair douanevervoer gedaan voor een personenauto, merk Hyundai H100 sattelite 2.41 GS, chassisnummer ppp. De aangifte T 1 met nr. zzz vermeldde als land van bestemming Polen en als kantoor van bestemming Frankfurt a/d Oder, Duitsland. Op 19 februari 1997 werd belanghebbende ervan in kennis gesteld dat het terugzendingsexemplaar niet was terugontvangen. Op 8 april 1997 stuurde belanghebbende een kopie van het Poolse kentekenbewijs op ten bewijze van de zuivering.

2.3. Op verzoeken tot nasporing aan het kantoor van bestemming in Duitsland van 13 maart 1997 en 16 juni 1997 werd bericht dat noch de zending noch het document waren aangeboden. Een verzoek tot nasporing aan het Poolse douanekantoor, waar de auto volgens belanghebbende ten invoer zou zijn aangegeven, van12 augustus 1997 werd niet beantwoord.

Nadat de Douanepost O belanghebbende op 15 april 1997 had medegedeeld dat de ingestuurde kopie van het Poolse kentekenbewijs niet voldoende was om het document T 1 nr.zzz te zuiveren, stuurde de inspecteur op 24 september 1997 een kennisgeving als bedoeld in artikel 379 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna UCDW) .

2.4. Toen hierop van belanghebbende geen reactie werd ontvangen, stuurde de inspecteur op 12 januari 1998 de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling, waarop voor de douanerechten de term “invoerrechten” werd gebruikt.

Bij de uitspraak op bezwaar is een bijlage gevoegd, waarin wordt aangegeven op welke wijze in beroep gegaan kan worden. Hierin staat onder meer het volgende:

“Het beroep kan, afhankelijk van de beslissing waartegen U in beroep wilt komen, worden ingesteld bij een of meer van de volgende instanties.

Tariefcommissie

Bij de Tariefcommissie kunt u onder andere in beroep komen indien het betreft:

- douanerechten “

2.5. Op 12 juni 2001 heeft de Tariefcommissie van belanghebbende in het Pools gestelde stukken ontvangen, te weten een brief van een Poolse advocaat aan belanghebbende, een brief gericht aan de Poolse advocaat van W alsmede de rekening van de advocaat aan belanghebbende. Blijkens de ter zitting door de inspecteur overhandigde vertalingen gaat het onder meer om een verklaring van het Districtskantoor Groot-Polen te Poznan, Afdeling Europese Economie en Integratie, waarin onder meer het volgende wordt verklaard: “2. het voertuig van het merk Hyundai, chassisnummer ppp , (…) is op 08-01-97 geregistreerd onder registratienr. rrr.“

3. Het geschil

In geschil is de vraag of in het onderhavige geval belanghebbende terecht als douaneschuldenaar is aangesproken voor de omstandigheid, dat de goederen op het document T 1, nummer zzz, niet zijn aangebracht op het kantoor van bestemming.

4. Het standpunt van belanghebbende

Belanghebbende stelt dat de auto naar Polen is uitgevoerd en aldaar is afgeleverd bij de koper; ten bewijze hiervan legt zij een kopie van het kentekenbewijs over. Hierop staan de gegevens vermeld welke overeenkomen met de gegevens van het document T1. Waarschijnlijk ligt de fout bij de douane aan de Pools/Duitse grens.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Weliswaar heeft belanghebbende tijdig beroep aangetekend, maar is het beroepschrift ingediend bij het Gerechtshof Leeuwarden. Het feit dat in de uitnodiging tot betaling het te betalen bedrag is gespecificeerd als “invoerrecht“, terwijl in de bij de uitspraak gevoegde bijlage, waarin de beroepsmogelijkheden worden vermeld, wordt gesproken over douanerechten, is hier mogelijk de oorzaak van. Omdat verder aan de wettelijke eisen is voldaan, wordt belanghebbende ontvankelijk geacht in haar beroep.

5.2. Ingevolge artikel 96 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) is de aangever verplicht de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden op het kantoor van bestemming aan te brengen met inachtneming van de door de douane-autoriteiten getroffen identificatiemaatregelen. Indien het originele terugzendingsexemplaar niet op de voorgeschreven wijze of helemaal niet wordt terugontvangen zijn er mogelijkheden om de regelmatigheid van het vervoer alsnog aan te tonen. Hiertoe moet een van de bewijsstukken genoemd in artikel 380 UCDW worden overgelegd. De door belanghebbende overgelegde stukken voldoen niet aan de eisen van genoemd artikel.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De ontvankelijkheid

Uit de sub 2.4. vermelde feiten kan worden afgeleid dat er bij belanghebbende verwarring kan zijn ontstaan omtrent het bevoegde orgaan waarbij zij haar beroepschrift moest indienen. Immers de terminologie van de voor belanghebbende in casu relevante heffing luidt op de beroepsclausule anders dan op de uitnodiging tot betaling. Voor de Tariefcommissie leidt dit tot het oordeel dat geen juiste toepassing is gegeven aan artikel 6:23 van de Awb, zodat op de voet van artikel 6:15, lid 3, letter a, van de Awb de datum van binnenkomst van het beroepschrift bij het Gerechtshof te Leeuwarden bepalend is, hetgeen tijdig was.

6.2. De regelmatigheid van het douanevervoer

6.2.1. Ingevolge artikel 96 van het CDW heeft belanghebbende als aangever de verplichting om de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de getroffen identificatie-maatregelen en om overigens de bepalingen van het communautair douanevervoer na te leven. Het kantoor van bestemming heeft in dit geval meegedeeld, dat de onderhavige auto aldaar niet is aangebracht en evenmin het document T1 is ingeleverd. Indien een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, heeft de belanghebbende de gelegenheid alsnog het bewijs te leveren van de regelmatigheid van het douanevervoer.

6.2.2. In artikel 380 van de UCDW is een limitatieve opsomming gegeven van de documenten waarmee de regelmatigheid van het vervoer kan worden aangetoond, te weten: a. een door de douaneautoriteiten geviseerd douane- of handelsdocument, waaruit blijkt dat de betrokken goederen bij het kantoor van bestemming of, bij toepassing van artikel 406, bij de toegelaten geadresseerde werden aangebracht; of b. een douanedocument waarmee de goederen onder een douaneregeling in een derde land zijn geplaatst, dan wel een kopie of een fotokopie daarvan; deze kopie of fotokopie dient voor conform te werden gewaarmerkt, hetzij door de instantie die het origineel heeft geviseerd, hetzij door de autoriteiten van het betrokken land, hetzij door de autoriteiten van een lidstaat.

6.2.3. De door belanghebbende overgelegde kopie van het door de Poolse autoriteiten afgegeven kentekenbewijs is geen document als bedoeld in artikel 380 van de UCDW. Nu belanghebbende niet enig door de wettelijke bepalingen voorgeschreven bewijsmiddel kan overleggen, moet worden geconcludeerd dat het douanevervoer niet naar behoren is beëindigd.

6.3. Ontstaan van de douaneschuld

6.3.1. De Tariefcommissie zal het betoog van belanghebbende onder punt 4 verstaan als een beroep op artikel 204, lid 1, van het CDW juncto artikel 859 van de UCDW, inhoudende dat sprake is geweest van een verzuim zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling, in casu de regeling extern communautair douanevervoer. In onderdeel 6 van artikel 859 van de UCDW is genoemd de situatie, dat goederen die onder een douaneregeling waren geplaatst, het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, zonder dat de vereiste formaliteiten zijn vervuld. Een dergelijk verzuim kan ingevolge de eerste volzin van artikel 859 van de UCDW beschouwd worden als zonder werkelijke gevolgen voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling, voorzover aan een drietal voorwaarden is voldaan. In het onderhavige geval ligt het op de weg van belanghebbende om aan te tonen dat alle formaliteiten voor het regulariseren van de situatie van de goederen alsnog zijn vervuld. In dit geval is niet aangetoond dat voor de onderhavige auto alsnog die zijn formaliteiten vervuld, op grond waarvan de auto geacht kan worden met toepassing van de juiste douaneformaliteiten Polen te zijn binnengebracht.

6.3.2. Gelet op het voorgaande is voor de onderhavige auto een douaneschuld ontstaan op grond van artikel 203 van het CDW, waarvoor belanghebbende op de voet van het derde lid, vierde gedachtestreepje, als schuldenaar wordt aangemerkt.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep, voorzover deze de douanerechten betreft.

Aldus gewezen in raadkamer op 6 november 2001 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H. J. Bokhorst, lid, en mr. Th.J.G. van Berkum, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als secretaris.

De secretaris De voorzitter

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 6 november 2001.