Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AO5461

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
11-03-2004
Zaaknummer
0030/2000
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft erkend dat de onderwerpelijke sieraden uit Marokko komen en derhalve niet afkomstig zijn uit de Europese Gemeenschap. Vast staat dat de sieraden op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebracht. Ter zake daarvan zijn op grond van artikel 202, lid 1, letter a, CDW de douanerechten, waaraan de goederen bij invoer zijn onderworpen, verschuldigd door belanghebbende, tenzij zij op enigerlei vrijstelling aanspraak zou kunnen maken. Het gebruik van de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van douanerechten komt belanghebbende niet toe, nu zij - tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur - niet aannemelijk heeft gemaakt dat de binnengebrachte goederen sieraden betreffen, die zij van een kennis had geleend om ze hier op een bruiloft te dragen en nadien weer naar Marokko uit te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0030/2000 TC

de dato 20 februari 2001

1. De procedure

1.1. Op 29 februari 2000 is een beroepschrift ingekomen van mr. A.te B, ingediend namens X te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z (hierna: de inspecteur) van 21 januari 2000, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 12 mei 1999, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 299,40, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht ad f 225,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 9 januari 2001. Daar is namens de inspecteur mr. B verschenen. Belanghebbende, bij aangetekende brief van 7 december 2000 van plaats, dag en uur van de zitting op de hoogte gesteld, is niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende woont in Nederland; zij heeft de Nederlandse nationaliteit en staat ingeschreven op het adres H. H-straat16 II te Y. Zij reist regelmatig naar Marokko. Belanghebbende is op 12 mei 1999 per vliegtuig vanuit Marokko in Nederland teruggekeerd. Zij wilde de luchthaven Schiphol verlaten via de zogenaamde groene zone.

2.2. Tot de gedingstukken behoort een verklaring van de ambtenaar J.C, die, voorzover hier van belang, het volgende inhoudt:

"Op 12 mei (abusievelijk staat vermeld 12 juli) heb ik mevr. X gevisiteerd. Mijn eerste vraag aan haar was of zij iets had aan te geven. Hierop antwoordde zij ontkennend. Tijdens de visitatie van haar bagage trof ik 3 gouden armbanden en een gouden heupriem aan. Zij vertelde dat zij deze sieraden had aangeschaft voor een bruiloft. Daarop vroeg ik haar waar zij woonachtig was. Vanaf dat moment werd mevr. X zeer kribbig en gilde dat ik beter in haar Nederlandse paspoort moest kijken. Haar persoongegevens zijn in het BVR gecontroleerd en volgens deze gegevens was zij in Nederland woonachtig.

(…)

Wat het goud betreft, het waren nieuwe sieraden, niet in de EEG aangeschaft.

De berekening met betrekking tot de waarde en de belasting zijn in dit dossier bijgevoegd.".

2.3. De douanerechten in de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling zijn berekend naar een tarief van 2,5% van de douanewaarde, welke aan de hand van een goudberekeningsprogramma is vastgesteld op f 2.171,-- voor de drie armbanden en f 9.804,-- voor de gouden riem. In verband met de verschuldigde rechten heeft de douane de goederen inbewaring genomen, waarvoor een bewijs aan belanghebbende is uitgereikt.

3. Het geschil

In geschil is of de in de uitnodiging tot betaling begrepen douanerechten terecht zijn geheven. De berekening van de omvang van de douanerechten is niet in geschil.

4. Het standpunt van belanghebbende

Belanghebbende verblijft regelmatig voor langere duur bij familie in Marokko. Toen zij in mei 1999 in Marokko verbleef ontving zij een uitnodiging voor het huwelijk van haar broer in Nederland. Zij besloot naar Nederland terug te keren teneinde dit huwelijksfeest te kunnen bijwonen. Zij heeft van mevrouw L Z. de gouden armbanden en gouden riem geleend met de bedoeling deze sieraden op het huwelijksfeest te dragen. Na haar terugkeer naar Marokko, welke was gepland op 21 mei 1999, zouden de sieraden weer aan de eigenaresse worden teruggegeven.

Ter onderbouwing van haar standpunt zijn in het geding gebracht:

- een afschrift van de uitnodiging voor het huwelijksfeest op 15 mei 1999,

- een verklaring van L. Z te Casablanca,

- een tweetal facturen van D te Casablanca betreffende de verkoop

aan L. Z van een gouden riem en drie gouden armbanden van respectievelijk

17 maart 1993 en 25 mei 1993.

5. Het standpunt van de inspecteur

Belanghebbende, die haar normale verblijfplaats in Nederland heeft, heeft erkend dat de litigieuze sieraden uit Marokko kwamen, zodat deze niet als terugkerende goederen kunnen worden aangemerkt. Belanghebbende kan evenmin gebruik maken van de vrijstelling voor tijdelijke invoer van reizigersbagage.

Onder de reizigersvrijstelling zijn diverse andere sieraden vrijgegeven.

Belanghebbende heeft zich schuldig gemaakt aan onregelmatige invoer als bedoeld in artikel 202 van het Communautair douanewetboek (CDW), zodat de goederen terecht in de heffing van douanerechten zijn betrokken.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Belanghebbende heeft erkend dat de onderwerpelijke sieraden uit Marokko komen en derhalve niet afkomstig zijn uit de Europese Gemeenschap. De Tariefcommissie heeft geen reden te twijfelen aan de sub 2.2. vermelde verklaring van de ambtenaar dat de binnengebrachte sieraden zich in de bagage van belanghebbende hebben bevonden en dat deze sieraden nieuw waren.

6.2. Vast staat dat de sieraden niet bij de douaneambtenaren op Schiphol zijn aangebracht en aangegeven; zij zijn derhalve op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebracht. Ter zake daarvan zijn op grond van artikel 202, lid 1, letter a, CDW de douanerechten, waaraan de goederen bij invoer zijn onderworpen, verschuldigd door belanghebbende, tenzij zij op enigerlei vrijstelling aanspraak zou kunnen maken.

6.3. Het gebruik van de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van douanerechten komt belanghebbende niet toe, nu zij - tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur - niet aannemelijk heeft gemaakt dat de binnengebrachte goederen sieraden betreffen, die zij van een kennis had geleend om ze hier op een bruiloft te dragen en nadien weer naar Marokko uit te voeren. De door belanghebbende overgelegde stukken acht de Tariefcommissie niet overtuigend.

6.4. Nu gesteld noch gebleken is dat in casu anderszins een vrijstelling van douanerechten van toepassing is, dient het beroep, voorzover het de douanerechten betreft, ongegrond te worden verklaard.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Tariefcommissie verklaart het beroep ongegrond, voorzover het de douanerechten betreft.

Aldus gewezen in raadkamer op 20 februari 2001 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, en mr. K. Kooijman en mr. Th.J.G. van Berkum, plaatsvervangende leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 20 februari 2001.