Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AO2645

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
0220/99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In casu staat vast dat twee kartons van de op het document T1 vermelde goederen hun bestemming niet hebben bereikt en dat niet bekend is wat er met die goederen is gebeurd. Na de melding van het verschil heeft de inspecteur, conform artikel 379, lid 2, UCDW, belanghebbende de gelegenheid geboden binnen drie maanden na dagtekening van de kennisgeving de regelmatigheid van het vervoer aan te tonen met bewijzen als genoemd in artikel 380 UCDW, dan wel aan te tonen dat de goederen in het land van verzending niet zijn geladen. Het ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat niet 742 kartons, maar 740 kartons kleding in het land van verzending daadwerkelijk zijn geladen. Voor dat bewijs is de enkele stelling dat de verzegeling van de goederen ongeschonden was, onvoldoende. Nu het verlangde bewijs niet is geleverd, komt de Tariefcommissie tot het oordeel dat op grond van artikel 204, lid 1, letter a, CDW een douaneschuld is ontstaan, waarvoor belanghebbende in haar hoedanigheid van aangever aansprakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr.0220/99 TC

de dato 20 november 2001

1. De procedure

1.1.Op 11 november 1999 is een beroepschrift ingekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. B belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict B (hierna: de inspecteur) van 26 oktober 1999, nummer …, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling, nummer .., werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 450,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 7 november 2000. Daar is verschenen namens belanghebbende W. Namens de inspecteur zijn verschenen C en D. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 11 december 1998 hebben de ambtenaren te B, onder nummer …, een document T1 afgegeven op een aangifte tot plaatsing van 742 kartons kleding, van oorsprong uit Indonesië onder de regeling extern communautair douanevervoer. Als kantoor van bestemming is op het document vermeld: X ". Als bijzondere vermelding is ingevuld het "entrepotverkeer". Het betrof vervoer van het entrepot B van E naar het entrepot C van belanghebbende. Na de lossing bij entrepot B is de container opnieuw voorzien van een verzegeling, te weten douanelood nummer NOL 00. De goederen zijn vervolgens vervoerd naar het entrepot van belanghebbende alwaar de inslag zou plaatsvinden.

2.2. Voordat tot inslag is overgegaan, heeft belanghebbende vastgesteld dat de douane- en de rederijzegel intact waren. Bij de inslag is echter een verschil van twee colli geconstateerd. Belanghebbende heeft op 18 december 1998 het verschil aan de belastingdienst gemeld door op de achterzijde van het vierde exemplaar van het T1 document alsmede op het formulier fiatlossing hiervan een aantekening te maken.

2.3. Op 1 april 1999 is aan belanghebbende, onder nummer 8338345, een kennisgeving uitgereikt, waarin de gelegenheid word geboden om binnen drie maanden na dagtekening van deze kennisgeving de regelmatigheid van het douanevervoer te leveren door bewijsmateriaal als bedoeld in artikel 380 van de Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek (UCDW) of aan te tonen dat de goederen niet zijn geladen. Belanghebbende heeft in haar reactie van 14 april 1999 gesteld dat, gelet op de verzegeling, het verschil is ontstaan in het land van verzending.

2.3. Op 30 juni 1999 is aan belanghebbende de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling gedaan. Deze uitnodiging tot betaling betreft f 136,90 aan douanerechten, f 205,50 aan omzetbelasting alsmede een verzuimboete van f 200,--.

3. Het geschil

In geding is de vraag of belanghebbende terecht is aangesproken tot betaling van het in de litigieuze uitnodiging tot betaling begrepen bedrag aan douanerechten.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Verzocht wordt om kwijtschelding op grond van artikel 239 van het Communautair douanewetboek (CDW) juncto de artikelen 905 tot en met 909 UCDW aangezien van de zijde van belanghebbende geen sprake is van frauduleuze handelingen of van nalatigheid waardoor het vermis is ontstaan.

4.2. Vaststaat dat de container verzegeld op de plaats van bestemming in de Gemeenschap is aangekomen. Het verschil zal derhalve bij de lading in het land van verzending zijn ontstaan. De inspecteur verlangt, ondanks het feit dat de verzegeling intact is, nog ander bewijs dat het verschil niet binnen de gemeenschap is ontstaan. Dit is in strijd met artikel 349 UCDW. In dat artikel staat dat de identificatie van de goederen wordt verzekerd door middel van de verzegeling. Die verzegeling geschiedt per laadruimte en is door het kantoor van vertrek geschikt bevonden. Voor douane-expediteurs is het nagenoeg onmogelijk om te controleren wat er in een container zit. De regeling van artikel 78 CDW biedt in een aantal gevallen wel de mogelijkheid om de aangifte te herzien.

4.3. Om verzekeringstechnische redenen is de vervoerder aansprakelijk gesteld voor het verschil. Deze heeft de summiere aangifte gedaan, waarvan de gegevens voor het vervoersdocument zijn afgeleid. Daarnaast is ook de leverancier aansprakelijk gehouden voor het negatieve verschil dat is geconstateerd na de lossing.

Veelal vindt bij dergelijke onregelmatigheden de verrekening tussen de koper en de verkoper plaats bij een volgende zending of met nog openstaande bedragen en niet door middel van een creditnota. Deze verrekeningen kunnen niet worden opgevoerd als bewijsmateriaal in de zin van artikel 29 CDW. De waarde die is vermeld op een factuur mag immers alleen betrekking hebben op de onderliggende partij.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De in het beroepschrift opgenomen verwijzing naar de artikelen betreffende een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten kan belanghebbende niet baten omdat uit vaste jurisprudentie van de Tariefcommissie volgt dat een dergelijk verzoek niet in een reeds aangevangen bezwaarschriftprocedure kan worden geïnsereerd.

5.2. Belanghebbende is in haar hoedanigheid van aangever verantwoordelijk voor de gegevens die zij in de aangifte vermeldt. Als zij, zoals in casu, gegevens overneemt van een voorafgaand document, zonder deze gegevens te verifiëren dient het risico voor haar rekening te komen. In casu hebben twee op het document vermelde twee kartons kleding hun bestemming niet hebben bereikt .

5.3. Op grond van artikel 78 CDW zou ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van het document kunnen worden overgegaan. Ambtshalve herziening is in casu niet van toepassing omdat het kantoor van bestemming daartoe geen aantekening op het document heeft geplaatst. Herziening op verzoek van de aangever is mogelijk in een geval als het onderhavige, waarbij de douane niet aanwezig is geweest bij de lossing van de goederen, indien belanghebbende aanvullende bescheiden overhandigt waaruit blijkt dat de goederen in het land van verzending niet zijn geladen en het verschil derhalve buiten de Gemeenschap is ontstaan. Een dergelijk bewijs is niet overgelegd. Het document kan niet worden herzien en blijft voor twee kartons ongezuiverd.

5.4. Op grond van artikel 204, eerste lid, CDW is een douaneschuld ontstaan. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel is belanghebbende terecht aangemerkt als schuldenaar. Zij diende de verplichtingen van artikel 96 CDW na te komen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Vaststaat dat twee kartons van de op het onderhavige document T1 vermelde goederen hun bestemming niet hebben bereikt en dat niet bekend is wat er met die goederen is gebeurd.

6.2.1. Na de melding van het verschil heeft de inspecteur, conform artikel 379, lid 2, UCDW, belanghebbende de gelegenheid geboden binnen drie maanden na dagtekening van de kennisgeving de regelmatigheid van het vervoer aan te tonen met bewijzen als genoemd in artikel 380 UCDW, dan wel aan te tonen dat de goederen in het land van verzending niet zijn geladen.

6.2.2. Nu belanghebbende heeft gereageerd binnen voornoemde termijn en daarmee van de haar geboden gelegenheid gebruik heeft gemaakt, brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat aan de heffingsbevoegdheid van de douaneautoriteiten niet in de weg staat dat de uitnodiging tot één dag vóór het verstrijken van de opgelegde termijn betaling is verzonden.

6.3. Het ligt op de weg van belanghebbende aannemelijk te maken dat niet 742 kartons, maar 740 kartons kleding in het land van verzending daadwerkelijk zijn geladen. Voor dat bewijs is de enkele stelling dat de verzegeling van de goederen ongeschonden was, onvoldoende. Nu het verlangde bewijs niet is geleverd, komt de Tariefcommissie tot het oordeel dat op grond van artikel 204, lid 1, letter a, CDW een douaneschuld is ontstaan, waarvoor belanghebbende in haar hoedanigheid van aangever aansprakelijk is.

6.4. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift en ter zitting gewezen op artikel 78 CDW. Die verwijzing kan haar niet baten, reeds omdat niet blijkt dat zij - voordat uitspraak op het bezwaarschrift was gedaan - expliciet om herziening van de aangifte heeft gevraagd. De inspecteur was niet gehouden daartoe ambtshalve over te gaan.

6.5. Het beroep op artikel 239 van het CDW komt niet voor behandeling in aanmerking, omdat een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding niet in een reeds aangevangen procedure ter zake van de uitnodiging tot betaling kan worden geïnsereerd, doch slechts afzonderlijk kan worden ingediend.

6.6. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het gelijk aan de inspecteur is, zodat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd, voorzover deze de douanerechten betreft.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep, voorzover deze de douanerechten betreft.

Aldus gewezen in raadkamer op 20 november 2001 door Mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.W.M. Tijnagel en mr. A. Bijlsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De uitspraak is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 20 november 2001.