Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AO2420

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
27-01-2004
Zaaknummer
0165/99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil, dat ten tijde van de aanvaarding van de onderhavige invoeraangiften Suriname als begunstigd land de informatie als bedoeld in artikel 93 van de UCDW, in de tekst die gold ten tijde van de invoer, niet aan de Commissie had verstrekt. Belanghebbende beroept zich op (afschriften van) brieven van het Surinaamse Ministerie van Handel en Industrie, op grond waarvan de tariefpreferentie alsnog zou kunnen worden toegekend. Nu deze brieven echter niet alle volgens artikel 93 van de UCDW vereiste informatie bevatten, blijft desondanks niet voldaan aan de in artikel 81 van de UCDW genoemde voorwaarden. Gelet hierop kwamen de onderhavige goederen op het moment dat zij in de Gemeenschap voor het vrije verkeer werden aangegeven, naar het oordeel van de Tariefcommissie niet in aanmerking voor de in artikel 67, lid 1, UCDW bedoelde tariefpreferentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

In de zaak nr. 0165/99 TC

de dato 20 november 2001

1. De procedure

1.1. Op 16 augustus 1999 is een beroepschrift ingekomen van mr. A en mr. B van X, belastingadviseurs te Z namens V B.V. te Z (hierna: belanghebbende). Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict R (hierna: de inspecteur) van 2 juli 1999, kenmerk …, waarbij het bezwaarschrift van belanghebbende is afgewezen. De bezwaren waren gericht tegen de beschikking, nummer …, van 4 januari 1999, van de inspecteur, waarin twee verzoeken om terugbetaling van douanerechten zijn afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 8 mei 2001. Namens belanghebbende zijn verschenen C en mr. B; namens de inspecteur drs. E en mr. J. Gemachtigde heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 27 juli 1998 en 24 augustus 1998 heeft de douane te Y twee aangiften voor het vrije verkeer aanvaard onder de nummers 0000. en 0001, gedaan op naam en voor rekening van belanghebbende, voor partijen bevroren garnalen. Op de aangiften is vermeld dat de goederen de oorsprong Suriname hebben. Als tariefpost is opgegeven 0306 13 80 van het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT), waarvoor ten tijde van de invoer een algemeen douanerecht van 13,2% van de douanewaarde gold. Belanghebbende heeft blijkens de vermelding van code 142 in vak 36 van de aangifte verzocht om toepassing van het preferentiële tarief van 4,6% in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). Ten bewijze van de oorsprong legde belanghebbende bij elke aangifte een origineel Formulier A over met nummer A 0002 respectievelijk A 0005. In vak 11 van dit formulier is een handtekening gezet en een stempel met vermelding "Kamer van Koophandel en Fabrieken Suriname" en met typemachine ingevuld een datum (3 juli 1998 respectievelijk 3 augustus 1998), de plaats Paramaribo, alsmede een handtekening.

2.2. De verifiërende douaneambtenaar heeft beide formulieren gecontroleerd en niet als rechtsgeldig aanvaard. Naar zijn mening waren de certificaten van oorsprong niet afgegeven door een daartoe aangewezen instantie. De inspecteur heeft voor de berekening van de verschuldigde douanerechten het algemene tarief van 13,2% toegepast. Op 6 augustus 1998 zijn de goederen vermeld in de sub 2.1. genoemde eerste aangifte door de douane vrijgegeven en is een bedrag van f 34.010,90 geboekt en middels een uitnodiging tot betaling van belanghebbende geheven. Op 28 augustus 1998 zijn de goederen ter zake van de tweede aangifte van 24 augustus 1998 vrijgegeven en is een bedrag van f 35.377,60 geboekt en geheven.

2.3. Op 18 november 1998 heeft belanghebbende voor elke uitnodiging tot betaling een afzonderlijk verzoek om terugbetaling ingediend voor het verschil in heffing tussen het algemene en het preferentiële tarief. De verzoeken zijn bij één beschikking van 4 januari 1999, kenmerk …, door de inspecteur afgewezen. Op 12 februari 1999 heeft gemachtigde schriftelijk bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing.

2.4. Ter zitting heeft gemachtigde met het oog op de ontvankelijkheid een getekende bevestiging van ontvangst van het beroepschrift overgelegd, waaruit blijkt dat het beroepschrift op 13 augustus, derhalve tijdig, bij de Tariefcommissie is ontvangen.

3. Het geschil

In geschil is of de verzoeken om terugbetaling van f 22.158,60 respectievelijk f 23.049,00, om reden dat het preferentiële tarief van 4,6 % had moeten worden toegepast, terecht door de inspecteur zijn afgewezen.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Volgens de inspecteur kunnen de bij de aangiften overgelegde Formulieren A niet worden aanvaard, omdat Suriname als begunstigd land in het kader van het APS niet de op grond van artikel 81, lid 1, aanhef en eerste gedachtenstreepje en artikel 93 van de Uitvoeringsverordening communautair douanewetboek (hierna: UCDW) vereiste informatie aan de Commissie heeft verstrekt. Onverkorte toepassing van artikel 93 van de UCDW zou echter met zich brengen, dat goederen met de preferentiële oorsprong Suriname de facto niet voor toepassing van het APS in aanmerking komen en Suriname dus niet onder de APS zou kunnen vallen. Dit kan niet de bedoeling zijn. Belanghebbende heeft bovendien informatie overgelegd, waaruit blijkt dat in Suriname inmiddels wel de procedure is gestart om alsnog de in artikel 93 van de UCDW bedoeld informatie aan de Commissie over te leggen. Deze informatie bestaat uit een kopie van een brief van 15 september 1998 van de Direkteur van het Surinaamse Ministerie van Handel en Industrie, gericht aan de Surinaamse Ambassade in Brussel. Hierin staat dat de Surinaamse Kamer van Koophandel als bevoegde instantie in de zin van artikel 84 van de UCDW zal worden aangewezen. Tevens zijn in de procedure overgelegd kopieën van twee brieven van 22 september 1998 respectievelijk 25 september 1998, waarin de permanente staatssecretaris van het Surinaamse Ministerie van Handel en Industrie rechtstreeks aan de Europese Commissie laat weten, dat de Surinaamse Kamer van Koophandel met terugwerkende kracht tot 1 januari 1996 als bevoegde autoriteit is aangewezen voor het afgeven van een Formulier A in het kader van het APS. Het huidige artikel 93 van de UCDW (de opvolger van het nadien gewijzigde artikel 92 van de UCDW zoals deze ten tijde van de onderhavige invoeren van toepassing was) lijkt een notificatie met terugwerkende kracht niet toe te staan, maar deze beperking gold niet in het destijds geldende artikel 92 van de UCDW. Op grond hiervan moet worden vastgesteld dat Suriname wel degelijk de bedoelde mededeling heeft gedaan. De gevolgen van het stilzitten van de Europese Com-missie mogen belanghebbende niet worden tegengeworpen.

4.2. Bij het opvragen van tariefinformatie bij de Nederlandse douane blijkt dat men ook daar ervan uitgaat dat Suriname deel uitmaakt van het APS. In Engeland worden de Formulieren A wel door de douane aanvaard en het preferentiële tarief toegepast. Indien deze certificaten van oorsprong niet worden geaccepteerd, dan had de Surinaamse Kamer van Koophandel niet haar medewerking mogen verlenen aan het opmaken van de certificaten. Er is voldoende aanleiding om een heffing op grond van artikel 220, lid 2, letter b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) achterwege te laten.

4.3. De onderhavige goederen hadden in beginsel ook in aanmerking kunnen komen voor een preferentieel tarief in het kader van de Overeenkomst van Lomé, waarbij de zogenoemde ACS-staten zijn aangesloten. Suriname is partij bij deze overeenkomst. De criteria voor het verkrijgen van de vereiste oorsprong komen met elkaar overeen. In dat geval had belanghebbende een certificaat inzake goederenverkeer EUR 1 moeten overleggen en in de aangifte preferentiecode 141 in plaats van 142 moeten vermelden. De beide regelingen, ACS en APS, zijn dus uitwisselbaar, zodat het voor de hand ligt om het preferentiële tarief alsnog toe te kennen op grond van de ACS-regeling. Het door belanghebbende overgelegde Formulier A zou in dergelijke gevallen kunnen dienen als alternatief bewijs voor het reguliere EUR 1 in navolging van het arrest Hof van Justitie van 23 februari 1995, zaak C-334/93, Jur. 1995, blz. I-319.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Suriname is inderdaad als land aangewezen in het kader van het APS. Een Formulier A als certificaat van oorsprong kan echter pas worden aanvaard als het aan met name genoemde vereisten voldoet. Een van deze vereisten is dat het certificaat moet zijn geviseerd door een daartoe bevoegde instantie. De daartoe bevoegde instanties zijn vermeld in bijlage 2 van Handboek Douane, deel 2, onderdeel 8.00.00. Tot op heden heeft Suriname geen mededeling aan de Commissie gedaan als bedoeld in artikel 93, lid 1, van de UCDW omtrent de bevoegde instanties van afgifte, het gebruik van stempels en de bevoegde instantie voor nacontrole. Ondanks de overlegging van deze brief van het Surinaamse Ministerie van Handel en Industrie, gericht aan de Surinaamse Ambassade in Brussel, is bij de Commissie niet bekend wie als bevoegde instantie voor afgifte van Formulieren A is aangewezen door de Surinaamse autoriteiten.

5.2. Belanghebbende stelt, maar heeft op geen enkele manier met feiten bewezen, dat het in het Verenigd Koninkrijk in 1998 wel mogelijk zou zijn geweest om goederen met oorsprong Suriname met toepassing van de APS-tariefpreferentie in te voeren. Ik verwerp daarom deze stelling. Artikel 220, lid 2, letter b, CDW is niet van toepassing. De boeking is geschied op grond van artikel 201, lid 1, letter a, CDW juncto artikel 217, lid 1, CDW. In casu is dus geen sprake geweest van een boeking achteraf in de zin van artikel 220 van het CDW.

5.3. Toepassing van een preferentieel tarief op basis van de Overeenkomst van Lomé is evenmin mogelijk. Daartoe dient een certificaat EUR 1 te worden overgelegd. Dit is in casu niet gebeurd, evenmin is van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een EUR 1 achteraf aan te vragen in Suriname. Uitwisseling van beide regelingen is bovendien niet mogelijk, nu het Formulier in het kader van het APS niet geldig is en daarom dus ook niet kan dienen als een geldig certificaat EUR 1. Dat een oorzaak daarvan wellicht is gelegen in een omissie van de Surinaamse autoriteiten, is geen reden het Formulier A wel te accepteren. Het is een keuze en niet een verplichting van Suriname om gebruik te maken van de mogelijkheid met tariefpreferentie in de EG in te voeren. Kennelijk heeft Suriname ervoor gekozen om (nog) geen gebruik te maken van deze mogelijkheid.

5.4. Het beroep van belanghebbende op het sub 4.3. genoemde arrest van het Hof van Justitie moet worden verworpen. Het Hof heeft verklaard dat slechts onder bepaalde voorwaarden van overlegging van de vereiste oorsprongsdocumenten kan worden afgezien. In casu is niet aan deze voorwaarden voldaan. Zo zijn er geen andere objectieve bewijzen overgelegd aan de hand waarvan kan worden vastgesteld, dat de preferentiële oorsprong van de onderhavige goederen inderdaad Suriname is geweest. Belanghebbende heeft geen moeite gedaan om in het bezit van de vereiste documenten EUR 1 te komen. Het is niet gebleken, dat de exporteur of importeur in de onmogelijkheid zouden verkeren om dergelijke certificaten EUR 1 te verkrijgen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Op grond van artikel 81 van de UCDW, in de ten tijde van de invoer geldenden tekst, komen producten van oorsprong uit een begunstigd land in het kader van het Algemeen preferentieel systeem bij invoer in de Gemeenschap voor een tariefpreferentie in aanmerking, mits zij in de zin van artikel 78 rechtstreeks naar de Gemeenschap zijn vervoerd, onder overlegging van een certificaat van oorsprong, formulier A, dat door de douaneautoriteiten of door andere bevoegde overheidsinstanties van het begunstigde land is afgegeven, mits dit land de Commissie onder meer de bij artikel 93 van de UCDW vereiste informatie heeft verstrekt. Tussen partijen is niet in geschil, dat ten tijde van de aanvaarding van de onderhavige invoeraangiften Suriname als begunstigd land de informatie als bedoeld in artikel 93 van de UCDW, in de ten tijde van de invoer geldenden tekst, niet aan de Commissie had verstrekt. Belanghebbende beroept zich op de sub 4.1. vermelde afschriften van brieven van het Surinaamse Ministerie van Handel en Industrie, op grond waarvan de tariefpreferentie alsnog zou kunnen worden toegekend. Nu deze brieven echter niet alle volgens artikel 93 van de UCDW vereiste informatie bevatten, blijft desondanks niet voldaan aan de in artikel 81 van de UCDW genoemde voorwaarden. Gelet op het vorenstaande kwamen de onderhavige goederen op het moment dat zij in de Gemeenschap voor het vrije verkeer werden aangegeven, naar het oordeel van de Tariefcommissie niet in aanmerking voor de in artikel 67, lid 1, UCDW bedoelde tariefpreferentie.

6.2. Het beroep van belanghebbende op artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW faalt, omdat in casu geen sprake is van een boeking achteraf, zonder welke deze bepaling geen toepassing kan vinden.

6.3. Belanghebbende heeft meer subsidiair betoogd, dat de onderhavige goederen in aanmerking komen voor een preferentieel tarief op basis van de Overeenkomst van Lomé onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie, in het bijzonder het arrest van 23 februari 1995, zaak C-334/93, Jur. 1995, blz. I-319. In het arrest van 7 december 1993, zaak C-12/92, Jur. 1993, blz. I-6381 en het door belanghebbende aangehaalde arrest heeft het Hof geoordeeld, dat voor toekenning van een tariefpreferentie in het kader van een bepaalde regeling overlegging van het volgens deze bepaalde regeling voorgeschreven bewijs van oorsprong is vereist, maar dat in zeer bijzondere gevallen een uitzondering op deze regel kan worden aanvaard. Daartoe heeft het Hof in deze arresten specifieke omstandigheden beschreven op grond waarvan een marktdeelnemer zich op deze uitzondering mag beroepen. Belanghebbende heeft echter geen enkel feit of omstandigheid gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd, dat het in dit geval onmogelijk was om alsnog in het bezit te komen van de alsdan vereiste certificaten EUR 1.

6.4. Uit het vorenstaande volgt dat de inspecteur de onderhavige verzoeken om terugbetaling van douanerechten terecht heeft geweigerd, en dat de uitspraak van de inspecteur moet worden bevestigd.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 20 november 2001 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, jhr. ing. Hesselt van Dinter en mr. E.N. Punt, plaatsvervangende leden in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 20 november 2001.