Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AO1702

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2001
Datum publicatie
14-01-2004
Zaaknummer
0151/99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de Tariefcommissie moet het bepaalde in artikel 295, lid 2, UCDW zo worden gelezen dat resten en afvallen, ongeacht de bestemming van het hoofdproduct, geacht worden hun bestemming te hebben gevolgd. In zoverre zijn over deze resten en afvallen ten onrechte de douanerechten geheven. Met betrekking tot de afgekeurde stroppen is de Tariefcommissie met de inspecteur van oordeel dat deze niet als resten en afvallen aangemerkt kunnen worden. Nu deze goederen niet de voorgeschreven bestemming hebben gevolgd, maar ter vernietiging zijn verkocht, zijn over deze materialen de rechten verschuldigd. De inspecteur heeft echter verzuimd om aan te geven welk bedrag in redelijkheid is toe te rekenen aan de afgekeurde stroppen; hierin voorziet de Tariefcommissie zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

In de zaak nr. 0151/99 TC

de dato 10 december 2001

1. De procedure

1.1. Op 21 juli 1999 is een beroepschrift ingekomen van A en B van C Belastingadviseurs te X ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict X (hierna: de inspecteur) van 9 juni 1999, nummer xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling nr.yyy, d.d. 7 december 1998, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 634,30, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,00 geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 6 maart 2001. Namens belanghebbende zijn verschenen A en B en namens de inspecteur E en F. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is een handelsmaatschappij voor scheepsbenodigdheden, voornamelijk scheepstuig, staalkabel, touwwerk en hijsgereedschap. De inspecteur heeft belanghebbende op 22 januari 1992 onder nr. zzz een vergunning bijzondere bestemmingen verleend, op grond waarvan met gehele schorsing van de heffing van douanerechten goederen kunnen worden ingevoerd, bestemd voor de bouw, herstelling, onderhoud of uitrusting van aangewezen vaartuigen. Met gebruikmaking van deze vergunning worden onder meer staalkabels en meertrossen ingevoerd. De staalkabels worden door belanghebbende op maat gemaakt, door het samenvlechten van verschillende kabels tot dikke kabels gemaakt, en de kabels worden aan de uiteinden voorzien van ogen. Tevens worden zij op trekkracht getest. De goederen worden geleverd aan de offshore-industrie, en zijn bestemd voor de scheepvaart, werven en rederijen.

2.2. Eind 1998 is er een controle ingesteld naar de naleving van de vergunning over de periode 1994 t/m 1997. Het controle rapport vermeldt kort samengevat het volgende. Bij de controle is de financiële voorraad en de kantoorvoorraad van belanghebbende vergeleken met de voorraad welke volgens de T5 documenten van de douane aanwezig moest zijn. De bevonden verschillen zijn voorgelegd aan het bedrijf; belanghebbende kreeg de gelegenheid de verschillen te verklaren. Ook werd gecontroleerd of de uitvoer van de onder de vergunning ingevoerde goederen kon worden aangetoond met originele afgetekende 3e exemplaren van de documenten ED68. Op 23 november 1998 heeft het eindgesprek plaatsgevonden. Ook daarna zijn er nog verschillende gesprekken gevoerd en is een samenvatting gegeven van de gemaakt afspraken over onder meer een aanpassing van de administratie omdat de gegevens nu niet of zeer moeilijk te vinden zijn, en over een tijdige inlevering van de kwartaalverzoeken met de originele ED68 documenten.

2.3. Met betrekking tot de resten en afvallen die ontstaan bij de bewerking van meertrossen en staalkabels bevat het controlerapport de volgende passage.

"Restanten, snij-afval, afgekeurde stroppen van de staalkabels worden in een container gestort/verzameld welke opgehaald worden door een ijzerboer(…). Deze weegt de partij en betaalt een vergoeding. De facturen worden in een aparte map bewaard. Over de opbrengst van deze staalkabels, "vrijstellingsgoederen" moet alsnog invoerrecht betaald worden. Een gedeelte kan mogelijk uit vrije goederen bestaan. Dit moet aangetoond kunnen worden. De opbrengsten van de verkoop van deze restpartijen staalkabels zijn vanaf 1994 t/m 1997 geïnventariseerd. Over deze bedragen zal het invoerrecht worden berekend. (…) Aan invoerrecht zal alsnog over deze periode f 634,30 betaald moeten worden. Er is een uitnodiging tot betaling opgemaakt met aanslagnummer yyy"

3. Het geschil

In geschil is of de uitnodiging tot betaling nr. yyy, d.d. 7 december 1998, terecht is opgelegd.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. In de artikelen 291 tot en met 304 van de Uitvoeringsverordening van het Communautair douanewetboek (hierna: UCDW) en de artikelen 132 tot en met 145 van de Douaneregeling is de regeling opgenomen met betrekking tot de schorsing van de heffing van douanerechten voor goederen voor de bouw, reparatie, het onderhoud of de verbouwing van bepaalde aangewezen schepen. Ingevolge artikel 295, lid 2, UCDW worden resten en afvallen die zijn ontstaan tijdens het be- of verwerkingsproces van de goederen alsmede verliezen als gevolg van natuurlijke oorzaken geacht de bijzondere bestemming te hebben gevolgd. In het Handboek Douane, Deel I, onderdeel 6.10.00 wordt in paragraaf 2.3.3 nadere uitleg aan deze bepaling gegeven: de resten en afvallen moeten worden toegerekend aan de goederen die de voorgeschreven bestemming hebben gevolgd. Door de inspecteur is niet gesteld dat de staalkabels, waarvan de resten en afvallen afkomstig zijn, niet hun voorgeschreven bestemming hebben gevolgd. Derhalve moeten de resten en afvallen geacht worden hun bestemming te hebben gevolgd op grond van het bepaalde in artikel 295, lid 2, UCDW. De rechten zijn ten onrechte geheven.

4.2. Volgens het controlerapport is het mogelijk dat een gedeelte van de goederen waarop de uitnodiging tot betaling betrekking heeft afkomstig is uit het vrije verkeer. Zonder enige onderbouwing wordt over de totale opbrengst van de resten en afvallen invoerrecht geheven. De heffing kan via de T1documenten en de voor- en nacalculaties worden berekend. Ook is het mogelijk om aan de hand van de ervaringscijfers of gemiddelden vast te stellen voor welke hoeveelheden resten en afvallen nog invoerrecht verschuldigd is. De uitnodiging is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen en is tevens onvoldoende gemotiveerd. Hierdoor zou ten onrechte invoerrecht geheven zijn.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De resten en afvallen en afgekeurde stroppen, waarvan bij de controle is vastgesteld dat ze in Nederland zijn verkocht, hebben niet de voorgeschreven bestemming gekregen. De opvatting van belanghebbende dat deze goederen per definitie geacht worden hun bijzondere bestemming te hebben bereikt wordt niet gedeeld. Verwezen wordt naar artikel 302 UCDW: het gebruik van goederen voor een andere dan de voorgeschreven bestemming kan alleen worden toegestaan als sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechten moeten dan worden voldaan. Zo ook bij vernietiging. Artikel 295, lid 2, UCDW heeft niet de bedoeling vrijstelling te verlenen voor resten en afvallen en afgekeurde materialen die in het vrije verkeer worden gebracht bij hun verkoop.

5.2. In het controlerapport is vermeld dat een gedeelte van de resten en afvallen en afgekeurde stroppen mogelijk uit het vrije verkeer herkomstig is. Ingevolge de artikelen 86 en 87 CDW moet vergunninghouder een zodanige administratie voeren dat duidelijk is voor welke goederen nog rechten verschuldigd kunnen worden en welke goederen in het vrije verkeer zijn. Het is dan ook aan belanghebbende om aan te tonen welke goederen herkomstig uit het vrije verkeer zijn. Zij is daar niet in geslaagd.

5.3.Ingevolge de vergunning moet belanghebbende per kwartaal een opgave indienen van de goederen die de voorgeschreven bestemming niet hebben gevolgd. Zij heeft verzuimd met betrekking tot de resten en afvallen en afgekeurde materialen deze opgave te doen. Ingevolge de vergunning hadden de afgekeurde materialen onder ambtelijk toezicht moeten worden vernietigd. De uitnodiging tot betaling is terecht opgelegd.

5.4. Opgemerkt wordt dat afgekeurde stroppen niet onder het begrip resten en afvallen vallen. Het zijn complete goederen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen. Hiervoor geldt het bepaalde in de artikelen 302 en 303 UCDW. De uitnodiging tot betaling dient hiervoor in stand te blijven. Op grond van de administratie is geen splitsing te maken tussen de hoeveelheden resten en afvallen en de afgekeurde stroppen die werden verkocht. Het is aan belanghebbende om aan te tonen welke hoeveelheden afgekeurde stroppen aan derden werden geleverd.

5.5. Het controlerapport is een schriftelijke weergave van hetgeen de controlerend ambtenaar tijdens de controle heeft vastgesteld. Tijdens de controle zijn er diverse gesprekken met belanghebbende geweest. uit deze gesprekken moet het haar al voordat de uitnodiging tot betaling werd opgelegd duidelijk zijn geweest op grond waarvan deze werd opgelegd. Tevens wordt in de uitnodiging tot betaling vermeld dat deze ziet op de restwaarde van de goederen die verkocht worden om te worden vernietigd. De uitnodiging is voldoende gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen. Het controlerapport is belanghebbende op 6 januari 1999 toegestuurd. Bij de indiening van de motivering van het bezwaarschrift op 26 maart 1999 was het rapport derhalve bekend.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Anders dan in het Handboek douane is vermeld leest de Tariefcommissie in het bepaalde in artikel 295, lid 2, UCDW dat resten en afvallen, ongeacht de bestemming van het hoofdproduct, geacht worden hun bestemming te hebben gevolgd. In zoverre zijn over deze resten en afvallen ten onrechte de douanerechten geheven.

6.2. Met betrekking tot de afgekeurde stroppen is de Tariefcommissie met de inspecteur van oordeel dat deze niet als resten en afvallen aangemerkt kunnen worden. Nu deze goederen niet de voorgeschreven bestemming hebben gevolgd, maar ter vernietiging zijn verkocht, zijn over deze materialen de rechten verschuldigd.

6.3. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat hij, doordat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar, ingevolge artikel 8 van de Douanewet en artikel 14 CDW, rustende administratieplicht, niet in staat was een splitsing te maken tussen enerzijds de resten en afvallen en anderzijds de afgekeurde stroppen. Nu de inspecteur heeft verzuimd om aan te geven welk bedrag in redelijkheid is toe te rekenen aan de afgekeurde stroppen zal de Tariefcommissie hierin zelf voorzien. Het bedrag wordt in goede justitie vastgesteld op 50 percent van het totaal bedrag dat met de onder 1.1. bedoelde uitnodiging tot betaling is geheven.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x 0,25 (gewicht van de zaak) x f 710,-- = f 355,00.

8. De beslissing

De Tariefcommissie

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- vermindert de uitnodiging tot betaling van 7 december 1998, nr.

yyy met een bedrag van f 317,15;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden

aan deze kosten, groot f 355,00 te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 150,00 aan belanghebbende te voldoen.

aldus gewezen in raadkamer op 10 december 2001 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. Th.J.G. van Berkum en mr. K. Kooijman, plaatsvervangende leden, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Jobse als secretaris

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 10 december 2001.