Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AO1527

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2001
Datum publicatie
09-01-2004
Zaaknummer
0142/99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft belanghebbende een vergunning bijzondere bestemmingen verleend, op grond waarvan met gehele schorsing van de heffing van douanerechten goederen kunnen worden ingevoerd, bestemd voor de bouw, herstelling, onderhoud of uitrusting van aangewezen vaartuigen. Met gebruikmaking van deze vergunning worden onder meer staalkabels en meertrossen ingevoerd. In de onderhavige zaak betreft het een hoeveelheid staalkabel. De goederen werden ingevoerd met gebruikmaking van een controle-exemplaar T5 en belast met 5 percent invoerrecht. Omdat van deze goederen de uitvoer c.q. het bereiken van de bijzondere bestemming niet was aangetoond, is door de inspecteur een uitnodiging tot betaling gedaan. Naar het oordeel van de Tariefcommissie heeft de inspecteur terecht de verschuldigde rechten geheven; belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt, ook niet na daartoe door de Tariefcommissie in de gelegenheid te zijn gesteld, dat de goederen de in de vergunning voorgeschreven bestemming hebben bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

In de zaak nr. 0142/99 TC

de dato 10 december 2001

1. De procedure

1.1. Op 21 juli 1999 is een beroepschrift ingekomen van A en B van C Belastingadviseurs te X ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Rotterdam (hierna: de inspecteur) van 9 juni 1999, nummer xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling nr. yyy, d.d. 7 december 1998, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 2.052,70 werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,00 geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 3 mei 2000 is van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen, op 30 mei 2000 van de inspecteur een conclusie van dupliek.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 6 maart 2001. Namens belanghebbende zijn verschenen A en B en namens de inspecteur E en F. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is een handelsmaatschappij voor scheepsbenodigdheden, voornamelijk scheepstuig, staalkabel, touwwerk en hijsgereedschap. De inspecteur heeft belanghebbende op 22 januari 1992 onder nr. zzz een vergunning bijzondere bestemmingen verleend, op grond waarvan met gehele schorsing van de heffing van douanerechten goederen kunnen worden ingevoerd, bestemd voor de bouw, herstelling, onderhoud of uitrusting van aangewezen vaartuigen. Met gebruikmaking van deze vergunning worden onder meer staalkabels en meertrossen ingevoerd. De staalkabels worden door belanghebbende op maat gemaakt, door het samenvlechten van verschillende kabels tot dikke kabels gemaakt, en de kabels worden aan de uiteinden voorzien van ogen. Tevens worden zij op trekkracht getest. De goederen worden geleverd aan de offshore, scheepvaart, werven en rederijen.

2.2. Eind 1998 is er een controle ingesteld naar de naleving van de vergunning over de periode 1994 t/m 1997. Het controle rapport vermeldt kort samengevat het volgende. Bij de controle is de financiële voorraad en de kantoorvoorraad van belanghebbende vergeleken met de voorraad welke volgens de T5 documenten van de douane aanwezig moest zijn. De bevonden verschillen zijn voorgelegd aan het bedrijf; belanghebbende kreeg de gelegenheid de verschillen te verklaren. Ook werd gecontroleerd of de uitvoer van de onder de vergunning ingevoerde goederen kon worden aangetoond met originele afgetekende 3e exemplaren van de documenten ED68. Op 23 november 1998 heeft het eindgesprek plaatsgevonden. Ook daarna zijn er nog verschillende gesprekken gevoerd en is een samenvatting gegeven van de gemaakt afspraken over onder meer een aanpassing van de administratie omdat de gegevens nu niet of zeer moeilijk te vinden zijn, en over een tijdige inlevering van de kwartaalverzoeken met de originele ED68 documenten.

2.3. Kort samengevat bevat het controlerapport met betrekking tot onder meer de onderhavige zaak de volgende bevindingen: Volgens de kantoorvoorraadadministratie van belanghebbende was staalkabel uitgeslagen en weggevoerd. Omdat deze partijen goederen niet in de kwartaalsverzoeken waren opgegeven, stonden deze hoeveelheden nog open in de voorraad die de douane aan de hand van de T5-exemplaren bijhoudt. Op de staffellijsten van belanghebbende waren voor douane onbekende hoeveelheden en hoeveelheden zonder ondernummers afgeschreven, en was er een negatieve voorraad doordat er meer werd afgeschreven dan er op het T5 aanwezig was.

2.4. In de onderhavige zaak betreft het een hoeveelheid van 3048 m staalkabel van 38 mm De goederen werden ingevoerd met gebruikmaking van een controle-exemplaar T5 nr. ppp, met een waarde van f 41.053,00 en belast met 5 percent invoerrecht. Omdat van deze goederen de uitvoer c.q. het bereiken van de bijzondere bestemming niet was aangetoond, is de onder 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling gedaan.

2.5. Ter zitting is belanghebbende alsnog de gelegenheid gegeven om binnen drie maanden nader bewijs over te leggen dat de goederen hun bestemming hebben gevolgd. Op 5 juni 2001 heeft belanghebbende bericht dat zij gezien de reeds verstreken tijd na de uitvoer geen nadere bescheiden meer heeft kunnen achterhalen.

3. Het geschil

In geschil is of de uitnodiging tot betaling nr.yyy, d.d. 7 december 1998, terecht is opgelegd.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Gesteld wordt dat het volgen van de bestemming met andere bewijsmiddelen dan in de vergunning is voorgeschreven mogelijk is. De wettelijke bepalingen, onder meer artikel 293 UCDW en bepalingen in de Douaneregeling, bevatten geen limitatieve opsomming van bewijsmiddelen. Door belanghebbende niet in de gelegenheid te stellen aanvullend bewijs over te leggen is de uitnodiging tot betaling op onzorgvuldige gronden en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd.

4.2. Bij de controle in 1995 over de jaren 1990 t/m 1993 heeft de douane ander bewijs voor de levering als uitrusting aan boord van zeeschapen en boor- en werkeilanden geaccepteerd dan het originele exemplaar van de uitvoeraangifte. Ook uit de brief van 13 juli 1995 naar aanleiding van de ingediende periodieke opgave, waarin de inspecteur meedeelt dat voor wat betreft de formulieren ED 68 waarvoor fotokopieën zijn ingediend de afschrijving pas definitief wordt wanneer bij de controle de bestemming wordt aangetoond, valt af te leiden dat het volgen van de bestemming met aanvullend bewijs aangetoond kan worden. Door nu geen aanvullend bewijs te accepteren heeft de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende vertrouwenbeginsel gehandeld. De uitnodiging tot betaling dient daarom te worden vernietigd.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Op de vergunning, verleend op grond van artikel 21 CDW, zijn de artikelen 86 en 87 CDW van toepassing. In artikel 86 wordt aangegeven dat de vergunning slechts wordt afgegeven als de douane controle kan uitoefenen zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die in geen verhouding staan tot de economische behoefte. Ook artikel 87 laat er geen twijfel over dat de voorwaarden waaronder van de regeling gebruik gemaakt kan worden in de vergunning worden vastgesteld. In overeenstemming met deze bepalingen is in de vergunning voorgeschreven dat het bereiken van de voorgeschreven bestemming moet worden aangetoond door het overleggen van afgetekende controle-exemplaren T5 en formulieren Ex 3 (ED68). Als de bestemming op andere wijze gecontroleerd zou moeten worden, dan zou de douane bij de controle een extra administratieve inspanning moeten leveren.

5.2. Het is niet meer na te gaan waarop de ambtenaar in de vorige controle periode de conclusie heeft gebaseerd dat de goederen hun bestemming hadden bereikt. Wel is bekend dat indertijd in een aantal gevallen tot ambtshalve teruggaaf is overgegaan toen bleek dat, hoewel voor uitvoer afgetekende exemplaren Ex -3 (ED68) ontbraken, gezuiverde T1 documenten aanwezig waren, waarmee vaststond dat de goederen de voorgeschreven bestemming hadden gekregen. Hetzelfde is bij de onderhavige controle gebeurd.

Daarentegen werd een verzoek van 3 november 1994, waarin belanghebbende vroeg om documenten achteraf voor uitvoer af te tekenen, niet gehonoreerd omdat niet vaststond dat de goederen waren uitgegaan. Hieruit blijkt dat geen alternatief bewijs werd toegestaan. Ook in de uitspraak van de Tariefcommissie van 24 mei 1991, nr. 12 712, UTC 1991/35 wordt uitgesproken dat als bewijs van het bereiken van de bestemming slechts een T5 voorzien van de vereiste aftekeningen en verklaringen kan dienen. Er kan dan ook geen vertrouwen zijn gewekt dat alternatief bewijs geaccepteerd zou worden.

5.3. Zelfs als het bereiken van de bestemming op andere wijze aangetoond zou kunnen worden, dan heeft belanghebbende in het onderhavige geval niet het begin van bewijs aangedragen waaruit het bereiken van de bestemming zou kunnen worden afgeleid.

6. De rechtsoverwegingen

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt, ook niet na daartoe door de Tariefcommissie in de gelegenheid te zijn gesteld, dat de goederen de in de vergunning voorgeschreven bestemming hebben bereikt. Hieruit volgt dat inspecteur terecht de verschuldigde rechten heeft geheven.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

aldus gewezen in raadkamer op 10 december 2001 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. Th.J.G. van Berkum en mr. K. Kooijman, plaatsvervangende leden, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Jobse als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 10 december 2001.