Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AN9457

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2001
Datum publicatie
04-12-2003
Zaaknummer
0132/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In casu gaat het om de vraag of navordering achterwege had dienen te blijven in verband met de tweede voorwaarde in artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW. Partijen zij het erover eens dat door een vergissing van de douaneautoriteiten in het Gebruikstarief een lager bedrag aan douanerechten is geboekt dan het verschuldigde bedrag. Uit de vaststaande feiten blijkt dat de wettelijke regeling inzake de toepassing van het GDT betreffende de onderwerpelijk goederen een complexe aangelegenheid was. Zowel belanghebbende als de douaneautoriteiten hebben zich op dit punt lange tijd vergist. Gelet op die omstandigheid en in aanmerking genomen het controleverloop kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende die vergissing redelijkerwijze kon ontdekken, aldus de Tariefcommissie. Dit leidt tot het oordeel dat de onderhavige boeking achteraf valt onder de termen van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW en daarom niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0132/98 TC

de dato 6 februari 2001

1. De procedure

1.1. Op 26 augustus 1998 is een beroepschrift ingekomen van A, werkzaam bij advocatenkantoor B te C, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D te E, België, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict C (hierna: de inspecteur) van 16 juli 1998, kenmerk x, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van 27 april 1998, nr. y met betrekking tot de heffing van douanerechten van de hierna te omschrijven goederen, gedeeltelijk werd toegewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. De gemachtigde heeft op 1 april 1999 een conclusie van repliek ingediend en de inspecteur op 6 mei 1999 een conclusie van dupliek.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 13 juli 1999. Daar zijn verschenen A namens belanghebbende en P namens de inspecteur. Partijen hebben beiden ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen. In verband met de gewijzigde samenstelling van de Tariefcommissie heeft op 12 december 2000 een nieuwe mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn daar niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1. In de periode van 23 juni 1997 tot en met 11 november 1997 heeft belanghebbende, in opdracht van C. in België en Denemarken, te Rotterdam aangiften voor het vrije verkeer gedaan van methionine.

De goederen zijn aangegeven onder post 2930 40 00 van het gemeenschappelijk douanetarief (het GDT). Volgens de naamlijst en tarieven, gepubliceerd in het rijksboekwerk "Heffingen bij invoer, deel II", en overgenomen in het geautomatiseerde systeem Sagitta (hierna: het Gebruikstarief), gold ten tijde van de invoer voor post 2930 40 00 van het GDT een douanerecht van 0 percent.

2.2. Voor genoemde tariefpost gold in 1997 volgens Verordening (EG) nr. 1734/96, Pb EG 1996, L 312, (hierna: de Verordening), een conventioneel douanerecht van 6,9 percent van de douanewaarde. In bijlage 3, afdeling II van deze Verordening is een lijst van farmaceutische stoffen opgenomen die vrij van rechten kunnen worden ingevoerd en die bekend staan onder de INN-namen (International Non-proprietary Names) die de Wereldgezondheidsorganisatie voor deze stoffen heeft vastgesteld. In de bijlage is onder meer vrijstelling van douanerechten verleend voor: GN-code 2930 40 00, CAS RN 000063-68-3, methionine.

2.3. Bij Verordening (EG) nr. 2086/97, Pb. EG 1997, L 312, heeft de Commissie met ingang van 1 januari 1998 post 2930 40 00 van het GDT vervangen door de navolgende onderverdelingen:

2930 40 10 - - methionine (INN) vrij

2930 40 90 - - andere 6,7

2.4. Op 27 april 1998 heeft de inspecteur belanghebbende op grond van artikel 221, lid 1, van het Communautair douanewetboek (het CDW) de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling gezonden met de navolgende motivering:

"Op diverse data in 1996 en 1997 werd door u methionine ten invoer tot verbruik aangegeven onder goederencode 2930 4000 00 00. De betreffende aangiften ten invoer worden in het hierna genoemde overzicht vermeld.

De invoer van L-methionine met CAS-nummer 000063-68-0 was op de betreffende data waarop u de aangiften ten invoer in 1997 indiende, vrijgesteld van invoerrecht. De twee overige vormen van methionine, te weten D-methionine (CAS-nummer 000348-67-4) en DL-methionine (CAS-nummer 000059-51-8) waren niet vrijgesteld van invoerrecht. Bij invoer van D- of DL-methionine was in 1997 6,9% invoerrecht verschuldigd.

Gebleken is dat u op de in de bijlage genoemde aangiften, andere soorten methionine dan L-methionine ten invoer aangaf. In alle gevallen is 0% invoerrecht geheven. Hierdoor werd ten onrechte te weinig invoerrecht in rekening gebracht.

Op grond van artikel 201 CDW, juncto artikel 2, lid 2, letter a Douanewet is er een douaneschuld ontstaan en bent u de rechten verschuldigd, omdat de aangever als schuldenaar wordt

aangewezen."

Blijkens de uitnodiging tot betaling was in totaal een bedrag van f 522.320,30 aan douanerechten verschuldigd.

2.5. Bij zijn uitspraak op het bezwaarschrift heeft de inspecteur een bedrag van f 37.253,20 aan douanerechten teruggegeven omdat was gebleken dat de douanerechten op enkele aangiften reeds in een eerder stadium waren geheven.

3. Het geschil

In geschil is of in casu de navordering gerechtvaardigd is. Partijen zijn het erover eens dat douane een vergissing heeft begaan bij het opstellen van het Gebruikstarief. Belanghebbende is van mening dat zij deze vergissing redelijkerwijs niet kon ontdekken en beroept zich tevens op het vertrouwenbeginsel.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Voor methionine van post 2930 40 00 is, blijkens de Verordening, een conventioneel recht van 6,9 percent van toepassing. Bijlage III van deze verordening bevat een lijst met stoffen die door de Wereldgezondheidsorganisatie is vastgesteld; de op deze lijst voorkomende stoffen zijn vrijgesteld van douanerechten. Methionine wordt als zodanig onder GN code 2930 40 00 vermeld in de bijlage en is derhalve vrijgesteld van invoerrecht. De uitnodiging tot betaling dient reeds op die grond te worden vernietigd. De stelling van de inspecteur dat er verschillende soorten methionine zijn, te weten, L-methionine dat is vrijgesteld, en D- en DL methionine, waarvoor 6,9 percent verschuldigd zou zijn, wordt niet gedragen door de Verordening.

4.2. De tekst van het ten tijde van de aangifte vigerende gebruikstarief is in overeenstemming met de Verordening. Het gebruikstarief is een gepubliceerd Besluit van de Staatssecretaris van Financiën en bevat aanwijzingen voor de toepassing van het tarief. Dit Besluit dient te worden beschouwd als recht in de zin van artikel 99 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO); hieraan doet niet af dat in de inleiding van het Besluit een zinsnede is opgenomen dat het gebruikstarief geen wettelijk kracht bezit. Belanghebbende beroept zich op de inhoud van het Besluit. Zo het Besluit niet als recht in de zin van artikel 99 Wet RO kan worden beschouwd, beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel.

4.3. Belanghebbende heeft een brief overgelegd van de Deense douaneautoriteiten aan C., de importeur van de goederen, waaruit blijkt de methionine dient te worden ingedeeld onder post 2930 40 00 00. Ook de Belgische douaneautoriteiten waren van mening dat voor de invoer van methionine een vrijstelling van toepassing was.

4.4. Belanghebbende beroept zich subsidiair op het bepaalde in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW. De inspecteur geeft toe dat er sprake is van een vergissing; de vergissing van de administratie bestaat enerzijds uit de (wellicht) onjuiste vermelding in het gebruikstarief, en anderzijds uit de wijze waarop Sagitta is ingericht; dit is te beschouwen als een actieve gedraging van de douane.

Belanghebbende bestrijdt dat zij de vergissing redelijkerwijs had kunnen ontdekken. De Verordening duidt eerder op vrijstelling dan dat 6,9 percent invoerrecht verschuldigd zou zijn. Het feit dat Sagitta geen rechten berekent, is reden te meer om aan te nemen dat belanghebbende de vergissing redelijkerwijs niet kon ontdekken. Belanghebbende mag erop vertrouwen dat een door de Belastingdienst vervaardigd computerprogramma voor het doen van aangiften in overeenstemming is met de relevante wetgeving.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Elk jaar verschijnt van de Commissie een verordening waarin voor het daaropvolgende jaar de gecombineerde nomenclatuur en de overeenkomstige heffingsvoeten voor de rechten van het GDT worden vastgesteld; daarbij hoort een lijst van farmaceutische stoffen met door de Wereldgezondheidsorganisatie vastgestelde INN-namen, waarop geen rechten van toepassing zijn.

De lijst omvat GN-codes, CAS-nummers en de benamingen van de desbetreffende stoffen. Bij GN-code 2930 40 00 staat vermeld: 000063-68-3 methionine. De CAS-nummers vormen een numeriek systeem van codenummers ter identificatie van chemische stoffen, welke wereldwijd wordt gebruikt. Deze nummers staan in een groot aantal commerciële handboeken, catalogi en computerbestanden.

Naast de natuurlijke methionine, de L-vorm, bestaan er twee synthetische vormen, namelijk D-methionine met CAS-nummer 348-67-4 en DL-methionine met CAS-nummer 59-51-8; de vrijstelling heeft slechts betrekking op de L-vorm. Bij het opstellen van het gebruikstarief is ten onrechte bij post 2930 40 00 het percentage 0 ingebracht. Dit percentage had, naar uit de Verordeningen (EG) nrs. 1734/96 en 3009/95 blijkt, 6,9 moeten zijn.

5.2. Door het CAS-nummer toe te voegen aan de goederenomschrijving is de variant van de methionine te bepalen waarop de vrijstelling van toepassing is. Alhoewel de Publicatiebladen zoals de inspecteur ter zitting heeft verklaard, wel enigszins misleidend zijn, heeft belanghebbende in deze niettemin onzorgvuldig gehandeld door niet verder te informeren; zij had dan kunnen ontdekken dat methionine met een ander CAS-nummer is onderworpen aan het normale tarief van invoerrechten.

5.3. Ten tijde van de invoer gold Verordening (EG) nr. 1743/96. Deze Verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten. Deze verordening is de wettelijke basis, ongeacht of het door de Staatssecretaris uitgevaardigde gebruikstarief een besluit is dat dient te vallen onder artikel 99 Wet RO. Het beroep op dit artikel is dan ook geen reden om de uitnodiging tot betaling te vernietigen.

5.4. De ten onrechte niet geheven rechten zijn op grond van artikel 220, lid 1, van het CDW nagevorderd. Van navordering wordt afgezien, indien door belanghebbende wordt voldaan aan de voorwaarden welke zijn genoemd in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW. Voorwaarde is onder meer dat sprake moet zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten die de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon ontdekken.

Het opnemen van een onjuist percentage in het Gebruikstarief is aan te merken als een vergissing van de douaneautoriteiten. Om te beoordelen of deze vergissing door de aangever kon worden ontdekt dient men te letten op de aard van de vergissing, de beroepservaring van belanghebbende en op de door haar betrachte zorgvuldigheid. Elementen die van invloed zijn bij de beoordeling zijn onder andere: de complexiteit van de betrokken gemeenschapsbepaling, de wijze van afwerking van de documenten door de douane en de feitelijke omstandigheden van het geval. Worden deze elementen op dit geschil toegepast, dan is er geen sprake van complexiteit van de gemeenschapsregeling, aangezien de verordeningen duidelijk stellen dat er in principe douanerechten geheven moeten worden over de invoer van het product methionine, maar dat één soort methionine, namelijk met CAS-nummer 000063-68-3, van rechten is vrijgesteld.

5.5. Het onjuiste percentage in het gebruikstarief had belanghebbende bij raadpleging van de wettelijke basis in het Publicatieblad eenvoudig kunnen ontdekken. Belanghebbende is in casu onvoldoende zorgvuldig geweest, zodat terecht tot navordering is overgegaan.

5.6. Belanghebbende heeft diverse aangiften ten invoer in het vrije verkeer gedaan voor methionine, in opdracht van C. Denemarken. Er is sprake van DL-methionine, die ingedeeld dient te worden onder tariefpost 2930 40 00. Er is echter geen sprake van een BTI. Voor een BTI wordt namelijk een vastgesteld formulier gebruikt, en daar is hier geen sprake van. Bovendien geeft een BTI slechts zekerheid over de tariefindeling, maar niet over de hoogte van het eventueel van toepassing zijnde invoerrecht. Het beroep op deze zogenaamde BTI treft dan ook geen doel.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Ter zitting heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of navordering achterwege had dienen te blijven in verband met de tweede voorwaarde in artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW.

6.2. Partijen zijn het erover eens dat door een vergissing van de douaneautoriteiten in het Gebruikstarief een lager bedrag aan douanerechten is geboekt dan het verschuldigde bedrag. Uit de vaststaande feiten blijkt dat de wettelijke regeling inzake de toepassing van het GDT betreffende de onderwerpelijke goederen een complexe aangelegenheid was. Zowel belanghebbende als de douaneautoriteiten hebben zich op dit punt gedurende lange tijd vergist.

6.3. Gelet op die omstandigheid en in aanmerking genomen het controleverloop, kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende die vergissing redelijkerwijze kon ontdekken. Niet in geding is dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften en bepalingen inzake de aangifte heeft voldaan.

6.4. Het in 6.3. overwogene leidt tot het oordeel dat de onderhavige boeking achteraf onder de termen van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW valt en daarom niet in stand kan blijven.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x 2 (gewicht van de zaak) x f 710,-- = f 2.840,--

8. De beslissing

De Tariefcommissie:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede de uitnodiging tot betaling van 27 april 1998, nr. y;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot f 2.840,--, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 150,-- aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 6 februari 2001 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mrs. Th.J.G. van Berkum en C.W.M. van Ballegooijen, plaatsvervangende leden, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Jobse als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 6 februari 2001.