Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AN8501

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
0064/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een aangifte ten invoer tot verbruik gedaan van goederen, van oorsprong en van herkomst uit Chili, in de aangifte omschreven als: "Met peper gekruide kalkoenborsten". Door het Laboratorium is bij het monsteronderzoek en het heronderzoek geconstateerd dat het monster uitsluitend aan de bovenzijde was voorzien van peper. Hieruit blijkt dat visueel duidelijk waarneembaar was dat niet werd voldaan aan het vereiste van aanvullende aantekening 6a op hoofdstuk 2, dat het vlees over de totale oppervlakte gekruid moet zijn. Bovendien is ter zitting door de inspecteur onweersproken gesteld dat het vlees niet gemarineerd of met kruiden geïnjecteerd is. Belanghebbende heeft ook geen bewijs geproduceerd dat het vlees inwendig gekruid is. Op grond hiervan wordt geoordeeld dat de goederen geen bereiding hebben ondergaan, die indeling onder post 1602 rechtvaardigt. In casu voldoen de goederen naar het oordeel van de Tariefcommissie aan de bewoordingen van post 0207 27 10 van het GDT en dienen zij derhalve onder die post te worden ingedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0064/98 TC

de dato 27 december 2001

1. De procedure

1.1. Op 2 april 1998 is een beroepschrift ingekomen van A te B, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C te D, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict X, kenmerk ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de indeling in het Tarief van invoerrechten (GDT) werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Op 31 december 1998 heeft de gemachtigde een conclusie van repliek ingediend en de inspecteur zond op 1 februari 1999 een conclusie van dupliek.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 7 september 1999. Daar zijn verschenen A en E namens belanghebbende; namens de inspecteur is verschenen F. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 16 juni 1997 heeft belanghebbende bij de douaneambtenaren te X onder nummer ... een aangifte ten invoer tot verbruik (IM-4) gedaan van goederen, van oorsprong en van herkomst uit Chili, in de aangifte omschreven als: "Met peper gekruide kalkoenborsten". Op de aangifte werd post 1602 31 11 van het gemeenschappelijk douanetarief (het GDT) vermeld; ten tijde van de invoer gold voor deze post een douanerecht van 14,2%.

2.2. De verificatie van de aangifte werd aangehouden in verband met een monsteronderzoek. De door de ambtenaren genomen monsters zijn gezonden aan het Laboratorium van de Belastingdienst te Amsterdam (het Laboratorium). De uitslag van het onderzoek is aan belanghebbende meegedeeld en luidde als volgt:

"Het monster bestaat uit bevroren vlees van kalkoen, niet gehomogeniseerd, niet zijnde staarten. Het monster is niet duidelijk waarneembaar gekruid en voldoet niet aan de aanvullende aantekening 6a op hoofdstuk 2 en kan niet als gekruid vlees ingedeeld worden in hoofdstuk 16.

Advies goederencode: 0207.2710.00 00".

Belanghebbende heeft een heronderzoek gevorderd. De uitslag hiervan is haar op 26 september 1997 meegedeeld en luidde als volgt:

"Dit betreft de uitslag van een heronderzoek.

Het monster bestaat uit bevroren vlees van kalkoen, zonder been, niet gehomogeniseerd, zijnde (delen van) de borst. Het monster is uitsluitend aan de bovenzijde voorzien van peper, het monster is daarmee NIET over het totale oppervlak gekruid en voldoet niet aan aanvullende aantekening 6a op hoofdstuk 2. Het monster is op verzoek tevens bekeken door de heer Klomp, Price Waterhouse, optredend namens de importeur. Er is geen smaaktest uitgevoerd omdat indien visueel kruiden zichtbaar zijn deze zich op het totale oppervlak moeten bevinden. Een smaaktest op dit monster zou sterk afhankelijk zijn van de plek van monstername, aangezien een gedeelte van het oppervlak duidelijk gekruid is met peper (dit zal ook middels een smaaktest aantoonbaar zijn) doch ook grote gedeelten van het oppervlak niet zijn voorzien van peper, zodat dit ook niet middels een smaaktest waarneembaar zal zijn.".

2.3. Op 26 september 1997 is de verificatie beëindigd. Op basis van de uitslag van het heronderzoek is het product, in afwijking van de aangifte, ingedeeld onder post 0207 27 10 van het GDT. Ten gevolge van de gewijzigde indeling is belanghebbende geen douanerecht, maar landbouwheffing verschuldigd geworden van f. 257,49 per 100 kg netto massa; in totaal is een bedrag groot f. 113.421,90 verschuldigd.

2.4. Tot de gedingstukken behoort een brief van 3 april 1997 gericht aan de exporteur G te Chili en afkomstig van de importeur/opdrachtgever H in Israël, waarvan de inhoud luidt als volgt:

"I would like to ask you to spice the meat with pepper - the two upper layers should be lightly spiced with pepper.

Kindly mention in de documents that the products are SPICED and KOSHER PROCESSED. The statistic no.(customs no.) should be 1602.31.11."

2.5. Tot de gedingstukken behoort voorts een door TNO Voeding, Afdeling Diervoeding en Vleestechnologie, te Zeist opgemaakt rapport met betrekking tot een onderzoek naar de kenmerkende verschillen van kalkoenvlees van koosjere en niet-koosjere herkomst. Een samenvatting van de resultaten van dit onderzoek, gedagtekend 30 juni 1997, luidt, voor zover van belang, als volgt:

"- verschil in keukenzoutgehalte en natriumgehalte (factor 2 tot 4 hoger in koosjere variant);

- verlaagd water oplosbaar eiwitgehalte in monsters koosjer kalkoenvlees (3 tot 10% lager in koosjer vlees indien betrokken op totaal eiwit);

- het percentage restbloed in de monsters van koosjere herkomst is in relatieve zin 23 tot 30% lager dan in de monsters kalkoenvlees van niet-koosjere herkomst;

- er zijn aanwijzingen dat er histologisch op microscopisch niveau structuurverschillen bestaan tussen de onderzochte monsters koosjer en niet-koosjer kalkoenvlees; het blijft echter onduidelijk of deze verschillen zijn veroorzaakt door het koosjere slachtproces als zodanig dan wel het gevolg zijn geweest van verschillen in de (in)vriesbehandelingen die het vlees heeft ondergaan."

2.6. Het sub 2.5. vermelde koosjer slachten geschiedt volgens belanghebbende door hiervoor speciaal opgeleide en gekwalificeerde "kosjer inspectors". Het slachten gebeurt met een speciaal mes dat regelmatig wordt geslepen om te voorkomen dat als gevolg van stress adrenaline in het bloed komt. De kalkoen wordt vervolgens zodanig opgehangen dat het bloed gemakkelijk uit de kalkoen kan stromen. Daarna wordt machinaal geplukt waarbij, in tegenstelling met niet-koosjer slachten, koud water wordt gebruikt. Na inspectie van de longen en zenuwen wordt het karkas handmatig ingewreven met een speciaal droog zoutkristal dat gedurende 1 uur op het karkas blijft. Hierna wordt het zout met de daaraan gebonden bloedresten van het karkas in drie fasen afgespoeld met een steeds lagere temperatuur. In dit stadium spreekt men van koosjer bereid kalkoenvlees.

3. Het geschil

3.1. In geschil is of de sub 2.1. omschreven goederen dienen te worden ingedeeld onder post 0207 27 10 van het GDT, zoals de inspecteur voorstaat, dan wel onder post 1602 31 11, hetgeen belanghebbende bepleit.

Genoemde posten luiden als volgt:

post 0207 27 10

" 0207 Vlees en eetbare slachtafvallen van pluimvee (bedoeld bij post 0105), vers, gekoeld of bevroren:

- van kalkoenen:

0207 27 - - delen en slachtafvallen, bevroren:

- - - delen:

0207 27 10 - - - - zonder been

(...)";

post 1602 31 11

"1602 Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen of van

bloed:

(...)

- van pluimvee bedoeld bij post

0105:

1602 31 - - van kalkoenen:

- - - 57 of meer gewichtspercenten

vlees of slachtafvallen

bevattend (3):

1602 31 11 - - - - uitsluitend niet-gekookt en

niet-gebakken vlees van

kalkoenen bevattend

(...)".

3.2. Partijen hebben aanvullende aantekening 6a op hoofdstuk 2 in haar beschouwingen betrokken, welke luidt als volgt:

"Niet-gekookt en niet-gebakken, gekruid vlees valt onder hoofdstuk 16. Als "gekruid vlees" wordt aangemerkt, vlees, niet gekookt en niet gebakken, dat, waarneembaar met het blote oog of duidelijk waarneembaar aan de smaak, inwendig of over de totale oppervlakte is gekruid."

3.3. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de koosjere bereiding van het vlees reeds tot indeling onder post 1602 leidt.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Het onderhavige geschil spitst zich met name toe op de toepassing van aanvullende aantekening 6a op hoofdstuk 2, waarin de criteria worden aangegeven op basis waarvan niet-gekookt en niet-gebakken vlees moet worden aangemerkt als "gekruid vlees" in de zin van hoofdstuk 16. Belanghebbende is van mening dat de inspecteur als gevolg van een onjuiste toepassing van genoemde aanvullende aantekening, zonder voldoende rechtsgrond is overgegaan tot correctie van de door belanghebbende in de onderhavige aangifte gehanteerde goederencode.

Op basis van voornoemde aantekening concludeert belanghebbende dat vlees inwendig of over de totale oppervlakte kan zijn gekruid en voorts dat het vlees ofwel op basis van visuele kenmerken als gekruid moet worden aangemerkt (waarneembaar met het blote oog) ofwel op basis van sensorische kenmerken als gekruid moet worden aangemerkt (duidelijk waarneembaar aan de smaak).

In het onderhavige geval is door de douane vastgesteld dat de monsters van het vlees ten minste aan de bovenzijde zichtbaar waren voorzien van peper, maar dat op basis van deze visuele kenmerken het vlees niet als gekruid vlees zou kunnen worden aangemerkt. Deze bevindingen laten evenwel de mogelijkheid onverlet dat het vlees op basis van de sensorische kenmerken als gekruid vlees moet worden aangemerkt.

Belanghebbende heeft de inspecteur expliciet verzocht te onderzoeken of het vlees op basis van de sensorische kenmerken als gekruid vlees zou moeten worden aangemerkt. De inspecteur heeft niet aan dit verzoek willen voldoen, zodat een dergelijk sensorisch onderzoek niet is verricht. Niet alleen staat de enkele weigering om het sensorisch onderzoek te verrichten op gespannen voet met de door de inspecteur te betrachten zorgvuldigheid, tevens brengt dit met zich mee dat moet worden gezegd dat de inspecteur een correctie heeft aangebracht zonder het daartoe van hem verlangde bewijs bijeen te hebben gebracht.

Mede gelet op de jurisprudentie op dit punt, is belanghebbende van mening dat de handelwijze van de inspecteur tot gevolg heeft dat onvoldoende rechtsgrond bestaat om van de aangifte van belanghebbende af te wijken, zodat de onderhavige producten als gekruid vlees van post 1602 moeten worden aangemerkt.

4.2. Subsidiair is belanghebbende van mening dat het kalkoenvlees reeds onder post 1602 kan worden ingedeeld omdat het op koosjere wijze is bereid. Aan het einde van de koosjere bereiding en als gevolg van het onttrekken van bloed, het zouten, het wassen en het spoelen, heeft het kalkoenvlees aanzienlijke veranderingen ondergaan in structuur, kleur en smaak en heeft het de unieke structuur en smaak van koosjer vlees. Door de koosjere bereiding kan het kalkoenvlees niet meer worden beschouwd als vlees in natuurlijke verse staat; het op koosjere wijze bereide kalkoenvlees heeft een hoger zoutgehalte en een hoger vochtgehalte dan vlees in de natuurlijke verse staat. Analoog aan tarifering 2 op post 1604, welke post ziet op de indeling van verse visfilets gedompeld in een houtazijnoplossing, dient het op koosjere wijze bereide kalkoenvlees onder post 1602 te worden ingedeeld.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Ingevolge artikel 68 van het Communautair douanewetboek (CDW), kunnen de douaneautoriteiten, teneinde de juistheid van de door hen aanvaarde aangifte te verifiëren, overgaan tot het onderzoeken van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor de analyse of grondige controle. De resultaten van de verificatie van de aangifte dienen ingevolge artikel 71, lid 1, CDW als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.

In het onderhavige geval zijn van de ingevoerde goederen monsters genomen. De uitslag van het eerste onderzoek is voor belanghebbende reden geweest om een heronderzoek te vorderen. De uitslag van de analyse van het tweede onderzoek is gelijk aan die van het eerste onderzoek. De uitkomst van het eerste onderzoek toonde aan dat het vlees niet voldoende was gekruid om ingedeeld te kunnen worden onder post 1602. De uitslag van het tweede onderzoek leidde niet tot een andere conclusie. Zowel bij het eerste, als bij het tweede onderzoek is door het Laboratorium geen smaaktest uitgevoerd.

De stelling van belanghebbende dat het Laboratorium ten onrechte de smaaktest achterwege heeft gelaten wordt weersproken. Deze test is uitsluitend nodig, indien visueel niet is vast te stellen of het vlees al dan niet is gekruid. In de onderhavige gevallen kon reeds door visuele waarneming worden geconcludeerd dat het vlees niet over de totale oppervlakte was gekruid. Het uitvoeren van een smaaktest zou aan deze conclusie geen verandering kunnen brengen. Nu het vlees niet over de totale oppervlakte is gekruid, voldoet het niet aan het gestelde in aanvullende aantekening 6a op hoofdstuk 2 en kan het product dientengevolge niet ingedeeld worden onder post 1602. Het vorenstaande houdt in dat de uitkomst van de grondige opneming, die na het onderzoek onherroepelijk is komen vast te staan, als grondslag voor de toepassing van de wettelijke bepalingen moet worden aanvaard. Toepassing hiervan leidt tot indeling van de goederen onder post 0207.

Uit een nader door de FIOD ingesteld onderzoek kwam naar voren dat de exporteur in Chili een opdracht van de importeur H in Israel had ontvangen met betrekking tot de wijze van kruiden. Deze opdracht komt overeen met de bevinding van het Laboratorium: de bovenste laag is voorzien van een laagje kruiden (lightly spiced with pepper). De lagen onder de bovenste lagen zijn dientengevolge niet voorzien van peper, hetgeen ook is geconstateerd.

5.2. Belanghebbende voert aan dat het onderhavige kalkoenvlees, nadat het dier op rituele wijze is geslacht, wordt gezouten, waarna het vlees in een bad met lage temperatuur ontdaan wordt van het zout totdat een bepaald zoutgehalte is bereikt. De temperatuur van het vlees wordt verder verlaagd door het vlees nogmaals in waterbaden onder te dompelen. Voorts worden bloedresten en dergelijke met behulp van deze behandelwijze verwijderd. Bepalend voor de indeling in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN) is de aard en de hoedanigheid van de aangeboden producten. Het op rituele wijze slachten van dieren op zich is geen "bereiden" in de zin van hoofdstuk 16. Om als "bereiding" in de zin van hoofdstuk 16 te kunnen worden aangemerkt, dient het vlees een bewerking c.q. een bereiding te hebben onder gaan die uitstijgt boven de in hoofdstuk 2 toegestane aanbiedingsvormen. De resultaten van de na het slachten van bovenvermelde handelingen vormen geen reden om het kalkoenvlees aan te merken als zijnde een bereiding in de zin van hoofdstuk 16.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Door het Laboratorium is bij het monsteronderzoek en het heronderzoek geconstateerd dat het monster uitsluitend aan de bovenzijde was voorzien van peper. Dit wordt bevestigd door de sub 2.4. vermelde opdracht van de exporteur. Hieruit blijkt dat visueel duidelijk waarneembaar was dat niet werd voldaan aan het vereiste van aanvullende aantekening 6a op hoofdstuk 2, dat het vlees over de totale oppervlakte gekruid moet zijn.

6.2. Uitgaande van het sub 2.6. genoemde koosjere productieproces en de sub 2.5. weergegeven resultaten van het door TNO Voeding te Zeist uitgevoerde onderzoek, kan als vaststaand worden aangenomen dat de ingevoerde goederen slechts gezouten zijn. Bovendien is ter zitting door de inspecteur onweersproken gesteld dat het vlees niet gemarineerd of met kruiden geïnjecteerd is. Belanghebbende heeft ook geen bewijs geproduceerd dat het vlees inwendig gekruid is. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat de goederen geen bereiding hebben ondergaan, die indeling onder post 1602 rechtvaardigt.

6.3. Gelet op het sub 6.1. en 6.2. overwogene voldoen de goederen aan de bewoordingen van post 0207 27 10 van het GDT en dienen zij derhalve onder die post te worden ingedeeld.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 27 december 2001 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst, gewoon lid en mr. C.W.M. van Ballegooijen, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 27 december 2001.