Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AL8095

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
0073/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In casu wordt het certificaat van oorsprong, formulier A, niet als geldig aanvaard, aangezien het niet is afgegeven door de daartoe bevoegde instantie, in dit geval het Ministry of Foreign Economic Relations. Voor de onderhavige goederen is de oorsprong Rusland in het kader van het APS niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen aangetoond, zodat het preferentiële tarief van 0% ten onrechte is toegepast, aldus de Tariefcommissie. Verder wijst de Tariefcommissie een beroep op artikel 220, lid 2, onderdeel b, van het CDW van de hand. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Tariefcommissie zijn - door de inspecteur betwiste - stelling, dat hij met de douaneambtenaar die het certificaat in ontvangst heeft genomen, uitdrukkelijk overleg heeft gepleegd over de aanvaarding van dit bescheid als geldig certificaat van oorsprong, niet aannemelijk gemaakt. Ook anderszins is van een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten in het onderhavige geval niet gebleken. Van belanghebbende als beroepsaangever mag voorts redelijkerwijs worden verwacht dat hij op de hoogte is van de omstandigheid dat voor de toepassing van een preferentieel tarief uitsluitend originele, genummerde certificaten van oorsprong als bewijs kunnen dienen. Onder deze omstandigheden is de Tariefcommissie van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, onderdeel b, CDW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

In de zaak nr. 0073/97 TC

de dato 6 november 2001

1. De procedure

1.1. Op 27 maart 1997 is een beroepschrift ingekomen van A, handelend voor de eenmanszaak A Douaneagent te B (hierna: belanghebbende). Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z (hierna: de inspecteur) van 20 februari 1997, nummer ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 16 oktober 1996, nummer ..., vermelde bedrag van f 9.135,-- aan douanerechten, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 26 september 2000. Namens belanghebbende is verschenen A en namens de inspecteur X. Zowel gemachtigde als de inspecteur hebben een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 25 februari 1994 heeft de douane te G onder nummer ... een aangifte voor het vrije verkeer aanvaard, gedaan op naam en voor rekening van belanghebbende, voor een partij "caseïne, technisch, andere". Op de aangifte is vermeld dat de goederen de oorsprong Rusland hebben. Als tariefpost is opgegeven 3501 10 90 van het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT), waarvoor ten tijde van de invoer een douanerecht van 14% gold. De goederen zijn volgens de aangifte bestemd voor Y te H.

2.2. Belanghebbende heeft blijkens de vermelding van code 142 in vak 36 van de aangifte verzocht om toepassing van een preferentieel tarief van 0% in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). Het benodigde certificaat van oorsprong had belanghebbende op het moment van het doen van de aangifte nog niet tot zijn beschikking. De douane heeft daarom toestemming gegeven om dit bescheid op een later tijdstip over te leggen. Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn van twee maanden een bescheid overgelegd. Dit bescheid bestond uit een kopie van een niet ingevuld origineel certificaat van oorsprong formulier A. Deze kopie is vervolgens met een typemachine ingevuld en voorzien van stempels.

Op het formulier is gedrukt "Issued in Poland". Het formulier is niet genummerd. Verder is in vak 1 van het formulier getypt dat de goederen verzonden zijn door "GmbH R", Briansk, Rusland en blijkens vak 2 bestemd zijn voor E B.V. te H. Als goederenomschrijving is gegeven "Technisch kasein - 587". In vak 11 is een (datum)stempel in cyrillisch schrift gesteld, handmatig ingevuld met de datum 21-02-1994 en met vermelding van een naam. In vak 12 heeft de exporteur verklaard dat de goederen zijn geproduceerd in Rusland en bestemd voor "Holand". Een douaneambtenaar van het douanekantoor heeft het formulier in ontvangst genomen en bij de desbetreffende aangifte gevoegd. Er zijn geen douanerechten geboekt noch geheven.

2.3. In 1996 heeft de douane een controle achteraf ingesteld bij de importeur van de goederen in H. Tijdens deze controle is het in 2.1. genoemde certificaat van oorsprong onderzocht. De controlerend ambtenaar was van mening dat het certificaat niet geldig was en niet kon dienen om de oorsprong van de goederen aan te tonen. Op 16 oktober 1996 heeft de douane aan belanghebbende de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling uitgereikt onder verwijzing naar de artikelen 201 en 220 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW).

2.4. Bij zijn beroepschrift heeft belanghebbende als bijlage een kopie van het formulier A gevoegd zoals dit bij zijn weten aan de douane is overhandigd. Ook dit betreft een kopie van een niet ingevuld origineel certificaat van oorsprong, dat met een typemachine is ingevuld en voorzien van stempels. Op dit formulier A is net als op het 2.1. genoemde formulier gedrukt "Issued in Poland". Het formulier is eveneens niet genummerd. Verder is in vak 1 van het formulier getypt dat de goederen verzonden zijn door "LTD R", Briansk, Russia en blijkens vak 2 bestemd zijn voor E. B.V. te H. Als goederenomschrijving is gegeven "Technical casein - 587". In vak 11 is een identiek aan het op 2.1. genoemde formulier gebruikt (datum)stempel in cyrillisch schrift gesteld, handmatig ingevuld met eveneens de datum 21-02-1994 en dezelfde naam. In vak 12 heeft de exporteur verklaard dat de goederen zijn geproduceerd in Russia en bestemd voor "Holland".

3. Het geschil

In geschil is of aan belanghebbende terecht op grond van artikel 201 juncto artikel 220 van het CDW een uitnodiging tot betaling is uitgereikt ten bedrage van f 9.135,--.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Volgens de inspecteur is het formulier niet afgegeven door de bevoegde instantie in Rusland. Van mijn opdrachtgever vernam ik destijds dat zo kort na het wegvallen van het communistisch regime, vele instanties niet of slecht functioneerden. Men had geen A-formulieren en men wist niet waar deze geldig gemaakt moesten worden. Exporteur en importeur werden van het kastje naar de muur verwezen.

4.2. Ik heb destijds geen beschrijving kunnen vinden van een formulier A zoals afkomstig uit Rusland. Ik ben op 1 januari 1993 zelfstandig geworden en beschikt in die tijd niet over alle benodigde boekwerken. Rusland was toen juist uiteengevallen in afzonderlijke staten. Omdat ik in die dagen geen actuele informatie in mijn boekwerken kon vinden over de nieuw ontstane Russische staten ben ik naar de douane G gegaan. Om zeker te zijn van een juist en geldig formulier, heb ik het formulier laten goedkeuren door de douane in Gennep. Ook de douane G was gebrekking voorgelicht; men moest informatie voor de controle van het certificaat van elders middels faxen laten komen. Nadat de bescheiden in orde waren bevonden, is enige dagen later de verificatie voor deze import beëindigd De douanepost had geen twijfels over de juistheid van het formulier. Anders hadden zij het ongetwijfeld ingestuurd voor een controle achteraf en mij dat meegedeeld. Ik heb destijds de genoemde aangifte gedaan met alle mij ter beschikking staande informatie. Ik beroep mij dan ook op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.

4.3. Desgevraagd kan belanghebbende geen verklaring geven voor het feit dat hij de beschikking heeft over het onder 2.4. genoemde bescheid. Bij zijn weten is dit bescheid ten tijde van de invoer overgelegd. Belanghebbende heeft zich niet gerealiseerd dat in deze procedure sprake is van twee verschillende certificaten.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Uit het onderzoek in 1996 kwam naar voren dat het onderhavige certificaat niet door de bevoegde instantie was afgegeven, te weten the Ministry for Foreign Economic Relations of the Russian Federation. Bovendien betreft het geen origineel certificaat, maar een kopie. Het heeft bovendien geen nummer. Op grond van artikel 77 van de Uitvoeringsverordening CDW (UCDW) moet de oorsprong worden aangetoond door middel van een geldig certificaat van oorsprong. Dit certificaat kan niet als geldig worden aangemerkt. Nu de oorsprong van de goederen niet op de juiste wijze is aangetoond, is bij de beëindiging van de verificatie ten onrechte een preferentieel tarief toegepast. Artikel 220, lid 1, CDW legt mij de verplichting op om te heffen.

5.2. Artikel 220, lid 2, onderdeel b, CDW is niet van toepassing. Belanghebbende is een beroepsaangever. Van hem mag worden verwacht dat hij de kennis heeft van de eisen waaraan een geldig certificaat van oorsprong moet voldoen. Ten tijde van de onderhavige invoer was onder andere in bijlage III van onderdeel 65.C (herkomst en oorsprong) van het Handboek voor In- en Uitvoer deel A, een lijst gepubliceerd van overheidsinstanties die bevoegd zijn om formulieren A te viseren. Een kopie van de desbetreffende pagina's heb ik bijgevoegd. Ook de douane had aan de hand van de interne regelgeving kunnen vaststellen, dat het bescheid niet kon dienen, dit heft echter de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende als beroepsaangever niet op.

5.3. Waaruit het goedkeuren van de douane in G bestond, is mij niet duidelijk. Uit mijn dossier blijkt niet dat er een controle van het certificaat is geweest. Als gevolg van het ontbreken van een wettelijk kader kan aan hetgeen de douane mogelijk heeft verklaard geen rechten worden ontleend. Een controle achteraf van certificaten van oorsprong is altijd mogelijk, zoals belanghebbende ook hoort te weten.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Gelet op de omstandigheid dat het onderhavige certificaat van oorsprong, formulier A, niet is afgegeven door de daartoe bevoegde instantie, te weten het Ministry of Foreign Economic Relations, kan dit niet als geldig worden aanvaard. Voor de onderhavige goederen is de oorsprong Rusland in het kader van het APS niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen aangetoond, zodat het preferentiële tarief van 0% ten onrechte is toegepast.

6.2. De voorwaarden voor het afzien van navordering van douanerechten, die een exclusief Europeesrechtelijke grondslag hebben, zijn neergelegd in artikel 220, lid 2, van het CDW. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang:

"Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking overgegaan wanneer:

a. (...)

b. het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

c. (..)"

De Tariefcommissie zal het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel als een beroep op artikel 220, lid 2, onderdeel b, verstaan.

6.3. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de Tariefcommissie zijn - door de inspecteur betwiste - stelling, dat hij met de douaneambtenaar die het certificaat in ontvangst heeft genomen, uitdrukkelijk overleg heeft gepleegd over de aanvaarding van dit bescheid als geldig certificaat van oorsprong, niet aannemelijk gemaakt. Ook anderszins is van een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten in het onderhavige geval niet gebleken. Van belanghebbende als beroepsaangever mag voorts redelijkerwijs worden verwacht dat hij op de hoogte is van de omstandigheid dat voor de toepassing van een preferentieel tarief uitsluitend originele, genummerde certificaten van oorsprong als bewijs kunnen dienen. Onder deze omstandigheden is de Tariefcommissie van oordeel dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 220, lid 2, onderdeel b, CDW.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 6 november 2001 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. A. Bijlsma, lid, en mr. E.N. Punt, plaatsvervangend lid in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 6 november 2001.