Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AK3673

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
12-09-2003
Zaaknummer
0024/96
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof van Justitie heeft bij zijn arrest van 26 november 1998, zaak nr. C-370/96, Jur. 1998, I-7711, voor recht verklaard: "Wanneer de douaneautoriteiten bij het navorderen van de compenserende heffing de termijnen gesteld in de artikelen 3 en 5 van de verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of uitvoer, overschrijden, doet dit het recht van die autoriteiten om tot navordering over te gaan, niet vervallen, mits de navordering geschiedt binnen de in artikel 2, lid 1, van verordening 1679/79 gestelde termijn.". Ook de overschrijding van de in artikel 220, lid 1, CDW genoemde termijn van twee dagen staat daarom niet in de weg aan de onderhavige navordering. De Tariefcommissie heeft geen reden eraan te twijfelen dat het verloop van de productie en het vervoer van de goederen, waarop de onderhavige aangiften betrekking hebben, op vergelijkbare wijze hebben plaatsgevonden als weergegeven in het genoemde rapport. Nu bovendien de bevoegde douaneautoriteiten hebben verklaard dat de onderhavige certificaten niet geldig waren en werden ingetrokken, acht de Tariefcommissie het aannemelijk dat in casu de goederen niet in Bangladesh zijn geproduceerd en dat de certificaten door de Bengalese autoriteiten zijn afgegeven op basis van door de exporteur aangedragen valse gegevens. Naar het oordeel van de Tariefcommissie heeft de inspecteur de onderhavige certificaten terecht als ongeldig aangemerkt. De litigieuze uitnodiging tot betaling is binnen de termijn van artikel 221, lid 3, CDW gedaan; het stond de inspecteur vrij de uitnodiging nader te motiveren met na het verstrijken van die termijn tot zijn beschikking gekomen onderzoeksrapporten. In artikel 201, lid 3, CDW is geen dwingende rangorde van de mogelijke schuldenaren van een douaneschuld aangegeven. De inspecteur heeft niet in strijd met enig rechtsbeginsel gehandeld door belanghebbende - als aangever - conform het bepaalde in de eerste volzin van laatstgenoemd artikel van het CDW als schuldenaar van de onderhavige douanerechten aan te merken. De Tariefcommissie is niet bevoegd de rechtvaardigheid of de billijkheid van de Europeesrechtelijke regeling van de aansprakelijkheid van de douaneschuld te beoordelen; die regeling kan niet - ook niet in de omstandigheden van het onderhavige geval - op billijkheidsgronden buiten toepassing worden gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0024/96 TC

de dato 19 juni 2001

1. De procedure

1.1. Op 7 februari 1996 is een beroepschrift ingekomen van mr. X te Y, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid F B.V. te Y, belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur der invoerrechten en accijnzen te Y van 28 december 1995, nummer ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in uitnodiging tot betaling van 5 juli 1994,

nr. ..., vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 80.227,70, is afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 25 november 1997. Daar zijn verschenen namens belanghebbende mr. R en mr. M.. De inspecteur is niet verschenen.

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.4. Bij brief van 4 december 1997 heeft de Secretaris de inspecteur om nadere inlichtingen verzocht.

De inspecteur heeft daarop gereageerd bij brieven van 9 januari 1998 en 29 januari 1998. Belanghebbende heeft daarop op 10 februari 1998 schriftelijk gereageerd.

Partijen hebben schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan een tweede mondelinge behandeling van de zaak.

1.5. Bij brief van 23 augustus 2000 heeft de Secretaris aan partijen medegedeeld dat omdat de samenstelling van de Tariefcommissie is gewijzigd en er sinds de zittingsdatum op het gebied van "certificaten" jurisprudentie is verschenen, het geraden voorkomt om de zaak nogmaal mondeling te behandelen.

1.6. De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 12 december 2000. Belanghebbende heeft bij brief van 16 november 2000 medegedeeld geen prijs te stellen op een nadere mondelinge behandeling van de zaak, en is niet ter zitting verschenen. Namens de inspecteur is verschenen mr. B. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 6 januari 1992 heeft belanghebbende in opdracht van K B.V. te O bij de ambtenaren te Y onder de nrs. ..773,..774 en ...775 electronisch aangiften voor het vrije verkeer gedaan van respectievelijk 2158, 680 en 2405 cartons "beddelinnen van weefsel van katoen, categorie 20". Aangegeven werd telkens post 6302 21 00 van het Gemeenschappelijk douanetarief (GDT). Bij de aangiften zijn facturen van A

Bangladesh Ltd te Chittagong aan K B.V. overgelegd.

Door vermelding van de code 142 werd aanspraak gemaakt op de toepassing van de preferentie in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem. Het conventionele tarief bedroeg 13% van de douanewaarde, het preferentiële tarief 0%.

Bij het invoerdocument eindigend op nr. 773 is een formulier A nr. 307 overgelegd,

bij invoerdocument nr. 774 een formulier A, nr. 310 (deels gebruikt) en bij invoerdocument 775 zijn de certificaten formulier A, nr 310 (het restant), 312 en 313 overgelegd.

Van de goederen werden geen douanerechten geheven.

2.2. Een ongedateerd rapport van de FIOD/Douanerecherche te P, dossiernummer 93.191.22, opgemaakt door D. en Ka, luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"Algemene informatie

(...)

Informatie Centrale Douaneadministratie te Apeldoorn

Aan de hand van het, door de Belastingdienst, toegekende codenummer omzetbelasting nr. ... BO1 van K BV, heeft de Centrale Douaneadministratie een computeruitdraai gemaakt van alle invoeraangiften vanaf 01-01-1989 tot 21-09-1993. Als periode van onderzoek is gekozen de periode 01-01-1991 tot heden.

Uit deze computeruitdraaien is komen vast te staan dat K BV, in de door ons onderzochte jaren, voor ten minste f 18.000.000,-- aan beddelinnen en voor ten minste f 4.000.000,-- aan andere textielgoederen heeft ingevoerd. Aan de hand van de computeruitdraaien zijn de invoeraangiften van K BV uit de archieven van de Belastingdienst/Douane gelicht. Op deze invoeraangiften, welke betrekking hebben op de invoer van beddelinnen, staat als land van oorsprong Bangladesh vermeld. (...)

Ons onderzoek richt zich hoofdzakelijk op de invoer van beddelinnen met als oorsprong Bangladesh.

(...)

Onderzoek

(..)

Door ons is een onderzoek ingesteld naar de echtheid van de afgegeven certificaten van oorsprong formulier A uit Bangladesh.

In bijna alle gevallen is bij de invoer van beddelinnen door K BV een certificaat van oorsprong, formulier A, uit Bangladesh overgelegd. Deze certificaten zijn geautoriseerd door het "Export Promotion Bureau Bangladesh" en in de meeste gevallen ondertekend door Abdul M, Assistant Director van genoemd bureau in Chittagong, Bangladesh. In het Voorschrift herkomst en oorsprong is in paragraaf 203 opgenomen dat de ambtenaren de mogelijkheid hebben om certificaten van oorsprong, formulier A, op te sturen ter controle aan de afdeling oorsprongzaken van het Douanedistrict P. Ten behoeve van ons onderzoek zijn ook diverse certificaten van oorsprong, formulier A, die door K BV overgelegd zijn bij de aangifte ten invoer, ter controle ingezonden naar Bangladesh. In alle gevallen is door de autoriteiten van Bangladesh bekrachtigd dat de certificaten conform zijn afgegeven. Ook door de Economische Controle Dienst zijn, via de EEG-commissie, 10 certificaten formulieren A ter controle ingezonden naar Bangladesh. Ook deze certificaten zijn conform bevonden door de autoriteiten in Bangladesh.

Het beddelinnen welke door K BV wordt ingevoerd, wordt volgens de certificaten ingekocht bij A Bangladesh Ltd, Chittagong, Bangladesh.

Ondanks de bevestiging van de autoriteiten van Bangladesh dat de certificaten van oorsprong, formulier A, conform zijn afgegeven, vermoeden wij dat deze certificaten ten onrechte zijn afgegeven.

De reden van dit vermoeden is:

Vervoer

1. Het beddelinnen zou volgens het certificaat van oorsprong, formulier A, en de bijbehorende facturen van oorsprong uit Bangladesh zijn. Uit onderzoek is echter komen vast te staan dat de meeste zendingen beddelinnen in Karachi, Pakistan zijn geladen met bestemming Y.

Uit de ons beschikbaar gestelde B/L's blijkt dat het beddelinnen geladen is bij A Trading Company Ltd, bij A Textile Mills Ltd of bij H Textile Mills Ltd in Karachi, Pakistan.

Op de betreffende B/L's wordt de afkorting FCL/FCL vermeld. Deze afkorting houdt in dat de betreffende partij gestuft (geladen) wordt bij de afzender (A/H) en gestript (uitgeladen) wordt bij de ontbieder (K BV).

Uit geen van de B/L's die opgemaakt zijn in Karachi, Pakistan blijkt dat er zendingen beddelinnen rechtstreeks vanuit Chittagong, Bangladesh verzonden zijn naar Nederland.

Wel zijn er per schip enkele zendingen beddelinnen verzonden door A Bangladesh, vanuit Chittagong, Bangladesh. Deze B/L's vermelden in die gevallen dan ook het voorafgaande schip in de kolom Pre-carriage. Blijkens deze B/L's zijn deze schepen rechtstreeks vanuit Singapore naar Y gevaren en hebben de haven van Karachi, Pakistan niet aangedaan.

2. Uit de generale verklaring Benelux 20 is komen vast te staan dat de schepen van de rederij C de havenplaats Chittagong, Bangladesh als ook havenplaats Karachi, Pakistan hebben aangedaan. In de gevallen dat Chittagong is aangedaan is er geen beddelinnen geladen. Uit de Douane 11, de goederenopgave, blijkt dat in Chittagong meestal alleen jute wordt geladen.

3. Uit onderzoek m.b.t. de historie van enkele containers is komen vast te staan dat deze containers geladen zijn in Karachi, Pakistan. Uit de containerhistorie blijkt dat, in de periode die ligt voor het tijdstip van de inlading in Karachi, de bewuste containers niet in Chittagong, Bangladesh geweest zijn.

(...)

Certificaten van oorsprong formulier A uit Bangladesh

1. Uit een vergelijking tussen de data van vertrek uit Karachi, Pakistan, de inklaring van de schepen in Y en de data van afgifte van de certificaten van oorsprong formulier A uit Bangladesh, is komen vast te staan dat de datum van afgifte van het certificaat van oorsprong, formulier A, meestal na de datum van inklaring in Nederland ligt. Het komt ook voor dat op het moment van afgifte van het certificaat van oorsprong, formulier A, het beddelinnen al was ingeladen in Karachi, Pakistan en per schip al onderweg was naar Nederland. Ook komt het voor dat het beddelinnen reeds lag opgeslagen in een douaneloods in afwachting van de aangifte ten invoer bij de douane terwijl ook dan achteraf een certificaat van oorsprong formulier A. wordt afgegeven door de autoriteiten van Bangladesh.

2. Uit enkele invoeraangiften is gebleken dat K BV partijen beddelinnen samenvoegt. Deze partijen zijn in die gevallen elk op een andere datum en met een ander schip aangevoerd vanuit Karachi, Pakistan. Voordat de definitieve invoer in Nederland plaatsvindt, wordt door de autoriteiten in Bangladesh voor de gehele samengestelde partij beddelinnen één certificaat van oorsprong, formulier A, afgegeven. Deze datum van afgifte ligt in dit geval na de datum van inklaring van beide schepen. Het bewuste certificaat wordt vermoedelijk achteraf aangepast aan de invoeraangifte.

3. In één geval is voor een zending beddelinnen welke is ingevoerd in Nederland een certificaat van oorsprong formulier A afgegeven door zowel de autoriteiten uit Pakistan en door de autoriteiten van Bangladesh. Deze partij is aangevoerd vanuit Karachi, Pakistan, en was samen geladen met een partij boxershorts uit Pakistan.

4. In ten minste 11 gevallen is er sprake van het overleggen van dubbele originele certificaten van oorsprong, formulier A, bij de aangiften ten invoer bij de douane. Deze zijn door de autoriteiten van Bangladesh voorzien van het vereiste stempel en van de handtekening van de bevoegde persoon aldaar. Deze dubbele certificaten van oorsprong, formulier A, hebben hetzelfde nummer en hebben betrekking op dezelfde partij beddelinnen. Ze zijn onafhankelijk van elkaar gebruikt bij de invoer van een partij beddelinnen. Bij een origineel certificaat van oorsprong formulier A mag alleen het eerste blad voorzien zijn van een groenkleurig geguillocheerde onderdruk. In deze gevallen betreft het certificaten van oorsprong formulier A. die beiden een groenkleurige geguillocheerde onderdruk hebben. Het enige verschil is dat één exemplaar de doordruk is van het andere exemplaar met het zelfde nummer.

Gelet op de voorschriften inzake het afgeven van certificaten van oorsprong, formulier A, is het niet mogelijk twee identieke certificaten van oorsprong formulier A af te geven, die beide een groenkleurige geguillocheerde onderdruk hebben.

Voorbeeld invoerdocument F BV

Hierna wordt aan de hand van één voorbeeld verduidelijkt op welke wijze de vermoedelijke verandering van oorsprong plaatsvindt. Dit voorbeeld heeft betrekking op één aangifte ten invoer van Flair Maritiem BV, d.d. 06-01-1992, nummer ..774. Deze invoeraangifte heeft betrekking op een container geladen met 680 kartons beddelinnen.

Vervoer/bescheiden vanuit Karachi, Pakistan.

Op 8 december 1991 wordt het Motorschip L geladen te Karachi. Voor de 680 kartons beddenlinnen wordt een B/L opgemaakt met het nummer 036. Deze kartons zijn geladen in een container met het nummer .. en is vertrokken naar Y.

De genoemde container is in Y gelost. Na opdracht van K BV zijn de 680 kartons beddenlinnen op 6 januari 1992 ten invoer aangegeven op het invoerdocument met het nummer .774.

Bescheiden vanuit Chittagong Bangladesh

Op 5 december 1991 werd door A Bangladesh Ltd te Chittagong één factuur opgemaakt voor een totaal van 1000 kartons beddelinnen met het factuurnummer ABL/KT/118/91.

Op 26 december 1991 is op verzoek van A Bangladesh Ltd door het Export Promotion Bureau te Chittagong één certificaat van oorsprong formulier A nummer GSP310 afgegeven voor 1000 kartons beddelinnen. Bij de aangifte ten invoer bij de douane werd deze factuur van A Bangladesh Ltd te Chittagong en het certificaat van oorsprong formulier A overgelegd.

Bijzonderheden m.b.t. dit voorbeeld

De 680 kartons beddelinnen worden in Karachi, Pakistan verpakt, geladen en rechtstreeks per container naar Y vervoerd.

Dit vindt plaats tussen 8 december 1991 en 6 januari 1992. Net voor het transport naar Y wordt de factuur opgemaakt. De factuur van A Bangladesh vermeldt niet de naam van het schip. Tijdens het transport van de container naar Y wordt in Bangladesh het certificaat van oorsprong formulier A opgemaakt, welke vermeldt dat het transport vanuit Chittagong naar Y via de zee plaatsvindt.

Onderzoek Pakistan

(..)

Uit het onderzoek met betrekking tot het hiervoor genoemde voorbeeld is, aan de hand van de Shipping Bill komen vast te staan dat op 8 december 1991 het Ms L is vertrokken vanuit de haven van Karachi met aan boord een container met het nummer ... In deze container werden geladen 680 cartons beddelinnen. Aan de Shipping Bill zat een factuur gehecht van de firma A Trading Co. Ltd te Karachi Pakistan.

De factuur vermeldt als nummer ATCL/KT/234/91 en geeft als aantal kartons 1000 aan. Dit aantal komt overeen met het aanvankelijke aantal kartons op de achterzijde van de Shipping Bill. Uit de Shipping Bill blijkt echter dat er twee kartons zijn geladen met in totaal 1000 kartons. Deze zijn daadwerkelijk geladen.

De omschrijving van de goederen is wel dezelfde als op de factuur.

De gegevens van de Shipping Bill komen eveneens overeen met de gegevens op de B/L genoemd in bijlage 01.

De gegevens op de factuur, welke aangehecht was aan de Shipping Bill, wijken echter op een aantal punten af van de gegevens op de facturen welke bij de aangifte ten invoer in Nederland werd overgelegd bij de douane. Bijlage 04.

De factuur welke in Chittagong, Bangladesh, is opgemaakt, heeft, behoudens het aantal en de goederenomschrijving, geen overeenkomsten met de factuur uit Karachi.

Uit deze vergelijking kan worden opgemaakt dat bij de aangifte ten invoer in Nederland vermoedelijk een valse factuur is overgelegd.

Uit het onderzoek op het douanekantoor te Karachi is komen vast te staan dat de goederen zijn ingeladen in de container te Karachi en rechtstreeks per schip, Ms Lanka Aruna, zijn vervoerd naar Y. In Y worden andere facturen overgelegd dan de factuur welke tijdens de inlading te Karachi bij de goederen werd overgelegd aan de douane.

Door de douaneautoriteiten te Karachi zijn de kopieën van de Shipping Bill en de factuur, welk ons werden overhandigd, gewaarmerkt en getekend als zijnde gelijk aan het origineel.

Onderzoek in de inbeslaggenomen administratie van K BV.

In de administratie van K BV werden, voor de hiervoorstaande partij van 680 kartons beddelinnen, de navolgende bescheiden aangetroffen:

- een originele factuur van A Trading Co. Ltd te Karachi, Pakistan, nummer ATCL/KT/234/91 (deze komt overeen met de uitvoer invoice behorende bij de shipping bill) en

- een bill of lading van het motorschip Lanka Aruna met de genoemde container.

(...)

Nadeel aangiften ten invoer van F BV in 1992

Door de aangever F BV zijn in het jaar 1992 in totaal 3 aangiften ten invoer ingediend ten behoeve van K BV te O met een totale waarde van f 617.135,--. Op deze aangiften ten invoer wordt Bangladesh vermeld als land van verzending/uitvoer (oorsprong). Uit onderzoek is komen vast te staan dat al deze zendingen niet van oorsprong zijn uit Bangladesh maar van oorsprong zijn uit Pakistan."

2.3. De inspecteur heeft op 5 juli 1994 de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling gedaan. De uitnodiging beloopt aan douanerechten met betrekking tot de sub 2.1. vermelde aangiften respectievelijk f 32.363,30, f 9.019,20 en f 38.845,20, derhalve in totaal f 80.227,70.

2.4. Een door Ka opgemaakt rapport van de FIOD/Douanerecherche te P van 10 januari 1995, dossiernummer 93.191.22, luidt voorzover hier van belang:

"Onderzoek EG-missie te Bangladesh

Op 1 december 1994 is een EG-missie vertrokken naar Bangladesh om onderzoek te doen naar de oorsprong van het in ons onderzoek betrokken beddenlinnen. Ondergetekende heeft deel uitgemaakt van deze missie. Deze missie heeft tot 15 december 1994 geduurd. Ten behoeve van ons onderzoek is in Bangladesh het Export Promotion Bureau (EBP) in Dacca en Chittagong bezocht. Tevens is in het belang van het onderzoek een bezoek gebracht aan de douane-autoriteiten in Chittagong.

(...)

Resumé onderzoek Export Promotion Bureau te Dacca

De certificaten van oorsprong formulier A, genoemd in de lijst van bijlage 1, welke zijn overgelegd bij de invoer door de diverse douane-expediteurs in opdracht van K BV bij de douane zijn niet de originele certificaten van oorsprong formulier A en dienen derhalve als niet afgegeven te worden beschouwd.

Onderzoek Export Promotion Bureau te Chittagong

Uit onderzoek in de administratie van het EPB te Chittagong is het volgende naar voren gekomen.

De certificaten van oorsprong formulier A welke zijn afgegeven door het EBP te Chittagong komen voor in de administratie van het EPB.

A Bangladesh Ltd heeft deze certificaten van oorsprong formulier A verkregen door gebruik te maken van vervalste Bill's of Lading. Dit is komen vast te staan uit een onderzoek in de administratie van de douane-autoriteiten te Chittagong en uit de administratie van het inmiddels failliete bedrijf A Bangladesh Ltd.

(...)

Resumé onderzoek EPB te Chittagong

De certificaten van oorsprong formulier A, genoemd in de lijst van bijlage 3, en welke zijn overgelegd bij de invoer door de diverse douane-expediteurs in opdracht van K BV bij de douane zijn door middel van valse bescheiden aangevraagd en afgegeven door het EPB te Chittagong.

Deze certificaten van oorsprong formulier A dienen derhalve als niet afgegeven te worden beschouwd."

Als bijlage 4 is een brief van Export Promotion Bureau te Dhaka van 15 december 1994 gevoegd, welke brief luidt als volgt:

"Following the request of a delegation of the European Union visiting the Export Promotion Bureau (EPB) in Chittagong between the 10 and 13 December 1994,

verification of approximately 200 certificates of origin form A issued by the EPB in Chittagong during the period from 1990 to 1993 for declared exports of bedlinen by M/s. A BD Ltd. located at the Export Processing Zone, Chittagong has been carried out.

In the course of this verification undertaken jointly by the Export Promotion Bureau (EPB) Chittagong and the European delegation it has been found that GSP certificates form A in question were issued to M/s A (BD) Ltd by EPB, Chittagong on the basis of required papers/documents like Invoice, B/L, in some cases EPZ permission and undertaking furnished by A (BD) Ltd.

However, joint verification reveals that the GSP certificates form A listed in the Annexes to the statements (2 statements) dated 13 December 1994 of the Customs authorities in Chittagong have, in fact, been issued on the basis of false or incorrect declarations and documents submitted by A (BD) Ltd to the EPB in Chittagong.

Under the circumstances the GSP certificates form A mentioned above are not valid and, therefore, hereby withdrawn."

Bij deze brief is een lijst gevoegd met als koptekst:

"Certificates of origin (GSP) EPB Chittagong, exporter A Bangladesh LTD, sent from Pakistan, Bed linen consigned to K BV, Netherlands from 01-11-1990 until 01-01-1994".

Op deze lijst staan verder vermeld de data van uitgifte van de certificaten, de nummers daarvan en de nummers van de bijbehorende facturen.

Ook de onderhavige certificaten, uitgegeven op 26 december 1991, GSP nrs 307 en factuurnummer ABL/KT/115/91, GSP nummer 310 en factuurnummer ABL/KT/118/91, nr GSP312 en factuurnummer ABL/KT/120/91 en nr. GSP313 met factuurnummer ABL/KT/121/91 komen op die lijst voor.

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

3.1. Staat aan de onderhavige navordering in de weg dat de termijn voor boeking van artikel 220, lid 1, CDW is overschreden?

3.2. Zijn de certificaten terecht en tijdig als ongeldig aangemerkt?

3.3. Is belanghebbende terecht als schuldenaar aangemerkt?

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De inspecteur heeft uitsluitend op basis van de gegevens van het FIOD-rapport van 22 juni 1994 het verschuldigde bedrag geboekt. Aan belanghebbende is mededeling gedaan van de boeking door middel van de uitnodiging tot betaling van 5 juli 1994. Op grond van artikel 220, lid 1, van het CDW had het bedrag binnen 2 dagen na 22 juni 1994 moeten worden geboekt. Nu de boeking te laat heeft plaatsgevonden, dient de inspecteur niet-ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard.

4.2. In het FIOD-rapport van 22 juni 1994 worden slechts vermoedens geuit, maar geen bewijzen aangedragen dat het beddenlinnen niet van oorsprong uit Bangladesh zou zijn. De FIOD geeft aan dat zij, ondanks de bevestiging van de autoriteiten van Bangladesh dat de certificaten conform waren afgegeven, bleef vermoeden dat de certificaten ten onrechte waren afgegeven. Er volgt dan in het rapport een relaas over de containerhistorie. Uit de containerhistorie kan echter geen conclusie omtrent de oorsprong van de goederen worden getrokken. Als de inspecteur al zou kunnen afwijken van een bevestiging op basis van de administratieve samenwerking met Bangladesh, dan zou dit toch slechts kunnen op basis van aantoonbare feiten. De vermoedens van de FIOD vormden echter een onvoldoende grondslag om de navordering te rechtvaardigen. Pas op grond van het sub 2.4. vermelde proces-verbaal van de FIOD en de ongeldigverklaring van de certificaten door de douane-autoriteiten van Bangladesh kon de verschuldigdheid van de douanerechten worden vastgesteld. Toen was echter de navorderingstermijn van drie jaren al verstreken.

4.3. De opdrachtgever van belanghebbende N B.V., die in directe relatie met K BV heeft gestaan, noch de directeur van die laatste B.V. zijn door de inspecteur voor de onderhavige douanerechten aansprakelijk gesteld, terwijl zij verantwoordelijk en mede-aansprakelijk waren en bovendien verhaal op hen mogelijk was. Nu de directeur van K B.V. strafrechtelijk is veroordeeld, dient, gelet op het standpunt van de Europees Commissaris M. Monti van het Directoraat- Generaal XXI, belanghebbende van de navordering te worden gevrijwaard.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De vaststelling van de termijn voor boeking van een douaneschuld bij artikel 220, lid 1, van het CDW richt zich tot de douaneautoriteiten van de lidstaten en niet tot de schuldenaar. De sanctie, die wordt gesteld op het niet binnen de gestelde termijnen boeken van een douaneschuld, is dat er over dit bedrag rente moet worden afgedragen aan de Europese Gemeenschap. Hieruit blijkt dat deze bepalingen de relatie tussen de Europese Unie en de douaneautoriteiten van de lidstaten regelen. Belanghebbende kan zich derhalve niet op die bepaling beroepen. Artikel 221, lid 3, van het CDW biedt rechtsbescherming aan de schuldenaar doordat daarbij de termijn van drie jaren is vastgesteld, waarbinnen moet worden nagevorderd. De navordering is in casu binnen die termijn geschied.

5.2. Zowel uit het eerste rapport van de FIOD, de ongeldigverklaring door het EPB, en de verklaring van de douane in het FIOD-rapport van 10 januari 1995, zowel ieder afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de certificaten betrekking hebben op goederen uit Pakistan, zodat de goederen niet aan de gestelde voorwaarden voor de preferentiële oorsprong uit Bangladesh hebben voldaan. Nu door de Bengaalse autoriteiten wordt verklaard dat de desbetreffende certificaten formulier A op basis van valse en onjuiste verklaringen zijn afgegeven, is de inspecteur gerechtigd om overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 17 juli 1997, nr. C-97/95 (UTC 1998/12*) op grond van deze mededeling de procedure tot navordering van niet geheven rechten in te leiden.

De uitnodiging tot betaling van 5 juli 1994 was deugdelijk gemotiveerd; de motivering mocht in een later stadium worden aangevuld.

5.3. De uitnodiging tot betaling is binnen de daarvoor gestelde termijn gedaan. De omstandigheid dat het bedrag van de navordering niet meer op de opdrachtgever kan worden verhaald, komt voor risico van belanghebbende. Ook kan deze regeling niet op billijkheidsgronden buiten toepassing worden gelaten.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Het Hof van Justitie heeft bij zijn arrest van 26 november 1998, zaak nr. C-370/96, Jur. 1998, I-7711, voor recht verklaard:

"Wanneer de douaneautoriteiten bij het navorderen van de compenserende heffing de termijnen gesteld in de artikelen 3 en 5 van de verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of uitvoer, overschrijden, doet dit het recht van die autoriteiten om tot navordering over te gaan, niet vervallen, mits de navordering geschiedt binnen de in artikel 2, lid 1, van verordening 1679/79 gestelde termijn.". Ook de overschrijding van de in artikel 220, lid 1, CDW genoemde termijn van twee dagen staat daarom niet in de weg aan de onderhavige navordering.

6.2. De Tariefcommissie heeft geen reden eraan te twijfelen dat het verloop van de productie en het vervoer van de goederen, waarop de onderhavige aangiften nrs. ..773 en ..775 betrekking hebben, op vergelijkbare wijze - als weergegeven in het sub 2.2.genoemde rapport - hebben plaatsgevonden als die van de 680 kartons beddenlinnen waarop aangifte nr. 774 betrekking heeft. Nu bovendien de bevoegde douaneautoriteiten bij de sub 2.4. vermelde brief en de daarbij behorende lijst hebben verklaard dat de onderhavige certificaten niet geldig waren en werden ingetrokken, acht de Tariefcommissie het aannemelijk dat in casu de goederen niet in Bangladesh zijn geproduceerd en dat de certificaten door de Bengalese autoriteiten zijn afgegeven op basis van door de exporteur aangedragen valse gegevens. Naar het oordeel van de Tariefcommissie heeft de inspecteur de onderhavige certificaten terecht als ongeldig aangemerkt. De litigieuze uitnodiging tot betaling is binnen de termijn van artikel 221, lid 3, CDW gedaan; het stond de inspecteur vrij de uitnodiging nader te motiveren met na het verstrijken van die termijn tot zijn beschikking gekomen onderzoeksrapporten.

6.3. In artikel 201, lid 3, CDW is geen dwingende rangorde van de mogelijke schuldenaren van een douaneschuld aangegeven.

De inspecteur heeft niet in strijd met enig rechtsbeginsel gehandeld door belanghebbende - als aangever - conform het bepaalde in de eerste volzin van laatstgenoemd artikel van het CDW als schuldenaar van de onderhavige douanerechten aan te merken.

De Tariefcommissie is niet bevoegd de rechtvaardigheid of de billijkheid van de Europeesrechtelijke regeling van de aansprakelijkheid van de douaneschuld te beoordelen; die regeling kan niet - ook niet in de omstandigheden van het onderhavige geval - op billijkheidsgronden buiten toepassing worden gelaten.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 19 juni 2001 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. Th.J.G. van Berkum en mr. C.W.M. van Ballegooijen, plaatsvervangende leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 19 juni 2001.