Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AI1575

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
28-08-2003
Zaaknummer
0023/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aangever van de regeling extern communautair douanevervoer is verplicht de goederen samen met de vereiste documenten bij de douane op het kantoor van bestemming aan te brengen. De Tariefcommissie concludeert dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken en dat belanghebbende als aangever niet aan de eerder genoemde wettelijke verplichting heeft voldaan. Er is derhalve voor de goederen ingevolge artikel 203 van het CDW een douaneschuld ontstaan, waarvoor belanghebbende op grond van artikel 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, van het CDW terecht als schuldenaar is aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

In de zaak nr. 0023/97 TC

de dato 20 november 2001

1. De procedure

1.1. Op 16 januari 1997 is een beroepschrift binnengekomen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A te B, belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict X (hierna: de inspecteur) van 10 januari 1997, nr. xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 27 augustus 1996, nr. yyy vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 6.769,30, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 8 augustus 2000.

Daar zijn verschenen namens belanghebbende C en namens de inspecteur D en E. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 19 augustus 1995 heeft belanghebbende bij de douane in Venlo aangifte gedaan om een zending verf met toepassing van de douaneregeling extern communautair douanevervoer te vervoeren. De aangifte T 1 is bij de douane geregistreerd onder nr. zzz en vermeldde als kantoor van bestemming F en als geadresseerde G te F.

2.2. Het douanekantoor X heeft het terugzendingsexemplaar van het document

T 1 niet terugontvangen en op 4 maart 1996 een verzoek tot nasporing verzonden aan het op het document vermelde kantoor van bestemming.

Op 9 mei 1996 ontvangt de douane in X bericht dat noch de zending noch het daarop betrekking hebbend document werden aangeboden bij de douane op het kantoor van bestemming.

Op 22 mei 1996 stuurde de inspecteur een kennisgeving als bedoeld in artikel 379 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna UCDW). Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.. Op 27 augustus 1996 werd de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling verzonden.

Belanghebbende heeft op 9 september 1996 een bezwaarschrift ingediend.

3. Het geschil

In geschil is de vraag of belanghebbende terecht als douaneschuldenaar is aangesproken voor de omstandigheid, dat de goederen vermeld op het document T 1 niet zijn aangebracht bij een kantoor van bestemming.

4. Het standpunt van belanghebbende

De goederen zijn niet aangebracht aan het kantoor van bestemming. Op 2 oktober 1996 heeft douane-expediteur H te I echter een brief gezonden aan de douane te Z met bijgevoegd de exemplaren 4,5, en 7 van het onderhavige document T 1. Tegelijkertijd heeft de douane-expediteur een ingevuld formulier enig document meegezonden en de douane verzocht om deze aangifte voor het vrije verkeer te aanvaarden, opdat het document T 1 alsnog wordt gezuiverd en de verschuldigde douanerechten voldaan op aangifte.

De aangifte is doorgezonden naar de douane te Y omdat de goederen zijn afgeleverd bij een afnemer die is gevestigd binnen dat district. Het is in Y ontvangen, maar niet in behandeling genomen, omdat het daar is zoek geraakt. Er is derhalve alles in het werk gesteld om de goederen alsnog aan te geven.

5. Het standpunt van de inspecteur

Naar aanleiding van het gestelde in het bezwaarschrift is contact opgenomen met de inspecteur in Y. Laatstgenoemde heeft mij laten weten niet op de hoogte te zijn van de ontvangst van een aangifte.

Aangezien het verzoek om de aangifte T 1 achteraf aan te zuiveren pas op 2 oktober 1996 is gedaan, anderhalf jaar na het geldig maken van de aangifte, is het niet waarschijnlijk dat het verzoek is gehonoreerd; voorwaarde is dat een dergelijk verzoek binnen 4 weken na het verstrijken van de geldigheidsduur van het T 1 wordt ingediend en dat de goederen alsnog worden aangeboden.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Ingevolge artikel 92, lid 1, juncto artikel 96, lid 1, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) is de aangever van de regeling extern communautair douanevervoer verplicht de goederen samen met de vereiste documenten bij de douane op het kantoor van bestemming aan te brengen. Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval de goederen en het document T1 niet zijn aangebracht op een kantoor van bestemming. Op grond van het vorenstaande concludeert de Tariefcommissie dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken en dat belanghebbende als aangever niet aan de eerder genoemde wettelijke verplichting heeft voldaan. Er is derhalve voor de goederen ingevolge artikel 203 van het CDW een douaneschuld ontstaan, waarvoor belanghebbende op grond van artikel 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, van het CDW terecht als schuldenaar is aangewezen.

6.2. Belanghebbende heeft achteraf geprobeerd alsnog voor de goederen een aangifte te doen voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen, maar deze aangifte is niet door de douane aanvaard en in behandeling genomen. De wettelijke bepalingen bieden geen steun voor de stelling van belanghebbende dat op grond van deze omstandigheid de douaneschuld tenietgaat.

6.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat de uitnodiging tot betaling terecht aan belanghebbende is gedaan.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 20 november 2001 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst, gewoon lid, en mr. Th.J.G. van Berkum, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. L.G. Jobse als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 20 december 2001.