Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AE9590

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
1032/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien een in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot het verzoek niet mee ondertekend, is dit niet-ontvankelijk, ook al zou het gaan om een schijnhuwelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Tweede Meervoudige Burgerlijke Kamer

X.,

Wonende te P.,

Appellante

Procureur: mr. G. Palanciogullari.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant -X.- is bij op 23 november 2001 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 november 2001 met rekestnummer 229085/FT-RK 01.1287, waarbij het verzoek van X. tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2. Bij de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting van 11 december 2001 is X. verschenen, bijgestaan door zijn procureur. Verder is verschenen mevrouw Y., met wie hij inmiddels in Israël zou zijn gehuwd.

2.De gronden van de beslissing

2.1. In de eerste plaats dient de vraag te worden beantwoord of X. in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

2.2. Artikel 284 derde lid van de Faillissementswet bepaalt dat een gehuwd schuldenaar het verzoek de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken slechts kan doen met medewerking van zijn echtgenoot, tenzij iedere gemeenschap van goederen tussen de echtgenoten is uitgesloten.

Hiertoe dient de schuldenaar op grond van artikel 285 eerste lid aanhef en onder d van de Faillissementswet een gespecificeerde opgave te doen van de inkomsten, die de echtgenoot pleegt te verwerven of kan verwerven, alsmede van de vaste lasten van de echtgenoot (artikel 285 eerste lid aanhef en onder b en c van de Faillissementswet).

2.3.Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het verzoek van X. tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet is geschied met medewerking van zijn echtgenote Y, met wie hij - naar hij zelf heeft toegegeven - in gemeenschap van goederen is gehuwd, en dat tevens geen opgave is gedaan van de gegevens bedoeld in artikel 285 eerste lid aanhef en onder b en c van de Faillissementswet. Hierbij wordt opgemerkt dat kennelijk een echtscheidingsprocedure wordt voorbereid of gevoerd, maar dat dat huwelijk nog niet ontbonden is.

Dat het hier om een "schijnhuwelijk" zou gaan doet aan het hiervoor overwogene niet af omdat niet is gebleken dat dit huwelijk nietig is verklaard (art. 1:71a BW), zodat het hier gaat om een nog bestaand en geldig huwelijk.

2.4. Naar het oordeel van het hof voldoet het door X. ingediende inleidend verzoekschrift tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling dus niet aan de eisen van de wet.

2.5. Naar het oordeel van het hof had X. dan ook niet ontvangen mogen worden in zijn verzoek tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.6. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

3. De beslissing

Het hof:

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

verklaart X. alsnog niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heuveling van Beek, Willems-Morsink en Joosten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 14 december 2001 in tegenwoordidheid van de griffier.