Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AE9582

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
09-08-2006
Zaaknummer
727/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging op grond van feiten die bij toelating wel bekend waren, maar niet volledig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2003, 32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Tweede Meervoudige Burgerlijke Kamer

X.,

Wonende te P.,

Appellante

Procureur: mr. M.B. Ruisbroek Jetten,

tegen

Y.,

Wonende te P.,

Geïntimeerde.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant X. is bij op 14 augustus 2001 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 7 augustus 2001 met insolventienummer 99/353 R, waarbij het verzoek om de toepsassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van geïntimeerde Y. (tussentijdse) te beëindigen, is afgewezen.

1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 7 september 2001. De behandeling is toen aangehouden, onder meer ter verkrijging van nadere inlichtingen en het oproepen van de twee hierna genoemde schuldeisers. Bij de voortzetting van de behandeling van het hoger beroep ter terechtzitting van 9 november 2001 zijn verschenen: X., bijgestaan door haar raadsvrouwe mr. M.S. van den Berg, advocaat te Nijmegen, Y., bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.J.M.I. van Laake, advocaat te Mill, en verder namens schuldeiser de Rabobank te Cuijk mr. R.G.J. Geurts, advocaat te Nijmegen, en schuldeiser mr. H.C.A. van de Ven.

2. De gronden van de beslissing

2.1. De rechtbank heeft het verzoek van X. tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van Y. afgewezen. Als grond voor de beëindiging heeft X. gesteld dat Y. ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest, alsmede dat Y. bij de schuldsaneringsaanvraag onvoldoende dan wel onjuiste informatie heeft verstrekt. X. heeft hierbij met name het oog op een schuld daterend van vóór de schuldsaneringsregeling, ontstaan doordat Y. op 17 februari 1997 contante gelden ten bedrage van f.370.129,78 opgenomen heeft van een maritaal beslagen rekening bij de Rabobank. Hoewel daartoe veroordeeld bij vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch d.d. 4 juni 1997, heeft Y. het voornoemd bedrag niet gerestitueerd en daarmee een dwangsom van in totaal f.250.000,- verbeurd, welke dwangsom evenmin door Y. aan X. is betaald.

De rechtbank heeft overwogen dat Y. blijkens de aantekeningen van de griffier aangaande de behandeling van het verzoek van Y. tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ter terechtzitting van 23 november 1999 er melding van heeft gemaakt dat hij een bedrag van f.370.000,- vergokt heeft, alsmede dat hij een bedrag van f.256.427,41 aan verbeurde dwangsommen en alimentatie verschuldigd is aan zijn ex-echtgenote. Laatst genoemd bedrag is eveneens opgenomen in de door de CMD Bureau Schuldhulpverlening te Veenendaal opgemaakte lijst van schulden en baten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Y. derhalve destijds op dit punt aan zijn inlichtingenplicht voldaan. Nu de rechtbank in november 1999 bij de beoordeling van de aanvraag van de schuldsaneringsregeling geen aanleiding heeft gezien om de facultatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid 2 sub b Fw. toe te passen, zou het - naar het oordeel van de rechtbank in het vonnis waarvan beroep - onjuist zijn om op basis van gegevens die destijds bekend waren de schuldsaneringsregeling nu tussentijds te beëindigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er evenmin nieuwe feiten en omstandigheden vast komen te staan, die tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op Y. kunnen rechtvaardigen.

2.2. Uit het ingekomen ambtbericht van mr. W.W. de Nijs Bik, rechter in de rechtbank Utrecht, is gebleken dat Y. weliswaar bij de behandeling van het leidend verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling melding heeft gemaakt van het feit dat de rechtbank te 's-Hertogenbosch in zijn nadeel vonnis had gewezen en dat hij ook het hoger beroep heeft genoemd, maar dat de rechtbank toen niet beschikte over de tekst van het vonnis van de president van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 4 juni 1997, rolnummer 97/316, evenmin van het vonnis van de president van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 8 juli 1998, rolnummer 26630/KG ZA 98-414, noch het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 28 november 1997, rolnummer 97/1981 en van de beschikking van het hof 's-Hertogenbosch d.d. 29 oktober 1997, rekestnummer R9700075.

In het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 28 november 1997 is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen X. en Y. vastgesteld.

In voornoemd vonnis van de president van de rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 4 juni 1997 heeft de president onder 3.1.2 overwogen - kort gezegd - dat Y. zijn opstelling dat hij niet meer beschikt over het door hem op 17 februari 1997 in contacten opgenomen bedrag van f.370.129,78 op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Uit dit vonnis blijkt dat Y. zou hebben gesteld dat hij dit bedrag - al dan niet in delen - zou hebben vergokt.

Het hof 's-Hertogenbosch overweegt in bovengenoemde beschikking van 29 oktober 1997 onder punt A onder 2 - kort gezegd - dat Y. de door hem gestelde uitgaven - ten aanzien van het door hem opgenomen bedrag van f.370.129,78 - niet heeft aangetoond aan de hand van verificatoire bescheiden en het hof gaat er dan ook vanuit dat Y. nog over dat geldbedrag beschikt, ook in deze procedure heeft Y. kennelijk niet gesteld dat hij het opgenomen bedrag - al dan niet in delen - zou hebben vergokt.

Eerst in de procedure voor de president van de rechtbank 's-Hertogenbosch met rolnummer 26630/KG ZA 98-414 werpt Y. deze stelling op, ten aanzien waarvan de president in zijn vonnis van 8 juli 1998 onder 4.6 overweegt - kort gezegd - dat de bewering van Y. dat hij het bedrag in februari 1997 volledig heeft vergokt, bij gebreke van details en concrete gegevens onvoldoende aannemelijk voorkomt.

2.3. Gezien de omstandigheid dat bij de behandeling van het inleidend verzoek tot van toepassing verklaring van de schuldsaneringsregeling de hiervoor onder 2.2. vermelde uitspraken geen deel uit hebben gemaakt van het dossier en toen niet bij de beoordeling door de rechtbank zijn betrokken is naar het oordeel van het hof - mede gezien het daarin overwogene - sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die in het kader van het onderhavige verzoek tot (tussentijdse) beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog beoordeeld moeten worden

In dit verband is van belang dat de rechtbank bij de behandeling van het inleidend verzoek kennelijk ook niet op de hoogte is geweest van het standpunt van de schuldeisers X., Rabobank Cuijk en mr. Van de Ven omtrent de vraag of aannemelijk is dat Y. nog de eschikking had over het door hem bij de Rabobank opgenomen geldbedrag, zodat de rechtbank zich omtrent die vraag ook geen oordeel heeft kunnen vormen. Met name uit het kort-geding vonnis van 8 juli 1998 blijkt dat de president geen enkel geloof hecht aan de stelling van Y. dat hij het bedrag ad f.370.129,78 heeft vergokt; de president noemt dit onwaarachtig.

Ook in het kort geding vonnis van 4 juni 1997 en in de beschikking van het hof te 's-Hertogenbosch van 28 november 1997 wordt telkens ono,wonden tot uiting gebracht dat de desbetreffende rechters geen geloof hechten aan de stelling van Y. dat hij niet meer over die gelden beschikt.

Ter terechtzitting in hoger beroep in de onderhavige zaak heeft de schuldeiser mr. Van de Ven, die tot juni 1997 de advocaat van Y. was, met zoveel woorden verklaard dat hij het niet aannemelijk acht dat Y. het door hem opgenomen geldbedrag daadwerkelijk heeft vergokt.

Ook thans heeft Y. zijn stelling dat hij het door hem opgenomen bedrag heeft vergokt, op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt door middel van objectiveerbare gegevens zoals bijvoorbeeld de naam en het adres van het casino. Daarnaar gevraagd geeft hij slechts een zeer vage verklaring. Bovendien heeft hij niet aannemelijk kunnen maken dat hij, in tegenstelling tot hetgeen afgeleid kan worden uit de hiervoor genoemde uitspraken van 4 juni 1997 en 28 november 1997, reeds in die procedures zou hebben aangevoerd dat hij het bedrag zou hebben vergokt. Voorts geldt dat het ook op zichzelf al bijzonder aannemelijk is dat hij, nadat zijn toenmalige advocaat had gezegd dat hij het bedrag moest terugstorten, (vrijewel) het gehele bedrag op één avond heeft vergokt.

De bewindvoerder heeft verklaard dat Y. ook ten opzichte van hem bij zijn standpunt bleef voor wat betreft het door hem vergokte geld.

2.4. Gezien de onder 2.2. en 2.3. genoemde feiten en omstandigheden, moet het er naar het oordeel van het hof voor worden gehouden dat Y. nog steeds de beschikking heeft over het door hem op onrechtmatige wijze opgenomen bedrag van f.370.129,78. Dat betekent dat hij in staat moet worden geacht zijn betaling te hervatten en in elk geval dat hij zijn schuldeisers tracht te benadelen door dit bedrag buiten de schuldsaneringsregeling te houden en de bewindvoerder niet in staat te stellendit bedrag, dat onderdeel uitmaakt van de boedel, te beheren.

2.5. In het licht van het hiervoor overwogene komt het hof dan ook de slotsom dat Y. zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt en tracht zijn schuldeisers te benadelen.

Naar het oordeel van het hof kan niet anders worden geoordeeld dan dat de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 derde lid onder b, c en e Faillissementswet moet worden beëindingd.

Hetgeen Y. omtrent zijn persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

2.6. Dit alles leidt tot de volgende beslissing:

3. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van Y. voornoemd;

verstaat dat Y. voornoemd in staat van faillissement verkeert zodra dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan;

benoemt tot rechter-commissaris mr. T.J. Jansen Schoonhoven, rechter in de arrondissementsrechtbank te Utrecht;

stelt aan als curator mr. M.F.J. Martens, advocaat te Rosmalen (postbus 141, 5240AC Rosmalen);

geeft last aan de curator tot het openen van aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen;

verwijst de zaak ter verdere afhandeling, waaronder begrepen de bepaling van het salaris van de bewindvoerder naar de rechtbank Utrecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heuveling van Beek, Willems-Morsink en Streefkerk en uitgesproeken ter openbare terechtzitting van het hof van 20 november 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.