Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AE7037

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2001
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
23-000604-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging doodslag (gevangenisstraf tien jaren).

Het openbaar ministerie (OM) is ontvankelijk in de vervolging ondanks omstandigheid dat Turkse autoriteiten hebben aangeboden de strafvervolging over te nemen: gelet op de ernst van de schending van de Nederlandse rechtsorde door het -in Nederland gepleegde- feit, is het belang van het OM bij vervolging van de verdachte in Nederland evident.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000604-01

datum uitspraak 12 november 2001

verstek

Arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam

van 25 augustus 2000 in de strafzaak onder parketnummer 13/128087-99

tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] (Turkije) op [...] 1949,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 augustus 2000 en op de terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2001.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich niet geheel verenigen met het vonnis waarvan beroep. In het bijzonder acht het hof, anders dan de recht-bank, niet bewezen dat het ten laste gelegde is gepleegd met voorbedachten rade. Het vonnis zal derhalve niet in stand kunnen blijven.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep als ver-weer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, nu blijkt dat de Turkse autoriteiten hebben aangeboden de strafvervolging van de ver-dachte over te nemen. De Nederlandse overheid had op dit aan-bod positief dienen te reageren. Dit omdat de verdachte in Nederland wordt belemmerd in zijn mogelijkheden tot het voor-bereiden en bijwonen van deze terechtzitting, nu hij interna-tionaal staat gesignaleerd ter fine van uitlevering aan Neder-land, en hij op grond van uitspraak van de vreemdelingenkamer is uitgewezen uit Nederland.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft, naar moet worden aangenomen, de Turkse nationaliteit. Niet bekend is echter waar, of in welk land, hij thans verblijft. De verdachte is door Nederland inter-nationaal gesignaleerd en zijn uitlevering is verzocht. De Turkse autoriteiten hebben hierop gereageerd met de mededeling dat zij Turkse onderdanen (indien zij in Turkije zouden verblijven) niet uitleveren. In dat kader is tevens door de Turkse autoriteiten aangeboden de strafvervolging van de verdachte over te nemen.

Behalve de nationaliteit van de verdachte heeft het ten laste gelegde feit geen duidelijk aanknopingspunt met Turkije. Het feit is in Nederland gepleegd, het slachtoffer woonde in Nederland en had niet de Turkse, vermoedelijk de Nigeriaanse, nationaliteit. Voorts is de Nederlandse rechtsorde door het feit geschonden.

Ook gelet op de ernst van de schending van de Nederlandse rechtsorde door dit -in Nederland gepleegde- feit, is het belang van het openbaar ministerie bij vervolging van de verdachte in Nederland evident. Derhalve kan niet verwacht -en zeker niet gevergd- worden dat de Nederlandse overheid de zaak overdraagt aan de Turkse autoriteiten. Dat de strafvervolging van de verdachte in deze zaak niet overgedragen is of zal worden aan die autoriteiten leidt derhalve niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Eerdere uitwijzing van de verdachte uit Nederland doet daaraan niet af. Ook kan een afweging van het belang dat met strafvervol-ging in Nederland is gemoeid tegenover de door de verdachte aangevoerde belangen niet tot een ander oordeel leiden. Het hof verwerpt daarom het verweer.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

hij op 7 juli 1999 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] met vuurwapens dood te schieten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

1. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 1999170693 (door-genummerde bladzijden A en B), opgemaakt op 21 november 1999 door T.J.G. Limbeek, brigadier van regiopolitie Amsterdam/Am-stelland.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant voornoemd:

Op 7 juli 1999 omstreeks 01.30 uur werd op de vierde etage in de lifthal D van de flat [naam] te Amsterdam een negroïde man om het leven gebracht.

Uit onderzoek kwam vast te staan dat de overledene was genaamd [slachtoffer], geboren te Nigeria op [...] 1970 en gewoond hebbend [adres] te Amsterdam-Zuidoost.

2. Een rapport van technisch onderzoek, Xpol nummer 1999170693 (doorgenummerde bladzijden 141 tot en met 145), gedateerd 8 juli 1999 en opgemaakt door A.J.W. van Son en D.B.H. Priester, beiden technisch rechercheur van regiopolitie Amsterdam/Am-stelland, naar aanleiding van een moord, dan wel doodslag, gepleegd te Amsterdam op 7 juli 1999.

Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven en voor

zover hier van belang, als relaas van rapporteurs voornoemd:

Uit het ingestelde onderzoek, de aangetroffen feiten en omstandigheden en sporen kan de volgende samenvatting van bevindingen worden gemaakt.

- Er is tenminste driemaal geschoten.

- Hiervan tenminste eenmaal met een pistool van het kaliber 9 mm.

- De overige schoten zijn afgevuurd met een pistool van het kaliber 7.65 mm.

- Het slachtoffer is waarschijnlijk van zeer korte afstand neergeschoten.

- Er is één schot door het hoofd van het slachtoffer gegaan, terwijl het slachtoffer op dat moment zeer waarschijnlijk al op de grond lag.

13. Een deskundigenverslag, nummer 99-325/H088, van het Labo-ratorium voor Gerechtelijke Pathologie, gedateerd 28 juli 1999, opgemaakt door C.J.J. Hens, arts en patholoog, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed, inhoudende, voor zover van belang:

Op 7 juli 1999 heeft ondergetekende de in- en uitwendige schouwing verricht van het lijk van [slachtoffer] (het hof leest: [slachtoffer]).

Bij de sectie is het navolgende gebleken:

A1 Er was een inschotverwonding aan de buitenzijde van linker elleboog.

A2 Er was een inschotverwonding aan de buitenzijde van de onderlip links.

A3 Er was een inschotverwonding links in de wandstreek (het hof leest: wangstreek).

A4 Er was een streepvormige huidbeschadiging van de rechter bovenarm.

B Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen die voor de dood van betekenis zouden zijn geweest.

Uit de bevindingen A1 t/m A4 volgt dat [slachtoffer] minstens door drie en hoogstens door vier kogels werd getroffen.

Conclusie: Bij [slachtoffer] werden letsels ten gevolge van schotverwondingen vastgesteld. Het oplopen van de letsels heeft de dood tot gevolg gehad.

4. Een ambtsedig proces-verbaal nummer 1999170693-3 (door-genummerde bladzijden 214 tot en met 216), opgemaakt op 7 juli 1999 door P.J. van Wijk en J.W. van Ingen, respectievelijk brigadier en hoofdagent van regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als op 7 juli 1999 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van Mohammad [getuige]:

Ik heb gisteravond, 6 juli 1999, gewerkt tot 24.00 uur. Daarna ben ik naar huis gegaan. Ik ben naar de lift D van de flat [naam] gelopen. Toen de lift beneden kwam hoorde ik twee knallen die ik meteen herkende als schoten uit een vuurwapen. Ik ben toen de lifthal uitgegaan en ben een paar meter daarvandaan blijven wachten. Ik denk dat ik ongeveer één of anderhalve minuut heb staan wachten, toen ik ineens twee mannen de lifthal uit zag komen. De mannen waren niet met de lift naar beneden gekomen maar met de trap. De mannen renden niet en ze wandelden niet, het zat er een beetje tussenin. Ik zag dat één van die mannen -de oudste van de twee- een beetje struikelde.

Ik kan deze mannen als volgt omschrijven:

- eerste persoon: iets ouder dan 20, ik schat hem van Turkse of Italiaanse afkomst.

- tweede persoon: tussen de 40 en 50 jaar, misschien van Turkse of Joegoslavische afkomst.

Nadat de mannen weggegaan waren, ben ik de lift ingestapt en naar de zesde verdieping gegaan. Tijdens het voorbijgaan zag ik op de vloer van vierde verdieping een negroïde man liggen. Ik heb toen op mijn horloge gekeken en zag dat het 01.25 uur was.

5. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 1999170693 (door-genummerde bladzijde 217), opgemaakt op 8 juli 1999 door A.C. Teernstra, hoofdagent van regiopolitie Amsterdam/Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant voornoemd:

Op 8 juli 1999 ben ik met de getuige genaamd Mohammad [getuige] naar de portret-tekenaar geweest. Zij hebben aldaar twee compositie-tekeningen samengesteld. De tekening van de oudere man is bij dit proces-verbaal gevoegd.

6. Het hof heeft ter terechtzitting waargenomen dat de zich op bladzijde 218 in het dossier bevindende compositie-tekening een zodanige gelijkenis vertoont met de zich eveneens in het dossier bevindende foto van de verdachte dat op grond daarvan niet uitgesloten kan worden dat beide afbeeldingen dezelfde persoon betreffen.

7. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 1999170693 (doorgenum-merde bladzijden 204 en 205), opgemaakt op 14 juli 1999 door T.J.G. Limbeek, brigadier van regiopolitie Amsterdam/Amstel-land.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant voornoemd:

Op 7 juli 1999 werd het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer]. Bij onderzoek aan de kleding van [slachtoffer] bleek hij te beschikken over een mobiele telefoon met de aanslui-ting:

06-[nummer]

8. Een ambtsedig proces-verbaal met bijlagen, nummer 1999-170693-38 (doorgenummerde bladzijden 372 tot en met 377), opgemaakt op 1 december 1999 door R. Grannetia, agent van regiopolitie Amsterdam/Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant voornoemd:

Ik, verbalisant, heb een onderzoek ingesteld naar de kleine zwarte agenda, die is aangetroffen bij de fouillering van de verdachte [naam verdachte]. De resultaten van het onderzoek zijn op de bijgevoegde bijlage vermeld.

Een geschrift zijnde een bijlage bij het hiervoor genoemde proces-verbaal -en daarvan, naar het hof begrijpt, deel uitmakend-, onder meer inhoudende:

06-[nummer] EROL

9. Een ambtsedig proces-verbaal, nummer 1999-170693 (door-genummerde bladzijden 347 tot en met 349), opgemaakt op 23 februari 2000 door C. Rijkaart en J.C.P. Schultz, beiden hoofdagent van regiopolitie Amsterdam/Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisanten op 23 februari 2000 afgelegde verklaring van verdachte:

Jullie zeggen dat in mijn agenda onder meer telefoonnummer 06-[nummer] staat met de naam Erol. Ik ken een Erol. Dat is een schoolvriend van mijn zoon Deniz.

Jullie vragen of ik mijn telefoon wel eens uitleende... ik leende hem nooit uit.

10. Een ambtsedig proces-verbaal, doorgenummerde bladzijden 310 tot en met 314, behorend bij het proces-verbaal met nummer 1999-170693, opgemaakt op 23 november 1999 door C. Rijkaart en R. Grannetia, hoofdagent respectievelijk agent van regiopoli-tie Amsterdam-Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover verbalisanten op 23 november 1999 vanaf 11.45 uur afgelegde verklaring van verdachte:

Jullie tonen mij een foto van een man die ik ken als Dom.

Ik heb Dom voor het eerst gezien in een woning in de Bijlmer, op de vierde verdieping. (noot verbalisanten: Tijdens het verhoor toonden wij verdachte een foto van Dominic -het hof leest: Dominique- [slachtoffer])

Bij een mishandeling werd mijn rechterbeen zwaar toegetakeld. Ik loop moeilijk met dat been.

Jullie vragen naar het telefoonnummer van mijn GSM telefoon. 06-[nummer], dat is mijn telefoonnummer.

11. Een ambtsedig proces-verbaal van onderzoek doorgenummerde bladzijden 2 tot en met 9, behorend bij het proces-verbaal met nummer 1999-170693, opgemaakt op 4 november 1999 door T.J.G. Limbeek brigadier van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant voornoemd (bladzijden 6 en 7):

Uit het memory-bestand van de GSM van D. [slachtoffer] blijkt dat een persoon zich noemende [naam] tweemaal data-contact heeft gezocht met de GSM van D. [slachtoffer], te weten om 00.58 uur en 1.13 uur. Bij de naam [naam] werd in dit data-contact het telefoonnummer 06-[nummer] vermeld.

Uit de historische gegevens -afkomstig van de database- van de GSM van [naam], telefoonnummer 06-[nummer], blijkt dat [naam] op 7 juli 1999 spraakcontact heeft gezocht met de GSM van D. [slachtoffer], te weten om 00.59 uur en om 01.12 uur.

De hierboven vermelde spraakcontacten vonden plaats met de zendontvangstmast met nummer 45286 van KPN-Telekom. Deze zendontvanginrichting is geplaatst bij de flat Kleiburg in Amsterdam-Zuidoost. De zendmast bevindt zich hemelsbreed 500 à 600 meter van de plaats waar D. [slachtoffer] werd doodgeschoten, zijnde de flat [naam].

12. Een geschrift, zijnde een Rapport Mediation GSM met betrekking tot telefoonnummer 06-[nummer] (doorgenummerde bladzijden 59 tot en met 70).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, het volgende (bladzijde 68):

msisdn

(het hof begrijpt:

bellend nummer)

other party number

(het hof begrijpt:

gebeld nummer)

start date

(het hof begrijpt:

start datum)

start time

(het hof begrijpt:

start tijd)

duration

(het hof begrijpt:

duur gesprek)

cell ID

(het hof begrijpt:

zendmast- nummer)

6[nummer]

6[nummer]

19990706

205028

000060

10195

6[nummer]

6[nummer]

19990706

215216

000016

10193

6[nummer]

6[nummer]

19990707

005920

000155

45286

6[nummer]

6[nummer]

19990707

010940

000033

45286

6[nummer]

6[nummer]

19990707

011230

000057

45286

6[nummer]

6[nummer]

19990707

012417

000023

45286

13. Een geschrift, zijnde een kopie van een ambtsedig proces-verbaal met nummer 1999170693-51 (doorgenummerde blad-zijden 350 tot en met 358), opgemaakt op 17 februari 2000 door R. Grannetia en J.C.P. Schultz, agent respectievelijk hoofd-agent van regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven, als op 17 februari 2000 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van Erol [getuige], geboren op 11 juli 1979:

U vraagt mij of ik de vader van Deniz [naam verdachte] ken. Ja, hij heeft mij een aantal keren gebeld.

We zijn 's-avonds in juli naar een groot gebouw gereden in de Bijlmer. Dat was een flat. We zijn met de auto een garage ingereden en vervolgens lopend de flat ingegaan. Ik ben samen met [naam verdachte] met de trap naar boven gelopen in een lange flat. Nee, we gingen met de lift. Het was de eerste week van juli.

De onder 12 en 13 genoemde geschriften worden slechts gebezigd in samenhang met de overige bewijsmiddelen.

Nadere bewijsoverweging

De verdachte heeft blijkens het ambtsedig proces-verbaal, nummer 1999-170693, doorgenummerde bladzijden 347 tot en met 349, opgemaakt door C. Rijkaart en J.C.P. Schultz, beiden hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, op 23 februari 2000, op die datum tegenover verbalisanten onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

Op de vraag of ik met Erol met de auto wel eens naar de Bijlmer ben geweest .... nee, nooit.

Jullie zeggen dat op de dag en het tijdstip dat Don (het hof begrijpt dat bedoeld is: 'Dom'/Dominique [slachtoffer]) doodging mijn telefoon in Nederland was. Dat kan, ik was toen op het Hoofddorpplein in een bar. Ik was daar van 's avonds 20.00 uur tot 's ochtends 5.00 uur.

Of het misschien mogelijk is dat ik die avond naar de Bijlmer ben gereden met Erol of met iemand anders. Nee.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte tevens heeft verklaard dat hij zijn mobiele telefoon nooit uitleent -zie hiervoor, bewijsmiddel 9-, en hij niet, dan wel niet voldoende gemotiveerd, heeft verklaard dat deze telefoon op de des-betreffende tijdstippen nochtans mogelijk door een ander is gebruikt, terwijl uit andere gebruikte bewijsmiddelen onder meer blijkt

- dat verdachtes mobiele telefoon op 7 juli 1999 tussen 0.59 uur en 1.24 uur telkens is gebruikt met behulp van de zend-ontvangstmast met nummer 45286 van KPN-telekom;

- dat de zendontvangstmast met nummer 45286 van KPN-telekom is geplaatst bij de flat Kleiburg te Amsterdam-Zuidoost, hemelsbreed 500 à 600 meter van de plaats waar D. [slachtoffer] is doodgeschoten; en

- dat Erol [getuige] heeft verklaard in de eerste week van juli 2000 op een avond met verdachte met de auto naar een flat in de Bijlmer te zijn gereden en daar met hem naar boven te zijn gegaan,

moet bovengenoemde verklaring worden gezien als kennelijk leu-genachtig en bedoeld om de waarheid te bemantelen dat de ver-dachte op 7 juli 2000 omstreeks 1.30 uur in de flat [naam], te Amsterdam Zuidoost, D. [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

Het hof gebruikt meergenoemde verklaring van de verdachte om deze reden mede tot het bewijs dat verdachte het hem verweten feit heeft begaan, zoals in de bewezenverklaring omschreven.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het volgende misdrijf op:

- medeplegen van doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de

strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld terzake van mede-plegen moord tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

De verdachte is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot dezelfde straf als in eerste aanleg is opgelegd. Bovendien heeft hij gevorderd dat gevangenneming van de verdachte zal worden bevolen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft, samen met een ander, opzettelijk een man doodgeschoten. De verdachte heeft het slachtoffer nabij zijn woning van korte afstand beschoten. Het lijkt, in aanmerking genomen hetgeen uit het dossier omtrent de bezigheden van het slachtoffer aannemelijk is geworden, om bruut geweld in het criminele circuit te gaan. Hierdoor is aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed berok-kend. Bovendien versterkt een dergelijke doodslag gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De verdachte is al eerder veroordeeld voor geweldsdelicten en wapenbezit. Ten tijde van het plegen van dit feit liep nog een proeftijd ten gevolge van een eerdere veroordeling, terzake van drugsdelicten en wapenbezit.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De voorlopige hechtenis

Het hof acht, in aanmerking genomen dit veroordelend arrest, termen aanwezig om overeenkomstig de vordering van de advo-caat-generaal de voorlopige hechtenis van de verdachte te doen herleven en diens onmiddellijke gevangenneming te bevelen. Uit dit arrest blijkt dat alsnog ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gerezen dat hij zich aan voornoemde doodslag heeft schuldig gemaakt. De onverwijlde vrijheidsbeneming is noodzakelijk vanwege een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid; op het feit is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vijftien jaren gesteld en de rechtsorde is door dat feit ernstig geschokt. Deze beslissing is gegrond op de artikelen 67, 67a, 75 en 78 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van TIEN JAREN;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt de onmiddellijke gevangenneming van de veroordeelde;

bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in enig huis van bewaring in Nederland.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. H.L.C. Hermans, F.W.J. den Ottolander en C. Fasseur, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen als griffier, en uit-gesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 november 2001.