Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD9765

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-12-2001
Datum publicatie
04-03-2002
Zaaknummer
01/00403
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbendes plan tot het starten van een adviesbureau gaat door omstandigheden niet door. Toch bron van inkomen; verlies aftrekbaar. Kosten van creëren en inrichten werkruimte in de woning niet aftrekbaar in verband met inkomensverwervingscriterium. Art. 8b Wet IB 1964 staat er niet aan in de weg dat investeringsaftrek wordt verleend. Deel van de investeringen valt onder de uitsluiting voor woonhuizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2002/21.6 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0585
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen de uit-spraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, gedagtekend 29 november 2000, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1997.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 november 2001.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 73.904;

- gelast de inspecteur het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende, die in het besturen van het familiebedrijf en als enig medewerker van de stichting A relevante werkervaring heeft opgedaan, heeft aannemelijk ge-maakt dat zij in 1997 voorbereidingen is gaan treffen voor het starten van een ad-viesbureau op financieel en organisatorisch gebied voor vrouwelijke ondernemers. De inspecteur heeft dit ook niet zozeer bestreden, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat in de beginfase van de onderneming de verhouding tussen inkomsten en kosten zodanig kan zijn dat er vooralsnog geen sprake kan zijn van een bron van in-komen, waardoor de gemaakte kosten in beginsel niet in aftrek kunnen komen. In-dien, zo stelt de inspecteur vervolgens, in een later jaar blijkt dat de activiteiten ren-dabel zijn en er sprake is van een bron van inkomen, er op grond van een Besluit van de staatssecretaris van Financiën (14 april 1993, nr. DGM93-242, Vakstudie Nieuws 1993, blz. 1417) alsnog aftrek kan worden verleend van eerder gemaakte kosten.

2. Het Hof kan de inspecteur hierin niet volgen. Onderscheid moet worden gemaakt tussen gevallen waarin van een activiteit van een belastingplichtige het bronkarakter niet duidelijk is, en gevallen waarin de -voorgenomen- activiteit wel degelijk een bron van inkomen vormt, maar aan de uitoefening van die activiteit een periode voorafgaat waarin voorbereidende handelingen worden verricht en slechts kosten worden gemaakt. In dat laatste geval worden de kosten aanstonds in aanmerking ge-nomen, ook als de voorgenomen activiteit uiteindelijk geen doorgang vindt.

3. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met het in 1997 uitvoering gaan geven aan haar plannen tot het uitoefenen van een adviesbureau, de eerste han-delingen verricht in het kader van een activiteit waarmee zij beoogde voordeel te be-halen. Het behalen van positieve resultaten was naar het oordeel van het Hof, mede gelet op de onder 1 hiervóór gememoreerde werkervaring van belanghebbende, rede-lijkerwijs ook te verwachten. De uitoefening van het adviesbureau was daardoor voor belanghebbende een bron van inkomen, welke bron, gelet op de aard van de voorge-nomen werkzaamheden, moet worden aangemerkt als een onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Daaraan doet niet af dat belang-hebbende, doordat zij vervolgens in de gelegenheid kwam een politieke functie te gaan vervullen, haar plan om een adviesbureau te gaan uitoefenen, uiteindelijk heeft laten varen.

4. Het vorenstaande houdt in dat in beginsel kosten van de door belanghebbende ge-starte onderneming reeds in 1997 ten laste van het inkomen kunnen worden gebracht.

5. De kosten die belanghebbende opvoert als kosten van haar onderneming hebben, zo blijkt uit de omschrijving en de specificatie ervan in de gedingstukken, betrekking op het maken en inrichten van een werkruimte in de woning van belanghebbende. Deze woning behoort tot het privé-vermogen van belanghebbende. Artikel 8b, eerste lid, aanhef en onderdeel a, sub 1°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat bij het bepalen van de winst niet in aftrek komen kosten en lasten die verband houden met de werkruimte, de inrichting daarin begrepen, in de niet tot het onderne-mingsvermogen van de ondernemer behorende woning ingeval de ondernemer, als hij ook een werkruimte buiten de woning ter beschikking heeft, het gezamenlijke bedrag van zijn winst en inkomsten uit arbeid niet hoofdzakelijk in de werkruimte in de wo-ning verwerft.

6. Belanghebbende was in het onderhavige jaar in dienst bij de Stichting A en ver-richtte de werkzaamheden voor die stichting, zo blijkt uit de stukken, ten kantore van de stichting in Q. Een en ander voert tot de gevolgtrekking dat belanghebbende in het onderhavige jaar zowel werkruimte in de woning als elders had en dat zij niet voldoet aan de eis dat zij haar gezamenlijke inkomen uit onderneming en dienstbetrekking hoofdzakelijk verwierf in de werkruimte in de woning. De kosten en lasten -welke bestaan uit de afschrijvingslasten ter zake van de in 1997 verrichte investeringen en niet uit de volledige aanschafkosten van de verschillende zaken- van het maken en inrichten van de werkruimte in de eigen woning kunnen derhalve niet in aanmerking worden genomen.

7. Het bepaalde in bovenvermeld artikel 8b staat er evenwel niet aan in de weg dat belanghebbende investeringsaftrek krijgt ter zake van de investeringen. Zij maakt aanspraak op een aftrek van 24% van ƒ 33.395.

8. Artikel 11, vijfde lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat voor de investeringsaftrek woonhuizen niet tot de bedrijfsmiddelen worden gerekend. Het Hof is, gelet op hetgeen uit de stukken omtrent de werkzaam-heden aan de woning naar voren komt, van oordeel dat de werkzaamheden aan de woning van belanghebbende niet het karakter van woonhuis hebben ontnomen. Voor zover in het bedrag van ƒ 33.395 zaken en voorzieningen zijn begrepen die deel zijn gaan uitmaken van de woning van belanghebbende, bestaat geen recht op investe-ringsaftrek. Niet voor aftrek komen dus in aanmerking de kosten van vloerbedekking en dergelijke en de kosten van de kennelijk vaste delen van de inrichting (nota's inte-rieurbouwbedrijf B). Voor de investeringsaftrek komen in aanmerking de aanschaf-kosten van burolampen, stoelen, fauteuil, hocker, bijzettafel en staande lamp, totaal ƒ 15.184,76. Het Hof gaat er daarbij aan voorbij dat van de factuur waarop deze za-ken staan vermeld een gedeelte (0,7%) pas in 1998 is voldaan. Aan investeringsaftrek kan dus worden verleend een bedrag van 24% van ƒ 15.184,76 = (afgerond) ƒ 3.645. Het belastbare inkomen wordt ƒ 77.586 -/- ƒ 3.645 -/- ƒ37 (meer giftenaftrek) = ƒ 73.904.

9. Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het gelijk gedeeltelijk aan belangheb-bende is.

Proceskosten

Er zijn termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belang-hebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, doch be-langhebbende heeft geen kosten opgegeven die ingevolge de ter zake geldende rege-ling voor vergoeding in aanmerking komen.

De uitspraak is gedaan op 7 december 2001 door mr. Van Loon, lid van de belasting-kamer, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uit-spraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondeling uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlan-den. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.