Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD9760

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
04-03-2002
Zaaknummer
00/02665
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak op bezwaar gedaan door B&W. Uitspraak wordt om redenen van proceseconomie aangemerkt als een uitspraak van de heffingsambtenaar. Van een verzoek als bedoeld in art. 242 Gemw kan in casu geen sprake zijn. Aan art. 6:15 Awb geen gevolg gegeven.

Indien leges worden geheven ter zake van het verstrekken van afschriften in het kader van een bestuurlijke procedure, dan dient niet slechts te zijn voldaan aan het voorschrift van art. 229b Gemw, maar ook aan het voorschrift van art. 7:4 Awb, dat inhoudt dat ten hoogste de kosten in rekening kunnen worden gebracht. Het in de Verordening gestelde bedrag van ƒ 2 per kopie voldoet niet aan deze eis. De omstandigheid dat verweerder aan belanghebbende na bezwaar uiteindelijk slechts ƒ 0,50 in rekening heeft gebracht doet hieraan niet af. De Verordening is in zoverre onverbindend. In het midden kan blijven of een tarief van ƒ 0,50 wel aan de eis voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/959
FutD 2002-0559
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van mr. X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente '-s-Graveland.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie van belanghebbende, advocaat, een beroepschrift ontvangen op 24 juli 2000.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van burgemeester en wethouders van de ge-meente 's-Graveland, gedagtekend 15 juni 2000, verzonden 16 juni 2000, betreffende het bij mondelinge kennisgeving op 3 november 1999 van belanghebbende geheven bedrag van ƒ 1.034,- voor leges ter zake van de verstrekking van afschriften van stukken in het kader van de behandeling van een bezwaarschrift van een cliënt van belanghebbende, welk bedrag door verweerder bij besluit van 18 januari 2000, ver-zonden 19 januari 2000, is verminderd tot ƒ 258,50.

Na bezwaar tegen het na vermindering geheven bedrag is dit bij de bestreden uit-spraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vernietiging van het hef-fingsbesluit en subsidiair tot vermindering van het gevorderde bedrag tot ƒ 25,85, onder vergoeding van rente en kosten.

Burgemeester en wethouders hebben een verweerschrift ingediend en concluderen tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer van 20 april 2001. Belanghebbende heeft een pleitnota in het geding gebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan op 31 oktober 2001 een afschrift aan partijen is gezonden.

Na verwijzing heeft de Vierde Meervoudige Belastingkamer de zaak behandeld ter zitting van 15 november 2001, alwaar zijn verschenen belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Graveland (verweerder), mr. A, en waar beide partijen een pleitnota in het geding hebben gebracht. Verweerder heeft daarbij twee bijlagen overgelegd. Belanghebbende heeft daarvan kennis kunnen nemen en zich daarover kunnen uitlaten.

Alle pleitnota's en daarbij overgelegde stukken worden tot de gedingstukken gere-kend.

2. De Verordening

2.1. De Raad van de gemeente 's-Graveland heeft 27 augustus 1998 de Legesveror-dening 1998 (hierna: de Verordening) vastgesteld met de daarbij behorende en daar-van deel uitmakende Tarieventabel. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de bekendmaking op 9 september 1998 van de verordening in een plaatselijk dagblad met de mededeling dat deze ter inzage ligt bij de sector Middelen in het gemeente-huis en dat daarvan tegen betaling van leges een afschrift kan worden verkregen.

2.2. De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" (..)

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam 'leges' worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

(..)

Artikel 5 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2. (..)

Artikel 6 Wijze van heffing

De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, ze-gel, nota of andere schriftuur.

(..)

Artikel 9 Teruggaaf

Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges ter zake van een in de tarieventabel om-schreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze ver-ordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling.

Artikel 10 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van leges.

Artikel 11 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel

(..)

4. De datum van ingang van de heffing is de eerste dag na die van de bekendmaking.

5. Deze verordening wordt aangehaald als 'Legesverordening 1998'.".

2.3. De bij de verordening behorende tarieventabel luidt voor zover hier van belang, als volgt:

"Hoofdstuk 1 Algemeen.

1.1 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag tot verstrekking van:

1.1.1 (..)

1.1.2 afschriften, doorslagen of fotokopieën van stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgeno-men;

1.1.2.1 per pagina op papier van A4-formaat f 2,--;

1.1.2.2 (..)

(..)

Hoofdstuk 17 Diversen

(..)

Kosteloze informatieverstrekking

19. In bijzondere gevallen, nader door het college van burgemeester te bepalen, kun-nen kosteloos inlichtingen en documenten worden verstrekt. Zoals bijvoorbeeld voor historisch onderzoek en filantropische instellingen.".

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. In het kader van een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende 517 kopieën gevraagd uit gemeentelijke dos-siers. Het gaat daarbij om stukken als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Deze afschriften zijn aan belanghebbende verstrekt en daarvoor is van hem op 3 no-vember 1999 het genoemde bedrag van ƒ 1.034,- gevorderd.

3.2. Vervolgens heeft belanghebbende op 1 december 1999 aan het college van bur-gemeester en wethouders een verzoekschrift gericht, strekkende tot vrijstelling, ver-mindering of ontheffing en teruggaaf van het betaalde bedrag met vergoeding van de wettelijke rente.

3.2. Op dit verzoekschrift heeft het college van burgemeester en wethouders op 18 januari 2000, verzonden 19 januari 2000, uitspraak gedaan, waarbij het gevorderde bedrag is verminderd tot ƒ 258,50.

3.3. Tegen de uitspraak op het verzoekschrift heeft belanghebbende op 24 februari 2000 per fax bezwaar ingediend, op welk bezwaar het college van burgemeester en wethouders bij het bestreden besluit uitspraak heeft gedaan. Wel werd bewilligd in het vergoeden van wettelijke rente over de uit de beslissing van 18 januari 2000 voortvloeiende restitutie van ƒ 775,50.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het na de uitspraak op het verzoekschrift gehanteerde tarief van f 0,50 per pagina A4-formaat voor afschriften van stukken, welke afschrif-ten worden gevraagd in verband met een bezwaarschrift op grond van de Awb, op grond van artikel 7:4, vierde lid, van die wet te hoog is, gelijk belanghebbende voor-staat, of dat dit bedrag in overeenstemming is met dit artikel.

5. Standpunten van partijen

5.1. Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting van 20 april 2001.

Aan hun motivering is door partijen ter zitting van 15 november 2001 het volgende toegevoegd.

Door belanghebbende

5.2.1. Mijn verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

5.2.2. Ik moest de kopieën zelf komen ophalen, ze konden niet worden opgestuurd. Ook moest ik eerst betalen, anders kreeg ik de stukken niet.

5.2.3. De tijd die de ambtenaar besteedt aan het maken van de gevraagde kopieën mag niet worden meegeteld in de berekening van de kostprijs.

5.2.4. Het tarief in de gemeente mag niet afwijken van het tarief in andere gemeen-ten.

Door verweerder

5.3.1. Een tarief van f. 0,50 per kopie is representatief in gemeenteland.

5.3.2. Het tarief van f. 2,00 wordt niet meer gehanteerd bij verstrekking van afschrif-ten in bezwaar- en beroepsprocedures.

5.3.3. In het gehanteerde tarief zitten de kosten kopieerapparaat en papier, alsmede de kosten van de ambtenaar die daar tijd aan besteedt. Het is een economische bereke-ning waarbij ook rekening is gehouden met het feit dat 's-Graveland een kleine ge-meente is. De kosten van het opzoeken van de stukken (archief) zijn niet in het tarief begrepen.

5.3.4. Ook bij een tarief van f. 2,00 werd verlies geleden op het maken van afschrif-ten.

5.3.5. Het is niet zo dat een heel pak papier op het kopieerapparaat kan worden ge-legd en worden gekopieerd. De stukken waarvan is aangegeven dat ze moeten wor-den gekopieerd, moeten individueel uit het dossier worden gehaald en worden geko-pieerd.

5.3.6. Ik kan niet aangeven wat de kosten van uitsluitend kopieerapparaat en papier zijn.

5.3.7. Iedere gemeente mag zijn eigen tarieven vaststellen.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De bestreden uitspraak is gedaan door het college van burgemeester en wethou-ders. Dit is niet in overeenstemming met hetgeen is bepaald in art. 231, tweede lid, Gemeentewet, waarin de gemeenteambtenaar, belast met de heffing van gemeentelij-ke belastingen (hierna: de ambtenaar), is aangewezen als degene die bevoegd is tot het doen van uitspraak op het bezwaarschrift. Het Hof neemt, mede gelet op het feit dat de gemachtigde ter zitting van 15 november 2001 heeft betoogd dat de ambtenaar zich kan conformeren met de materiële invulling van de beslissingen van het college, en het feit dat de gemachtigde tijdens die zitting optrad als gemachtigde (lees: ge-mandateerde) van de ambtenaar, aan dat de uitspraak van de bevoegde ambtenaar niet anders zou luiden dan de thans bestreden uitspraak van het college. Om redenen van proceseconomie merkt het Hof daarom de uitspraak van het college aan als een uit-spraak van de ambtenaar.

6.2. Een verzoek op grond van artikel 242 Gemeentewet kan worden ingediend in-dien de indiener op grond van de verordening aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vrijstelling, vermindering, ontheffing of teruggaaf van geheven belas-ting. Belanghebbende heeft zijn verzoek echter niet gebaseerd op een vrijstelling waarin de verordening voorziet, maar heeft zich beroepen op art. 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college van burgemeester en wethouders heeft dientengevolge ten onrechte nagelaten het verzoekschrift van belanghebbende be-doeld onder 3.2 aan te merken als een bezwaarschrift tegen de legesheffing. De uit-spraak van 18 januari 2000 moet derhalve worden aangemerkt als de uitspraak op bezwaarschrift.

6.3. Uit het vorengaande volgt dat het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de uitspraak van 18 januari 2000 ten onrechte niet is aangemerkt als een beroepschrift dat bij de verkeerde instantie was ingediend en dat op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht had moeten worden doorgezonden naar het gerechtshof. Nu geen doorzending heeft plaatsgevonden en de uitspraak van 18 januari 2000 een verwijzing naar de rechtsmiddelen die ertegen kunnen worden aangewend, ontbeert, kan belanghebbende niet worden tegengeworpen dat zijn beroepschrift te laat is inge-diend bij het gerechtshof en dat hij beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 15 juni 2000 in plaats van tegen de uitspraak van 18 januari 2000. Het Hof merkt het beroepschrift derhalve aan als een beroepschrift gericht tegen de uitspraak van 15 januari 2000. Het beroep is gelet op het ontbreken van de rechtsmiddelen in deze uitspraak, ontvankelijk.

6.4. Op grond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet is de gemeente bevoegd tot het heffen van rechten voor het genot van door of vanwe-ge het gemeentebestuur verstrekte diensten. Tot deze rechten behoren ook de door de gemeente 's-Graveland op grond van de onder 2 vermelde verordening geheven le-ges. Niet in geschil is dat de van belanghebbende geheven leges zijn geheven ter zake van aan belanghebbende verstrekte diensten. Voorts is niet gesteld of gebleken dat de heffing op grond van de Legesverordening 1998 niet voldoet aan hetgeen is bepaald in artikel 229b van de Gemeentewet. In het bijzonder verzet dat artikel zich er niet tegen dat de leges terzake van een afzonderlijke soort dienst de kostprijs van die dienst overtreffen.

6.5. Bestaat de verstrekte dienst evenwel uit het verstrekken van fotokopieën van stukken die ter voldoening aan artikel 7:4, tweede lid, van de Awb ter inzage zijn gelegd (zoals, naar niet is omstreden, in de onderhavige zaak het geval is ten aanzien van alle verstrekte kopieën), dan dient de verordening niet alleen te worden getoetst aan artikel 229b van de Gemeentewet, maar ook aan artikel 7:4, vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat "ten hoogste de kosten" in rekening gebracht mogen worden.

6.6. Belanghebbende heeft gesteld dat reeds een tarief van ƒ 0,50 per kopie de wer-kelijke kosten overschrijdt. Verweerder heeft dit betwist; volgens zijn verklaring ter zitting zou zelfs een tarief van ƒ 2,- nog niet eens kostendekkend zijn. Dit laatste is op het eerste gezicht onaannemelijk in het licht van (i) de uitspraak op bezwaar, waarbij de oorspronkelijke heffing naar ƒ 2,- per kopie werd teruggebracht naar een naar ƒ 0,50 per kopie; (ii) de omstandigheid dat stukken die ter inzage zijn gelegd niet opgedolven behoeven te worden uit dossiers die zich mogelijk reeds in het ar-chief bevinden; en (iii) ervaringsregels. De betwisting door verweerder behoefde dus nadere toelichting van zijn kostprijsberekening, waarop hij beter zicht heeft dan be-langhebbende. Zodanige toelichting is achterwege gebleven. Aldus is aannemelijk geworden dat het tarief van de verordening in strijd is met artikel 7:4, vierde lid, van de Awb.

6.7. De verordening is dus onverbindend met betrekking tot de onderwerpelijke aan-gelegenheid, tenzij zij zelf de bevoegdheid verleent om, indien kopieën worden ge-vraagd van stukken die op de voet van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb ter inzage zijn gelegd, in plaats van ƒ 2,- per kopie (het lagere bedrag van) de werkelijke kosten te heffen. Dat geval doet zich niet voor. Het door verweerder ingeroepen artikel 10 van de verordening geeft niet de bevoegdheid om nadere regels te geven met betrek-king tot het tarief. Het voorbehoud in de aanhef van artikel 1.1.2 van de tarieventabel ("voorzover daarvoor niet (...) in een andere wettelijke regeling een tarief is opgeno-men") kan niet dienen, omdat artikel 7:4, vierde lid, van de Awb geen tarief stelt.

6.8. De slotsom luidt dat wegens de onverbindendheid van de verordening voor het onderhavige geval vernietiging moet volgen van de uitspraak op bezwaar, en van het heffingsbesluit. In het midden kan blijven of een tarief van ƒ 0,50 per copie zich ver-draagt met artikel 7:4, vierde lid, van de Awb. Eveneens in het midden kan blijven of het college van burgemeester en wethouders aan artikel 7:4, vierde lid, van de Awb de bevoegdheid ontleent om buiten de legesverordening om kosten in rekening te brengen, aangezien in dat geval de belastingrechter niet bevoegd is tot kennisneming van een geschil omtrent de hoogte van de in rekening gebrachte kosten.

6.9. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

7. Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk is gesteld, acht het Hof termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Van beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand is in casu geen sprake geweest. Omtrent verletkosten heeft belanghebbende niets gesteld. Het Hof bepaalt daarom de proceskosten op de reiskosten voor het bijwonen van twee zittingen, in goede justitie te stellen op ƒ 80.

8. Schadevergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de schade, in die zin dat hij ver-zoekt om vergoeding van de wettelijke rente over het door verweerder naar aanlei-ding van deze uitspraak terug te betalen bedrag van ƒ 258,50. Het Hof komt, mede gelet op de opstelling van burgemeester en wethouders bij de eerdere restitutie van het bedrag van ƒ 775,50, aan dit verzoek tegemoet.

9. Beslissing

Het Hof:

n verklaart het beroep gegrond;

n vernietigt de bestreden uitspraak;

n vernietigt het heffingsbesluit, waarvan op 3 november 1999 mondelinge kennis-geving is gedaan aan belanghebbende;

n veroordeelt verweerder tot vergoeding aan belanghebbende van ƒ 80 aan proces-kosten en wijst de gemeente 's-Graveland aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet voldoen;

n veroordeelt verweerder in de schade van belanghebbende, ten belope van het op de voet van de artikelen 6:119 en 120 van het Burgerlijk Wetboek over het be-drag van ƒ 285,50 met ingang van 3 november 1999 te berekenen bedrag aan wettelijke rente en wijst de gemeente 's-Graveland aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet voldoen;

n gelast de gemeente 's-Graveland het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belangheb-bende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 21 december 2001 door mrs. Van Loon, Van Maanen en Kruimel, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit ge-rechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.