Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD9665

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2001
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-001273-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzetheling (auto). Medeplegen voorhanden hebben van een grote verzameling van wapens en munitie voorhanden. Medeplegen invoeren van vuurwapens en medeplegen overdragen wapens aan een derde. Gebleken betrokkenheid bij de internationale wapenhandel, waarbij op grote schaal wapens uit het buitenland in Nederland ingevoerd worden en alhier verder worden verspreid. Medeplegen aanwezig hebben van ruim 10 kg hashish.

Verwerping diverse verweren.

4 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrestnummer:

Rolnummer: 23-001273-00

Datum uitspraak: 1 juni 2001

Tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 25 april 2000 in de strafzaak onder parketnummer 13/127050-99 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] (voormalig Joegoslavië) op [...] 1961,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd te PI Almere Binnen, 1332 BX Almere, Caissonweg 2.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 11 april 2000 en in hoger beroep van 18 mei 2001.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 februari 2000 op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verweer gevoerd inhoudende – zakelijk weergegeven - dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard ten aanzien van “voorhanden hebben” in het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, aangezien niet voldaan is aan de eis van voldoende feitelijkheid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorts is door de raadsman aangevoerd dat de tijdsaanduiding in het laatste gedeelte van het onder 3B tenlastegelegde – “tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 25 augustus 1999 […] op andere tijdstippen dan hierboven onder feit 2 en 3A genoemd”- onvoldoende duidelijk is, zodat dit gedeelte van de dagvaarding eveneens nietig moet worden verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer. Ten aanzien van het “voorhanden hebben” is het hof van oordeel dat deze term weliswaar deel uitmaakt van de delictsomschrijving van artikel 416, eerste lid onder a, van het Wetboek van Strafrecht, maar dat hieraan tevens een feitelijke betekenis moet worden gehecht. Ten aanzien van de tijdsaanduiding van hetgeen onder 3B, laatste gedeelte, is tenlastegelegd, is het hof van oordeel dat niet is in te zien waarom deze onvoldoende duidelijk zou zijn, nu blijkens de bewoordingen van de tenlastelegging wordt gedoeld op de periode van omstreeks 1 januari 1997 tot en met omstreeks 25 augustus 1999, behoudens de perioden op of omstreeks 10 juni 1999 en op of omstreeks 21 juni 1999. Het hof is van oordeel dat de bedoelde beperkingen van het tijdsbestek – gezien het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering – in ruime zin moeten worden opgevat en deze derhalve de perioden omstreeks 10 juni 1999 en omstreeks 21 juni 1999 betreffen. Niet gebleken is dat de verdachte niet wist tegen welke beschuldigingen hij zich diende te verdedigen.

4. Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

5. De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2, 3A, 3B en 4 is tenlastegelegd, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde -

hij in de periode van 4 juni 1999 tot en met 10 juni 1999 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een auto van het merk Mercedes, kenteken [nummer], voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het een door diefstal verkregen goed betrof;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde –

hij op 10 juni 1999 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, wapens van categorie III, te weten twee pistolen van het merk Staatsarsenaal, type PM (Makarov) kaliber 9x18 mm, en wapens van categorie I, te weten twee geluiddempers voor vuurwapens, heeft overgedragen aan [medeverdachte] en voornoemde wapens tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad;

- ten aanzien van het onder 3 A tenlastegelegde –

hij op 21 juni 1999 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, wapens van categorie II, te weten:

- 10 automatische vuurwapens -machinepistolen of pistoolmitrailleurs, merk Zagi, type M91, kaliber 9 mm para-,

- 19 patroonhouders passend bij voornoemde automatische vuurwapens voor patronen van het kaliber 9 mm,

- 10 patroonhouders van (semi-)automatische vuurwapens van het merk Zagi, FEG, CZ en/of HS, voor patronen van het kaliber 9x19 mm en/of 9x17 mm en

- 66 (sleutelhanger)pistolen -kaliber .22 LR- zijnde vuurwapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen,

en wapens van categorie III, te weten:

- 2 pistolen -merk Beretta, type 950B, kaliber 6,35 mm en merk Crvena Zastava, type 99, kaliber 9x19 mm-

en munitie van categorie III, te weten:

- 2 patronen kaliber .22 LR,

- 36 patronen kaliber 6,35 mm,

- 35 patronen kaliber 9x19 mm (9mm para) en

- 25 patronen kaliber 7,65 mm

voorhanden heeft gehad

en

hij op 21 juni 1999 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie I, te weten een geluiddemper voor een Beretta, type 950B, voorhanden heeft gehad;

- ten aanzien van het onder 3 B tenlastegelegde –

hij in de periode van 1 februari 1999 tot en met 30 april 1999 te Amsterdam, telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen automatische vuurwapens en vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers of pistolen en geluiddempers voor een vuurwapen Nederland heeft doen binnenkomen

en

hij in de periode van 1 januari 1997 tot en met 25 augustus 1999 te Amsterdam en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, automatische vuurwapens en vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers of pistolen en vuurwapens die uiterlijk gelijken op een ander voorwerp dan een wapen en geluiddempers voor een vuurwapen, op andere tijdstippen dan omstreeks de hierboven onder feit 2 en 3A genoemde heeft voorhanden gehad en/of overgedragen;

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde -

hij op 28 juli 1999 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 10,44 kilogram van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2, 3A, 3B en 4 meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

6. Bespreking van gevoerd verweer

(1.) Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd – zakelijk weergegeven - dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en diens mededader niet “vervoeren en voorhanden hebben”, zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie, opleveren.

Het hof verwerpt dit betoog. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachtes mededader de wapens, verpakt in een plastic tas, met een auto vanaf de plaats waar de wapens waren opgeslagen heeft gebracht naar de plaats van de overdracht, alwaar ook verdachte aanwezig was; aldus hebben verdachte en zijn mededader de wapens voorhanden gehad.

(2.) Ten aanzien van de 10 automatische vuurwapens, merk Zagi en de 19 daarbij passende patroonhouders, tenlastegelegd onder 3A, is door de raadsman aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat, nu niet blijkt dat het deskundigenrapport betreffende de wapens is opgemaakt door een opsporingsambtenaar die blijkens de aard van zijn functie deskundig is, het hof niet kan bepalen dat sprake is van wapens in de zin van de Wet wapens en munitie.

Het hof verwerpt dit verweer, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat de technische omschrijving van de door de raadsman bedoelde vuurwapens en patroonhouders is opgemaakt door een inspecteur van politie, werkzaam bij het Bureau Techniek, afdeling Technische Recherche. Het hof is van oordeel dat in beginsel – bijzondere omstandigheden, die gesteld noch aannemelijk zijn geworden, daargelaten – op de bevindingen van een dergelijke functionaris in een kwestie als de onderhavige mag worden vertrouwd.

7. De strafbaarheid van de feiten

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde betoogd – zakelijk weergegeven - dat het overdragen van wapens aan [medeverdachte] geen strafbaar feit oplevert, daartoe stellende dat [medeverdachte] mogelijkerwijs gerechtigd was tot die wapens.

Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat het gestelde niet aannemelijk is geworden. Dat [medeverdachte] – nadat de wapens onder hem in beslag zijn genomen – is heengezonden, zoals de raadsman stelt, kan niet worden aangemerkt als een aanwijzing dat [medeverdachte] gerechtigd was.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

- ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

medeplegen van opzetheling;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III; medeplegen van handelen in strijd met artikel 13,

eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III;

- ten aanzien van het onder 3A tenlastegelegde:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd; medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III; medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- ten aanzien van het onder 3B tenlastegelegde:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd; medeplegen van handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd; medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd; medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Het bestanddeel ‘zonder consent’ uit de delictsomschrijving van artikel 55, derde lid aanhef en onder a, in verband met artikel 14, eerste lid, Wet wapens en munitie maakt geen deel uit van de tenlastelegging onder 3B, eerste onderdeel. Met dit bestanddeel is beoogd de internationale wapenhandel, voorzover deze zich aan de daartoe gestelde regels onderwerpt, buiten het werkingsgebied van de strafbepaling te houden. Dergelijke wapenhandel moet als legaal worden aangemerkt.

De tenlastelegging strekt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar ertoe dat de verdachte wordt verweten dat hij heeft deelgenomen aan het illegale doen binnenkomen van wapens in Nederland (wapensmokkel). De inhoud van het dossier is hierop toegesneden, evenals het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. De verdediging heeft nimmer blijk gegeven de tenlastelegging anders te hebben begrepen. Nu voorts uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bewezenverklaarde wapeninvoer telkens een illegaal karakter had en dus geen consent, als hierboven bedoeld, was verleend, acht het hof het bewezenverklaarde onder 3B, eerste onderdeel, strafbaar en heeft het hof dit feit op de aangegeven wijze gekwalificeerd.

- ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

8. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

9. De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte en zijn mededader hebben een auto voorhanden gehad, terwijl zij wisten dat deze gestolen was. Verdachte heeft zodoende bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.

Verdachte en zijn mededader(s) hebben bovendien een grote verzameling van wapens en munitie voorhanden gehad en wapens aan een derde overgedragen. Gebleken is dat verdachte betrokken is bij de internationale wapenhandel, waarbij op grote schaal wapens uit het buitenland in Nederland ingevoerd worden en alhier verder worden verspreid. Door aldus te handelen heeft verdachte de Wet wapens en munitie veelvuldig overtreden, waardoor de maatschappelijke veiligheid ernstig is aangetast en in de samenleving onrust teweeg is gebracht.

Verder is bij verdachte en zijn mededaders een voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheid hashish aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de verspreiding van verdovende middelen allerlei vormen van criminaliteit en overlast meebrengt.

Op deze bijzonder ernstige feiten dient in beginsel te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof bepaalt de duur van de op te leggen gevangenisstraf op vier jaar.

Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 5 december 2000.

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: 1 plastic zak, VAN HAREN, die aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het onder 2 bewezenverklaarde is begaan.

De inbeslaggenomen voorwerpen te weten: 2 geluiddempers, 4 patroonhouders en 2 stuks munitie (WALTHER-kogels) alsmede 2 stuks papier, berekeningen verkoop wiet/hasj, die aan de verdachte toebehoren en die bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane strafbare feiten zijn aangetroffen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

10. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 55, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13, 14, 22, 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11. De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3A, 3B en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair, 2, 3A, 3B en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (VIER) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1 stk. zak, VAN HAREN plastic.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 2 stk. geluiddemper,

- 4 stk. patroonhouder,

- 2 stk. munitie, WALTHER kogel,

- 2 stk. papier, berekeningen verkoop wiet/hasj.

Gelast de teruggave van:

- 6 stk. sleutelbos

aan [benadeelde partij].

Gelast de teruggave van:

- 2 stk. bon, kassa, girorekening [nummer], pasnr. [nummer],

- 1 stk. label, van parfum Darlin Paris,

- 1 stk. semafoon, kleur zwart, PTT Brooklyn21 216200, buzzer no. [nummer],

- 2 stk. sleutel, autosleutel van een Daihatsu, woningsleutel,

- 2 stk. foto, POLAROID, met o.a. [betrokkene] en [betrokkene] erop,

- 7 stk. papier, 6 papiertjes + 1 stukje bierviltje met diverse telefoonnummers,

- 1 stk. adresboek, kleur zwart, inclusief diverse papiertjes met 5 telefoonnummers,

- 1 stk. fotoalbum, kleur rood, met daarin diverse foto’s,

- 2 stk. bon, kleur wit, winkelbonnen afkomstig uit Hardenberg,

- 1 stk. weegschaal, kleur wit, MAUL tronic, electronisch,

- 1 stk. papier, kleur groen, HEINEKEN bierviltje met daarop telefoonnummer [nummer]

- 1 stk. agenda, kleur zwart, 1997,

- 1 stk. sleutel, kleur zilver, EVVA DPS [nummer],

- 1 stk. fotolijst, kleur grijs, en losse foto van manspersoon en 5 pasfoto’s,

- 1 stk. visitekaartje, kleur wit, alsmede 10 losse afgescheurde papieren met telefoonnummers

aan verdachte.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Wiewel, De Winter en Barbas, in tegenwoordigheid van mr. Peters als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juni 2001.

Mr. Barbas is buiten staat dit verkorte arrest mede te ondertekenen.