Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD9037

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2001
Datum publicatie
07-02-2002
Zaaknummer
01/345
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kosten studiebegeleiding voor dyslectisch kind vormen uitgaven voor genees- en heelkundige hulp.

Belanghebbendes zoon lijdt aan dyslexie. De zoon volgt met ingang van het cursusjaar 1996-1997 op medisch advies onderwijs op de particuliere basisschool M. Belanghebbende heeft in zijn aangifte buitengewone lasten geclaimd, waaronder uitgaven voor een orthopedagogie, ergotherapie, schoolgeld, remedial teaching, en voor vervoerskosten. De inspecteur heeft deze kosten niet in aftrek toegelaten.

Tot de kosten van geneeskundige hulp behoren ook de kosten van medische revalidatie. De uitgaven voor het onderwijs op M worden voor een deel aangemerkt als uitgaven voor medische revalidatie. Belanghebbende heeft desgevraagd niet kunnen aangeven welk deel van het schoolgeld op de medische revalidatie, meer in het bijzonder op de remedial teaching en de paramedische hulp, betrekking heeft. Het Hof stelt deze uitgaven in goede justitie vast op 25%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2002-0370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst te P, hierna de inspecteur, gedagtekend 5 januari 2001, betreffende de aan belang-hebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 november 2001.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 177.194;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 1.420 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1.1. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 154.332. Onder de buitengewone lasten heeft belang-hebbende, na aftrek van het drempelbedrag van ƒ 12.089, een bedrag opgevoerd van ƒ 32.511 ter zake van uitgaven voor ziekte.

1.2. Tot belanghebbendes gezin behoort onder meer zijn zoon A, die geboren is op 4 februari 1988 (hierna: de zoon).

1.3. Onder de hiervoor onder 1.1. genoemde buitengewone lasten ad ƒ 32.511 zijn onder andere de volgende uitgaven begrepen:

a orthopedagoog ƒ 300,

b ergotherapie ƒ 724,

c stichting Eagle Hill ƒ 24.000,

d remedial teaching ƒ 1.575

e vervoerskosten Eagle Hill ƒ 4.500.

Al deze uitgaven hebben betrekking op de zoon. De inspecteur heeft genoemde uitgaven niet in aftrek toegelaten en de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van [ƒ 154.332 + ƒ 32.511 + ƒ 1.487 (hoger huurwaardeforfait) =] ƒ 186.918.

1.4. De zoon lijdt aan dyslexie en had begin 1997 ontwikkelings- en leerachterstanden. In verband met psychische en lichamelijke klachten is de zoon vanaf 1995 onder behandeling van een kinderarts die de ouders onder andere een sensomotore training en een medicamenteuze behandeling adviseerde. De ouders hebben genoemd advies opgevolgd.

1.5. De zoon volgt met ingang van het cursusjaar 1996-1997 op medisch advies van onder andere de huisarts B, de kinderarts C, de arts D en de orthopedagoog E, onderwijs op de particuliere basisschool Maupertuus te Bosch en Duin (hierna: Maupertuus). Het secretariaat van de school wordt verzorgd door Stichting Eagle Hill te Doorn. Het schoolgeld bedraagt ƒ a per kwartaal.

1.6. De inspecteur heeft informatiemateriaal, dat van Maupertuus afkomstig is, bij zijn verweerschrift gevoegd. Hierin staat onder meer:

"Kinderen die worden toegelaten op Maupertuus zijn kinderen met leerproblemen. Deze leerproblemen worden veroorzaakt door een handicap en komen niét voort uit opvoedingsproblemen. Slechts die kinderen worden toegelaten waarbij goede vooruitzichten zijn op "genezing" van de handicap door intensieve begeleiding op het gebied van remedial teaching, fysiotherapie, ergotherapie en logopedie ofwel geleerd kan worden de handicap hanteerbaar te maken zodat de nadelige gevolgen van de handicap weggenomen of beperkt worden, met als streven een herplaatsing op een basisschool of school voor voortgezet onderwijs. De kinderen worden alleen toegelaten op medische indicatie. (…)

Voor ieder kind is er een individueel leer- en begeleidingsplan, hetgeen wordt opgesteld n.a.v. het multi-disciplinaire toelatingsonderzoek. (…) Voor elk kind is het plan (…) verschillend, maar maakt altijd onderdeel uit van de therapie. (…) Van klassikaal onderwijs kan en mag geen sprake zijn aangezien er continu sprake moet zijn van individuele begeleiding op het gebied van remedial teaching en paramedische begeleiding. (…) Op Maupertuus zijn thans 6 groepen kinderen (tot een maximum van 12 in getal) die o.l.v. een leerkracht/remedial teacher/orthopedagoog/psycholoog staan, waarbij er dagelijks intensieve individuele begeleiding plaatsvindt door extra hulp van een extra remedial teacher, fysiotherapeut, ergotherapeut en logopedist. Ca. 30% van de schooltijd betstaat uit individuele coaching (extra remedial teaching en paramedische hulp), ca. 60% bestaat uit individuele coaching in de kleine groep (o.l.v. de remedial teacher die de groep begeleidt) en de overige tijd omvat klassikale activiteiten (zoals voorlezen, tekenen, knutselen), ter bevordering van het sociaal functioneren in een groep waar deze kinderen vanwege hun handicap problemen mee hebben."

2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de hiervoor onder 1.3. genoemde uitgaven kunnen worden aangemerkt als buitengewone lasten in de zin van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend de inspecteur ontkennend. Niet in geschil is dat belanghebbende de onder 1.3 bedoelde uitgaven ten behoeve van de zoon gedaan heeft.

3.1. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de zoon in wezen regulier onderwijs volgt op een school welke is gespecialiseerd in de begeleiding van kinderen met leerproblemen als gevolg van een belemmering en dat er bij de zoon geen sprake is van een ernstige vorm van dyslexie.

De inspecteur wijst er tevens op dat belanghebbende - die volgens hem tegen ziektekosten verzekerd is - de genoemde uitgaven niet van zijn verzekeraar vergoed gekregen heeft. Waaruit de inspecteur afleidt dat dan ook geen sprake van ziektekosten zal zijn.

Nu de gedingstukken volgens de inspecteur onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan te kunnen nemen dat een gedeelte van het genoten onderwijs betrekking heeft op uitgaven ten behoeve van medici en paramedici, wenst hij de onder 1.3. genoemde uitgaven niet als buitengewone lasten aan te merken.

3.2.1 Ter zitting van 20 november 2001 heeft de gemachtigde van belanghebbende drs. F, orthopedagoog en gezondheidspsycholoog, als getuige meegebracht. De gemachtigde heeft zowel het Hof als de inspecteur bij faxbericht van 12 november 2001 mededeling gedaan van zijn voornemen getuigen mee te brengen.

F heeft desgevraagd - kort en zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

Ik heb een adviesbureau voor kinderen met leer- en gedragsproblemen. Mijn bureau onderzoekt kinderen van 2,5 tot 18 jaar. Ik heb de zoon, belanghebbende en zijn echtgenote voor het eerst in november 2000 tijdens een (intake)gesprek gesproken. Mijn bureau heeft twee plannen opgesteld: een speciaal trainingsprogramma en een plan om de dyslexie te verhelpen. Het Instituut I, de school waar de zoon na Maupertuus naar toe is gegaan, voert het plan uit.

Tijdens het intakegesprek vertelden de ouders mij dat de leerkrachten van de school waarop de zoon vóór Maupertuus onderwijs volgde, in verband met de zich voordoende problemen met A, op plaatsing op een andere school hadden aangedrongen. Op basis van mijn kennis en eigen waarneming tijdens het intakegesprek meen ik dat er in 1997 naast het bij de zoon aanwezig geachte taalprobleem, lees dyslexie, tevens sprake moet zijn geweest van motorische, ruimtelijke en concentratieproblemen.

3.2.2. Ter zitting verklaarde de gemachtigde dat belanghebbende vermoedelijk tegen ziektekosten verzekerd was, dat hij niet wist of de polis de onder 1.3 genoemde uitgaven dekten. De gemachtigde kon ter zitting geen polis overleggen.

Ter zitting heeft belanghebbende zijn verzoek om G, verbonden aan Instituut I, als getuige te horen ingetrokken.

4.1. Ingevolge artikel 46, lid 3, aanhef en, voor zover in het onderhavige geval van belang, onder a, van de Wet worden als uitgaven ter zake van ziekte en invaliditeit uitsluitend aangemerkt de daarmee verband houdende uitgaven voor genees- en heelkundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulp- en kunstmiddelen en vervoer.

Tot de kosten van geneeskundige hulp behoren ook de kosten van medische revalidatie. Onder medische revalidatie moet, blijkens BNB 1977/43, voor het onderhavige geschil verstaan worden een complex van onderling samenhangende en op elkander afgestemde maatregelen, door middel waarvan op aanwijzing van een medicus wordt gepoogd de fysieke en psychische toestand van de zoon tot de voor hem optimale graad op te voeren, dan wel die zo goed mogelijk in stand te houden, en hem in staat te stellen, mede door onderwijs, te geraken tot een voor hem passende plaats in de samenleving.

4.2. Gelet op hetgeen 1.4. tot en met 1.6. is vastgesteld en op hetgeen F ter zitting heeft verklaard staat vast dat de zoon op medisch advies op Maupertuus onderwijs volgt.

4.3. Het volgen van het op de zoon afgestemde onderwijs op Malpertuus is op zichzelf niet aan te merken als geneeskundige hulp in de zin van artikel 46 van de Wet en kan evenmin worden gerekend tot het verstrekkingenpakket krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Dat neemt niet weg dat het naar het oordeel van het Hof gaat om uitgaven die gemaakt zijn voor een complex van onderling samenhangende en op elkaar afgestemde maatregelen, door middel waarvan op aanwijzing van een medicus wordt gepoogd de fysieke en psychische toestand van de zoon tot de voor hem optimale graad op te voeren, dan wel die zo goed mogelijk in stand te houden, en hem in staat te stellen, mede door onderwijs, te geraken tot een voor hem passende plaats in de samenleving. Het Hof acht hierbij met name de verklaringen van de arts D, de kinderarts C en de orthopedagoog E en het door de inspecteur overgelegde informatiemateriaal van Maupertuus van belang. Uit de verklaringen en het informatiemateriaal leidt het Hof af dat de zoon een handicap heeft, te weten dyslexie, dat diverse medici het vanwege die handicap wenselijk achten dat de zoon op Maupertuus, onder andere in de vorm van remedial teaching, onderwijs krijgt, dat de zoon op Maupertus paramedische hulp, bestaande uit fysiotherapie, ergotherapie en logopedie ontvangt en dat het onderwijs en de paramedische hulp op die school aansluiten op de overige medische hulp die de zoon elders krijgt. Tevens acht het Hof aannemelijk dat het onderwijs en de op Maupertuus gegeven paramedische hulp erop gericht zijn de zoon in staat te stellen om tot een voor hem passende plaats in de samenleving, dat wil zeggen een plaatsing op een school voor voortgezet onderwijs, te geraken. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot de gevolgtrekking dat de uitgaven voor het onderwijs op Maupertus voor een deel zijn aan te merken als uitgaven voor medische revalidatie in de onder 4.1. bedoelde zin.

4.4. Dat belanghebbende, zoals door de Inspecteur aangevoerd, van zijn (particuliere) ziektekostenverzekeraar geen vergoeding van de onderhavige kosten heeft ontvangen, behoeft aan dit oordeel niet in de weg te staan; niet de - contractueel bepaalde - omvang van het verzekeringspakket, maar het al dan niet bestaan van causaliteit tussen de handicap van de zoon en de kosten van schoolgeld voor Maupertuus is voor de beslissing in het onderhavige geschil doorslaggevend.

4.5.1. Alsdan komt de vraag aan de orde vraag welk deel van de onder 1.3. genoemde uitgaven als kosten van medische revalidatie kunnen worden aangemerkt.

4.5.2. Belanghebbende heeft desgevraagd niet kunnen aangeven welk deel van het schoolgeld op de medische revalidatie, meer in het bijzonder op de remedial teaching en de paramedische hulp, betrekking heeft.

Nu belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, op geen enkele wijze aangegeven heeft, laat staan aannemelijk heeft gemaakt, welk deel van het schoolgeld aan medische revalidatie toerekenbaar is, terwijl er gelet op het vorenoverwogene wel aanleiding is om een deel daarvan als buitengewone lasten ter zake van ziekte aan te merken, zal het Hof deze kosten in goede justitie vaststellen en wel op 25%. Dit betekent dat van het betaalde schoolgeld, zijnde in totaal (4 x ƒ 6.000 =) ƒ 24.000, 25% of wel ƒ 6.000, als buitengewone last is aan te merken.

4.5.3. Partijen gaan er kennelijk vanuit dat met de onder 1.3, letter e, bedoelde vervoerskosten bedoeld zijn de kosten van vervoer van de zoon tussen het ouderlijk huis en Maupertuus. Het Hof zal partijen op dit punt volgen.

Waar de kosten van het halen en brengen van de zoon zowel betrekking hebben op het volgen van onderwijs, dat niet onder de buitengewone lasten wordt gerangschikt, als op de handelingen door paramedici die daar wel onder gerangschikt worden, kan hetzelfde percentage, als bedoeld in 4.5.2., van de vervoerskosten, waarvan de hoogte niet in geschil is, tot de buitengewone lasten worden gerekend. Om die reden acht het Hof 25% van de vervoerskosten, zijnde (25% van ƒ 4.500 =) ƒ 1.125 als buitengewone last aftrekbaar.

4.5.4. Tot slot acht het Hof aannemelijk dat de overige onder 1.3. genoemde uitgaven, te weten de uitgaven voor de orthopedagogie (ƒ 300), de ergotherapie (ƒ 724) en de kosten van de remedial teaching (ƒ 1.575), verband houden met de handicap van de zoon, dat de uitgaven op medisch advies gegeven hulp betreffen en dat zij vergoedingen vormen voor de onder 4.3. bedoelde medische revalidatie.

5. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het vastgestelde inkomen verlaagd moet worden met (ƒ 6.000 + ƒ 1.125 + ƒ 300 + ƒ 724 + ƒ 1.575 =) ƒ 9.724 en vastgesteld moet worden op (ƒ 186.918 - ƒ 9.724 =) ƒ 177.194.

6. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof deze kosten vast op 2 (punten per proceshandeling) x ƒ 710 x 1(gewicht), derhalve totaal ƒ 1.420.

De uitspraak is gedaan op 4 december 2001 door mr. Goes, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.