Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD8643

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2001
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-000202-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzettelijk uivoeren van 5,1 kg opium. Medeplegen opzettelijk invoeren van cocaïne. Medeplegen voorbereidingshandelingen gericht op het invoeren van harddrugs. Medeplegen opzettelijk invoeren van harddrugs.

4 jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000202-00

datum uitspraak 12 juli 2001

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 31 oktober 2000 in de strafzaak onder parketnummer 13-129303-99

tegen

[slachtoffer],

geboren te [plaats] (Iran) 1977,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het Jeugdhuis van Bewaring De Sprang te 's-Gravenhage.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 oktober 2000, 16 oktober 2000 en 17 oktober 2000 en in hoger beroep van 28 juni 2001.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat van de oorspronkelijke inleidende dagvaarding de feiten 2, 3, 6 en 8 waren afgesplitst, tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder 1, 4, 5 en 7, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie d.d. 11 oktober 2000 en 16 oktober 2000 gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

De bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 4, 5 en 7 is tenlastegelegd, met dien verstande dat

1. hij in de periode van 1 oktober 1999 tot en met 23 oktober 1999 te Amsterdam en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ongeveer) 5,1 kilogram van een materiaal bevattende opium;

4. hij in de periode van 15 april 1998 tot en met 10 juni 1998 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, waaronder [medeverdachte], opzettelijk (ongeveer) een kilogram van een materiaal bevattende cocaïne vanuit Suriname binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

5. hij in de periode van 15 april 1998 tot en met 10 juni 1998 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van een feit als bedoeld in artikel 10, lid 4 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk door [medeverdachte] vanuit Guyana binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die wet behorende lijst I,

- een ander heeft getracht te bewegen dat feit te plegen en

- een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

immers hebben hij, verdachte, en één van zijn mededaders die [medeverdachte] benaderd waarna hij en die mededader hebben getracht haar te bewegen harddrugs vanuit Guyana mee te nemen naar Nederland en die [medeverdachte] gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit verschaft door haar vliegticket en haar hotelkosten te betalen;

7. hij in de periode van 15 april 1998 tot en met 27 mei 1998 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, waaronder [medeverdachte], opzettelijk een hoeveelheid van een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij die wet behorende lijst I, vanuit Brazilië binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 4 en 7 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden en bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep doen instellen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf zoals door de rechtbank opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan in- en uitvoer van voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheden harddrugs. Verdachte ronselde daartoe jonge vrouwen om als koerier van de verdovende middelen te fungeren. In geval van één van die vrouwen heeft verdachte misbruik gemaakt van de gevoelens die de vrouw voor hem koesterde. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij uit winstbejag jonge - kwetsbare - vrouwen het vuile werk liet doen. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de handel in en verspreiding van harddrugs.

Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 18 april 2000.

Vorengaande in overweging nemend acht het hof oplegging van een straf, zoals door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd en thans in hoger beroep door de advocaat-generaal gevorderd, alleszins passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 4, 5 en 7 tenlaste-gelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 4, 5 en 7 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (VIER) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Altena, Schreuder en Lukàcs, in tegenwoordigheid van mr. Kubbinga als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 juli 2001.

Mr. Lukàcs is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.