Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD8597

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2001
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-001785-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzettelijk invoeren van ruim 4,5 kg cocaïne. Medeplegen voorbereidingshandelingen gericht op het opzettelijk invoeren van cocaïne.

Verwerping beroep op de niet-ontvankelijkheid van het O.M. ten aanzien van feit 2 (onvoldoende verdedigingsmogelijkheden)

48 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001785-00

datum uitspraak 1 mei 2001

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de meervoudige strafkamer in de arrondissementsrechtbank

te Haarlem van 20 juni 2000 in de strafzaak onder parketnummer 15/035125-00

tegen

[verdachte],

geboren op Curaçao 1973,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, De Liesbosch 100,

3439 LC Nieuwegein.

Beperkt appel

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens mededeling ter terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing, ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde, te weten vrijspraak.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 juni 2000 en in hoger beroep van 12 december 2000, 29 maart 2001, 10 april 2001 en 17 april 2001.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is -voor zover in hoger beroep aan de orde- tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, daar verdachte ten aanzien van dit feit voor het eerst is gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg en zich hierdoor niet althans onvoldoende heeft kunnen verdedigen tegen het onder 2 tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de stukken van het dossier blijkt dat op 25 april 2000 huiszoeking is verricht in het huis van verdachte. Hierbij zijn twee documenten, te weten een paspoort en een identiteitskaart, op de koelkast aangetroffen, waardoor een (begin van) verdenking is ontstaan ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit. Op 23 mei 2000 is de inleidende dagvaarding aan verdachte in persoon uitgereikt. Daarbij werd verdachte voor het eerst met die verdenking geconfronteerd. Op 6 juni 2000 vond het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg plaats bij welke gelegenheid verdachte voor het eerst over het onder 2 tenlastegelegde feit is gehoord.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat in verband met de planning van de behandeling van de strafzaken tegen verdachte en haar medeverdachten terzake van het onder 1 (en/of 3) tenlastegelegde feit(en), voor de politie slechts korte tijd beschikbaar is geweest voor het verrichten van het naar aanleiding van het bij verdachte thuis aantreffen van genoemde documenten noodzakelijk onderzoek. Dat aldus sprake is geweest van een doelbewuste, dan wel met grove veronachtzaming van verdachtes belangen gepleegde inbreuk op haar recht op een eerlijk proces is niet aannemelijk geworden.

Ten overvloede geldt voorts dat van de drie door de politie met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit gehoorde getuigen, [getuige] en [getuige] ter terechtzitting in eerste aanleg zijn gehoord, terwijl deze beiden én de getuige [getuige] op verzoek van de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep (opnieuw) zijn gehoord.

Tegen die achtergrond is -zonder verdere toelichting, welke ontbreekt- evenmin aannemelijk geworden dat verdachte –doordat zij pas op 23 mei 2000 met de verdenking ten aanzien van feit 2 geconfronteerd werd en terzake niet vóór 6 juni 2000 werd gehoord- in een nadeliger positie is komen te verkeren dan wanneer zijzelf eerder was gehoord en/of de drie genoemde getuigen voor 6 juni 2000 door de rechter-commissaris zouden zijn gehoord, temeer nu door de verdediging noch in eerste aanleg noch in hoger beroep meer of andere verzoeken tot het doen van nader onderzoek in deze zijn gedaan.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

zij op 27 februari 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.791,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

zij op tijdstippen in de periode van 15 januari 2000 tot en met 27 februari 2000 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen, hebbende verdachte en/of een of meer van verdachtes mededaders aan [getuige] en aan [getuige] gevraagd een reis te maken naar Zuid-Amerika en deze personen gevraagd cocaïne naar Nederland te vervoeren en het paspoort respectievelijk de identiteitskaart van deze personen ingenomen.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen met anderen invoeren van cocaïne. Het betrof een hoeveelheid van ruim 4,5 kilo cocaïne die verdachte samen met haar mededaders Nederland heeft binnengebracht. Tevens heeft verdachte voorbereidingshandelingen verricht met betrekking tot het doen smokkelen van cocaïne, door daartoe potentiële koeriersters te benaderen en voorbereidingen voor hun reis te treffen. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en de handel daarin en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving als geheel onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Het hof houdt rekening met een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 9 februari 2001, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder wegens het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, waaronder ook Opiumwetdelicten.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het over verdachte uitgebrachte rapport van C. Carre, humanistisch raadsvrouw in de penitentiaire inrichting te Nieuwegein d.d. 28 maart 2001.

Gelet op het bovenstaande acht het hof een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van 48 (ACHT EN VEERTIG) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van een identiteitskaart ten name van [getuige], nr [nummer] en van een paspoort ten name van [getuige], nr [nummer].

Gelast de teruggave aan verdachte van een Tempo Team agenda, twee documenten en twee bescheiden.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Manen, Ingelse en Veldhuisen, in tegenwoordigheid van mr. Jas als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 mei 2001.

Mrs. Ingelse en Veldhuisen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.